Sony DSLR-A450L de handleiding

Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

NL
2
Om het gevaar van brand of
elektrische schokken te verkleinen,
mag het apparaat niet worden
blootgesteld aan regen of vocht.
BEWAAR DEZE INSTRUCTIES
GEVAAR
OM DE KANS OP BRAND EN
ELEKTRISCHE SCHOKKEN TE
VERKLEINEN, HOUDT U ZICH
NAUWGEZET AAN DEZE
INSTRUCTIES.
Als de vorm van de stekker niet past in het
stopcontact, gebruikt u een stekkeradapter
van de juiste vorm voor het stopcontact.
Accu
Bij onjuist gebruik van de accu, kan de
accu barsten, brand veroorzaken en
chemische brandwonden tot gevolg hebben.
Houd rekening met de volgende
voorzorgsmaatregelen.
Demonteer de accu niet.
Plet de accu niet en stel deze niet bloot
aan schokken of stoten, laat deze niet
vallen en ga er niet op staan.
Veroorzaak geen kortsluiting en zorg dat
er geen metalen voorwerpen in aanraking
komen met de aansluitpunten.
Stel de accu niet bloot aan hoge
temperaturen boven 60 °C, zoals direct
zonlicht of in een auto die in de zon
geparkeerd staat.
Verbrand de accu niet en gooi deze niet
in het vuur.
Gebruik geen beschadigde of lekkende
lithiumion batterijen.
Laad de accu op met een echte Sony-
acculader of een apparaat waarmee de
accu kan worden opgeladen.
Houd de accu buiten het bereik van
kleine kinderen.
Houd de accu droog.
Vervang de accu alleen door hetzelfde
accutype of een vergelijkbaar accutype
dat door Sony wordt aanbevolen.
Gooi de gebruikte accu zo snel mogelijk
weg volgens de instructies.
Nederlands
WAARSCHUWING
BELANGRIJKE
VEILIGHEIDSINSTRUCTIES
LET OP
3
NL
Acculader
Zelfs als het CHARGE-lampje niet brandt,
is de acculader niet losgekoppeld van de
wisselstroombron zolang de stekker ervan
in het stopcontact zit. Als zich een
probleem voordoet tijdens het gebruik van
de acculader, onderbreekt u de
stroomvoorziening onmiddellijk door de
stekker uit het stopcontact te trekken.
Kennisgeving voor klanten in de
landen waar EU-richtlijnen van
toepassing zijn
De fabrikant van dit product is Sony
Corporation, 1-7-1 Konan Minato-ku
Tokyo, 108-0075 Japan. De geautoriseerde
vertegenwoordiger voor EMC en
productveiligheid is Sony Deutschland
GmbH, Hedelfinger Strasse 61, 70327
Stuttgart, Duitsland. Voor kwesties met
betrekking tot service of garantie kunt u het
adres in de afzonderlijke service- en
garantiedocumenten gebruiken.
Verwijdering van oude elektrische en
elektronische apparaten
(Toepasbaar in de Europese Unie en
andere Europese landen met
gescheiden ophaalsystemen)
Het symbool op het product of op de
verpakking wijst erop dat dit product niet
als huishoudelijk afval mag worden
behandeld. Het moet echter naar een plaats
worden gebracht waar elektrische en
elektronische apparatuur wordt gerecycled.
Als u ervoor zorgt dat dit product op de
correcte manier wordt verwijderd,
voorkomt u voor mens en milieu negatieve
gevolgen die zich zouden kunnen voordoen
in geval van verkeerde afvalbehandeling.
De recycling van materialen draagt bij tot
het vrijwaren van natuurlijke bronnen.
Voor meer details in verband met het
recyclen van dit product, neemt u contact
op met de gemeentelijke instanties, het
bedrijf of de dienst belast met de
verwijdering van huishoudafval of de
winkel waar u het product hebt gekocht.
Voor klanten in Europa
NL
NL
4
Verwijdering van oude batterijen (in
de Europese Unie en andere
Europese landen met afzonderlijke
inzamelingssystemen)
Dit symbool op de batterij of verpakking
wijst erop dat de meegeleverde batterij van
dit product niet als huishoudelijk afval
behandeld mag worden.
Op sommige batterijen kan dit symbool
voorkomen in combinatie met een
chemisch symbool. De chemische
symbolen voor kwik (Hg) of lood (Pb)
worden toegevoegd als de batterij meer dan
0,0005 % kwik of 0,004 % lood bevat.
Door deze batterijen op juiste wijze af te
voeren, voorkomt u voor mens en milieu
negatieve gevolgen die zich zouden kunnen
voordoen in geval van verkeerde
afvalbehandeling. Het recycleren van
materialen draagt bij tot het vrijwaren van
natuurlijke bronnen.
In het geval dat de producten om redenen
van veiligheid, prestaties dan wel in
verband met data-integriteit een
permanente verbinding met batterij
vereisen, dient deze batterij enkel door
gekwalificeerd servicepersoneel vervangen
te worden. Om ervoor te zorgen dat de
batterij op een juiste wijze zal worden
behandeld, dient het product aan het eind
van zijn levenscyclus overhandigd te
worden aan het desbetreffende
inzamelingspunt voor de recyclage van
elektrisch en elektronisch materiaal.
Voor alle andere batterijen verwijzen we u
naar het gedeelte over hoe de batterij veilig
uit het product te verwijderen. Overhandig
de batterij bij het desbetreffende
inzamelingspunt voor de recyclage van
batterijen.
Voor meer details in verband met het
recyclen van dit product of batterij, neemt u
contact op met de gemeentelijke instanties,
het bedrijf of de dienst belast met de
verwijdering van huishoudafval of de
winkel waar u het product hebt gekocht.
Dit product is getest en voldoet aan de
beperkingen die zijn uiteengezet in de
EMC-richtlijn voor het gebruik van een
verbindingskabel van minder dan 3 meter.
Let op
De elektromagnetische velden bij de
specifieke frequenties kunnen het beeld en
het geluid van dit apparaat beïnvloeden.
Kennisgeving
Als de gegevensoverdracht halverwege
wordt onderbroken (mislukt) door statische
elektriciteit of elektromagnetische storing,
moet u de toepassing opnieuw starten of de
verbindingskabel (USB, enzovoort)
loskoppelen en opnieuw aansluiten.
5
NL
Opmerkingen over het gebruik van de camera
Opnamefuncties
In de Live View-stand voor handmatige
scherpstellingscontrole kan het opgenomen
beeld verschillen van het beeld dat u met de
LCD monitor zag.
Geen compensatie voor de inhoud
van de opnamen
Voor mislukte opnamen door een
gebrekkige werking van uw camera, een
geheugenkaart, enz. kan geen
schadevergoeding worden geëist.
Aanbeveling reservekopie
Om mogelijk verlies van beeldgegevens te
voorkomen, dient u altijd een (reserve)
kopie van de gegevens op een ander
medium te maken.
Opmerkingen over de LCD-monitor
en lens
De LCD-monitor is vervaardigd met
gebruikmaking van uiterst nauwkeurige
precisietechnologie zodat meer dan
99,99% van de pixels effectief kan
worden gebruikt. Het is echter mogelijk
dat enkele kleine zwarte punten en/of
oplichtende punten (wit, rood, blauw of
groen) permanent op de LCD-monitor
zichtbaar zijn. Dit is een normaal gevolg
van het productieproces en heeft geen
enkele invloed op de beelden.
Stel de camera niet bloot aan direct
zonlicht. Als het zonlicht wordt
weerkaatst op een voorwerp in de buurt,
kan brand ontstaan. Als u de camera toch
in direct zonlicht moet plaatsen, bevestigt
u de lensdop.
Op een koude plaats kunnen beelden een
schaduw vormen op de LCD-monitor.
Dit is normaal. Als u de camera op een
koude plaats inschakelt, kan de LCD-
monitor tijdelijk donker zijn. Als de
camera is opgewarmd, zal de LCD-
monitor normaal werken.
Duw niet op de LCD-monitor. De
kleuren op de LCD-monitor kunnen
veranderen waardoor zich een storing
kan voordoen.
Waarschuwing over copyright
Televisieprogramma's, films, videobanden
en ander materiaal kunnen beschermd zijn
door auteursrechten. Het zonder
toestemming opnemen van dergelijk
materiaal kan in strijd zijn met de wetten op
de auteursrechten.
De afbeeldingen die in deze
gebruiksaanwijzing worden gebruikt
De foto's die in deze gebruiksaanwijzing als
voorbeelden worden gebruikt, zijn
gereproduceerde beelden die niet
daadwerkelijk met deze camera zijn
opgenomen.
Informatie over de
gegevensspecificaties die in deze
gebruiksaanwijzing worden
beschreven
De gegevens over prestaties en specificaties
worden gedefinieerd onder de volgende
omstandigheden, behalve voor zover
beschreven in deze gebruiksaanwijzing: bij
een standaardomgevingstemperatuur van
25ºC, en met een volledig opgeladen accu.
Zwarte, witte, rode,
blauwe en groene
punten
NL
6
Inhoud
Opmerkingen over het gebruik van de camera .................. 5
De camera
voorbereiden
De bijgeleverde accessoires controleren ......................... 10
De accu voorbereiden ...................................................... 11
Een lens bevestigen ......................................................... 16
Een geheugenkaart plaatsen ............................................ 18
De camera voorbereiden .................................................. 21
De bijgeleverde accessoires gebruiken ............................ 23
Controleren hoeveel beelden kunnen worden opgenomen ........ 25
Reiniging ......................................................................... 27
Voordat u het
toestel bedient
Plaats van de onderdelen en schermindicators ................ 30
Voorzijde .................................................................... 30
Achterzijde ................................................................. 31
Bovenzijde .................................................................. 32
Zijkanten/onderkant ................................................... 33
De opname-informatie wisselen (DISP) .................... 34
LCD-monitor (Grafische weergave) .......................... 35
LCD-monitor (Standaardweergave) ........................... 37
Zoeker ........................................................................ 39
Een functie/instelling selecteren ...................................... 40
Een functie selecteren met de Fn (Functie)-knop ...... 41
De functies die met de Fn (Functie)-knop geselecteerd
kunnen worden .................................................. 42
De functies die met de MENU-knop geselecteerd kunnen
worden ............................................................... 42
Beelden
opnemen
Beelden zonder camerabeweging vastleggen .................. 44
Correcte houding ........................................................ 44
De SteadyShot-functie gebruiken .............................. 45
Een statief gebruiken .................................................. 46
/ De automatische instelling gebruiken voor een
opname ........................................................................ 47
Een opname maken met een voor het onderwerp geschikte
instelling (Scènekeuzefunctie) ................................... 49
Portretfoto's nemen ............................................... 50
Landschapsfoto's nemen ....................................... 51
Foto's maken van een klein onderwerp ................ 52
Foto's maken van een bewegend onderwerp ........ 53
Foto's nemen van een zonsondergang ................. 54
Nachtfoto's maken ............................................... 55
7
NL
Maak de afbeelding zoals u die wilt maken
(Belichtingsfunctie)..................................................... 56
De geprogrammeerde automatische opnamefunctie
gebruiken ........................................................... 57
Een opname maken door de wazigheid van de
achtergrond te regelen (Diafragmavoorkeur) ...... 58
Het vastleggen van een bewegend onderwerp met
verschillende uitdrukkingen (Sluitertijdvoorkeur)
............................................................................ 60
Een opname maken waarbij de belichting handmatig
is gewijzigd (Handmatige belichting) ............... 63
Een opname maken met een naijlend effect met een
lange belichtingstijd (BULB) ............................ 66
De
opnamefunctie
gebruiken
De scherpstelmethode selecteren ..................................... 68
Automatisch scherpstellen gebruiken ........................ 68
Een opname nemen met uw gewenste compositie
(Scherpstelvergrendeling) .................................. 71
De scherpstelmethode kiezen die geschikt is voor de
beweging van het onderwerp (Automatische
scherpstelfunctie) .............................................. 72
Het scherpstelveld (AF-gebied) kiezen ...................... 73
De scherpstelling handmatig wijzigen (Handmatige
scherpstelling) ................................................... 74
Opnamen maken met de handmatige scherpstellingscontrole
Live View ................................................................... 75
De opname-informatie wisselen (DISP) .................... 77
LCD-monitor .............................................................. 78
De flitser gebruiken ......................................................... 80
Een draadloze-flitsopname maken ............................. 83
De helderheid van het beeld wijzigen (Belichting,
flitscompensatie, meting) ........................................... 84
Een opname maken met een vastgelegde helderheid
(AE-vergrendeling) ........................................... 84
Helderheidscompensatie voor het hele beeld gebruiken
(Belichtingscompensatie) .................................. 85
De hoeveelheid flitslicht aanpassen (Flitscompensatie)
............................................................................ 86
De flitsregeling selecteren om de hoeveelheid flitslicht in
te stellen (Flitsregeling) .................................... 87
NL
8
De methode selecteren voor lichtmeting van het
onderwerp (Lichtmeetfunctie) ........................... 88
Automatisch de helderheid en het contrast compenseren
(Dynamisch Bereik) ................................................... 89
De helderheid van het beeld corrigeren (Dynamisch-
bereikoptimalisatie) ........................................... 89
Automatisch compenseren met rijke gradatie
(Automatisch Hoog Dynamisch Bereik) ........... 90
Beeldverwerking .............................................................. 92
De door u gewenste beeldverwerking kiezen
(Instellingen) ...................................................... 92
Het bereik van de gereproduceerde kleuren wijzigen
(Kleurenruimte).................................................. 93
Instelling ISO ................................................................... 94
De kleurtinten (Witbalans) instellen ................................ 95
De witbalans aanpassen zodat deze bij een bepaalde
lichtbron past (Automatisch/vooringestelde
witbalans) .......................................................... 95
De kleurtemperatuur en een filtereffect instellen
(Kleurtemperatuur/kleurfilter) ........................... 96
De kleurtinten opslaan (Eigen witbalans) .................. 97
De transportfunctie selecteren ............................ 99
Enkele opnamen nemen ............................................. 99
Continu opnemen ....................................................... 99
De zelfontspanner gebruiken .................................... 100
Beelden opnemen met verschoven belichting
(Belichtingsbracket) ........................................ 101
Opnemen met witbalansverschuiving
(Witbalansbracket) .......................................... 102
Opnamen maken met de draadloze afstandsbediening
.......................................................................... 103
De
weergavefuncties
gebruiken
Beelden weergeven ........................................................ 104
De informatie over opgenomen beelden controleren .......109
Beelden beveiligen (Beveiligen) ................................... 112
Beelden wissen (Wissen) ............................................... 113
Beelden bekijken op een tv-scherm ............................... 115
9
NL
Uw instellingen
wijzigen
De beeldgrootte en de beeldkwaliteit instellen .............. 118
De methode voor opnemen op een geheugenkaart instellen
................................................................................... 120
De instelling voor ruisonderdrukking wijzigen ............. 122
De functie van de AEL-knop wijzigen .......................... 123
Andere instellingen wijzigen ......................................... 124
De LCD-monitor instellen ............................................. 125
De versie van de camera controleren ............................. 127
Op de standaardinstellingen terugstellen ....................... 128
Beelden bekijken
op uw computer
Met uw computer ........................................................... 130
De software gebruiken ................................................... 137
Beelden
afdrukken
DPOF opgeven .............................................................. 142
Beelden afdrukken door de camera aan te sluiten op een
printer die compatibel is met PictBridge .................. 144
Overige
Technische gegevens ..................................................... 146
Problemen oplossen ....................................................... 150
Waarschuwingsmededelingen ....................................... 159
Voorzorgsmaatregelen ................................................... 162
Index ............................................................................. 165
NL
10
De camera voorbereiden
De bijgeleverde accessoires controleren
Het cijfer tussen haakjes geeft het aantal stuks aan.
BC-VM10 Acculader (1)/
Netsnoer (1)
Oplaadbare accu NP-FM500H (1)
USB-kabel (1)
Schouderriem (1)
Zoekerkapje (1)
Lensvattingdop (1) (bevestigd op
de camera)
Oogschelp (1) (bevestigd op de
camera)
Cd-rom (toepassingssoftware
voor α camera) (1)
Gebruiksaanwijzing (deze
gebruiksaanwijzing) (1)
De camera voorbereiden
11
NL
De accu voorbereiden
Zorg ervoor dat u de NP-FM500H "InfoLITHIUM"-accu (bijgeleverd)
oplaadt als u de camera voor het eerst gebruikt.
De "InfoLITHIUM"-accu kan zelfs worden opgeladen als deze niet
volledig leeg is.
Hij kan tevens worden gebruikt als hij niet volledig is opgeladen.
Over de oplaadtijd
De vereiste tijd voor het opladen van een volledig lege accu (bijgeleverd)
bij een temperatuur van 25°C is als volgt.
Afhankelijk van de resterende accucapaciteit of de
oplaadomstandigheden kan de oplaadtijd langer of korter zijn.
De accu opladen
1 Plaats de accu in de acculader.
Duw de accu erin totdat deze vastklikt.
2 Sluit het netsnoer aan.
Lampje aan: Opladen
Lampje uit: Klaar (normale lading)
Eén uur nadat het lampje uit is gegaan:
volledig opgeladen
Volledige lading Normale lading
Ong. 235 min. Ong. 175 min.
CHARGE-lamp
Naar een
stopcontact
NL
12
We raden u aan om de accu op te laden bij een omgevingstemperatuur
van 10 tot 30°C. Bij hogere of lagere temperatuur kan het zijn dat u de
accu niet efficiënt kunt opladen.
Opmerkingen
Sluit de acculader op het dichtstbijzijnde stopcontact aan.
Als het opladen klaar is, trekt u de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en
haalt u de accu uit de acculader. De levensduur van de accu kan korter worden als u
deze opgeladen in de acculader laat zitten.
Laad geen andere accu dan de accu van de "InfoLITHIUM" M-reeks op in de
acculader (bijgeleverd) met uw camera. Als u andere accu's dan de bijgeleverde accu
probeert op te laden, kunnen deze gaan lekken, oververhit raken of exploderen,
waardoor gevaar van letsel als gevolg van elektrocutie en brandwonden ontstaat.
Als het CHARGE-lampje knippert, kan dit een accufout aangeven of het feit dat een
andere accu dan het opgegeven type is geplaatst. Controleer of de geplaatste accu
van het opgegeven type is. Als de accu van het opgegeven type is, verwijdert u de
accu, vervangt u deze door een nieuwe of een andere, en controleert u of de
acculader nu wel goed werkt. Als de acculader nu wel goed werkt, kan een accufout
zijn opgetreden.
Als de acculader vuil is, is het mogelijk dat de accu niet goed wordt opgeladen.
Maak de acculader schoon met een droge doek, enz.
De camera in het buitenland gebruiken — Stroomvoorziening
U kunt de camera, de acculader en de AC-PW10AM-netspanningsadapter
(los verkrijgbaar) in elk land of gebied gebruiken met een
stroomvoorziening van 100 V tot 240 V wisselstroom van 50/60 Hz.
Opmerking
Gebruik geen elektronische transformator (reistrafo), omdat hierdoor een storing kan
optreden.
De camera voorbereiden
13
NL
De accu verwijderen
De opgeladen accu in de camera plaatsen
1 Open het accuklepje terwijl u de
hendel van het accuklepje
verschuift.
2 Verschuif de
vergrendelingshendel met de
punt van de accu en stop de accu
helemaal in de camera.
Vergrendelingshendel
3 Sluit het accuklepje.
Schakel de camera uit, en verschuif de
vergrendelingshendel in de richting van
de pijl. Wees voorzichtig dat de accu niet
valt.
Vergrendelingshendel
NL
14
Het accuklepje verwijderen
De resterende acculading controleren
Controleer het niveau aan de hand van de volgende indicators en
percentages die op de LCD-monitor worden weergegeven.
Wat is een "InfoLITHIUM"-accu?
Een "InfoLITHIUM"-accu is een lithium-ionbatterij die functies bevat voor
het uitwisselen van informatie met betrekking tot de
gebruiksomstandigheden van uw camera. Wanneer u de "InfoLITHIUM"-
accu gebruikt, wordt de resterende accuduur weergegeven in percentages
op basis van de gebruiksomstandigheden van uw camera.
Opmerkingen
Het weergegeven niveau zal in bepaalde omstandigheden mogelijk niet correct zijn.
Laat de accu niet nat worden. De accu is niet waterdicht.
Laat de accu niet liggen op zeer warme plaatsen, zoals in een voertuig of in direct
zonlicht.
Verkrijgbare accu's
Gebruik alleen een NP-FM500H-accu. N.B. De typen NP-FM55H, NP-
FM50 en NP-FM30 kunnen niet worden gebruikt.
Het accuklepje kan worden verwijderd
zodat de VG-B50AM Verticale
Handgreep (los verkrijgbaar) kan worden
bevestigd.
Duw de hendel in de richting van de pijl
en schuif deze weg zodat u het klepje
kunt verwijderen.
Plaats de verdikking in het gat, trek de
hendel naar beneden en bevestig het
klepje door het naar binnen te schuiven.
Accuniveau
"Accu leeg"
Hoog Laag
U kunt geen foto's
meer maken.
De camera voorbereiden
15
NL
Doeltreffend gebruik van de accu
Bij lage temperaturen verminderen de prestaties van de accu. Dus de tijd
dat de accu kan worden gebruikt is korter in een koude omgeving en de
snelheid van continuopnamen neemt af. Het verdient aanbeveling de accu
in een van de zakken van uw kleding te bewaren om deze op te warmen,
en deze in de camera te plaatsen vlak voordat u begint met opnemen.
De accu raakt snel leeg als u vaak flitst, vaak continue opnamen maakt of
de camera regelmatig in- en uitschakelt.
Wanneer u de Live View-functie voor handmatige
scherpstellingscontrole gebruikt, is er minder tijd beschikbaar dan
wanneer u opnamen maakt met alleen de zoeker.
Levensduur van de accu
De levensduur van de accu is beperkt. De capaciteit van de accu neemt
geleidelijk af naarmate u deze meer gebruikt en de tijd verstrijkt. Als de
gebruiksduur van de accu aanzienlijk korter lijkt te worden, is de meest
waarschijnlijke oorzaak dat het einde van de levensduur van de accu is
bereikt. Koop een nieuwe accu.
De levensduur van de accu wordt bepaald door de manier waarop deze
wordt bewaard en door de omstandigheden en omgeving waarin de accu
wordt gebruikt.
Hoe u de accu moet bewaren
Om de levensduur van de accu te verlengen als de accu gedurende een
lange tijd niet gebruikt wordt, laadt u deze eenmaal per jaar volledig op en
verbruikt u de lading volledig met uw camera, voordat u de accu weer
bewaart op een droge, koele plaats.
NL
16
Een lens bevestigen
Opmerkingen
Bij het bevestigen van de lens, mag u de lensontgrendelingsknop niet indrukken.
Oefen bij het bevestigen van de lens geen grote kracht uit.
1 Haal de lensvattingdop van de
camera en haal de
verpakkingsklep van de
achterzijde van de lens.
Als u de lens verwisselt, doe dit dan
snel en op een stofvrije plaats om
ervoor te zorgen dat er geen stof of vuil
in de camera binnendringt.
Verpakkingsklep
2 Lijn eerst de oranje
uitlijnmarkeringen op de lens en
de camera op elkaar uit.
Oranje indexmarkeringen
3 Draai vervolgens de lens
rechtsom tot deze met een klik
wordt vergrendeld.
Het is belangrijk dat u de lens recht op
de camera zet.
Lensvattingdop
De camera voorbereiden
17
NL
De lens verwijderen
Opmerking over verwisseling van de lens
Als bij de verwisseling van de lens stof of vuil de camera binnendringt en
op het oppervlak komt van de beeldsensor (het onderdeel dat werkt als de
film), kan dit afhankelijk van de opnameomstandigheden zichtbaar zijn in
het beeld.
De camera is uitgerust met een stofpreventiefunctie om te voorkomen dat
stof op de beeldsensor komt. Toch moet u de lens snel en op een stofvrije
plaats verwisselen als u een lens bevestigt/verwijdert.
Als er stof of vuil op de beeldsensor terechtkomt
Reinig de beeldsensor in [Reinigen] van het menu Instellingen (blz. 28).
1 Druk de lensontgrendelingsknop
helemaal in en draai de lens
linksom tot aan de aanslag.
Lensontgrendelingsknop
2 Plaats de verpakkingsklep weer
op de lens en bevestig de
lensvattingdop op de camera.
Verwijder eerst stof voordat u deze
bevestigt.
Bij de DT 18-55 mm F3,5-5,6 SAM-lens
wordt geen achterlensdop geleverd.
Wanneer u de lens wilt bewaren zonder
deze aan de camera te bevestigen, dient u
de achterlensdop ALC-R55 aan te
schaffen.
NL
18
Een geheugenkaart plaatsen
Alleen "Memory Stick PRO Duo", "Memory Stick PRO-HG Duo", SD-
geheugenkaarten en SDHC-geheugenkaarten kunnen met deze camera
worden gebruikt. Een MultiMediaCard kan niet met deze camera worden
gebruikt.
In deze gebruiksaanwijzing worden de "Memory Stick PRO Duo" en
"Memory Stick PRO-HG Duo" "Memory Stick PRO Duo" genoemd en
worden de SD-geheugenkaart en SDHC-geheugenkaart "SD-geheugenkaart"
genoemd.
1 Open de klep van het
geheugenkaartcompartiment.
2 Plaats de "Memory Stick PRO
Duo" of een SD-geheugenkaart.
Plaats de geheugenkaart totdat deze
vastklikt, zoals afgebeeld.
Bovenkant (SD-geheugenkaart)
Aansluitingszijde
3 Selecteer met de
geheugenkaartschakelaar het
type geheugenkaart dat u wilt
gebruiken.
Aansluitingszijde
Bovenkant ("Memory Stick PRO
Duo")
De camera voorbereiden
19
NL
De geheugenkaart verwijderen
Zorg dat u de geheugenkaart nergens tegen aan stoot, niet verbuigt en niet
laat vallen.
Gebruik of bewaar de geheugenkaart niet in de volgende
omstandigheden:
Plaatsen met een hoge temperatuur, zoals in een hete auto die in de zon
is geparkeerd.
Plaatsen die zijn blootgesteld aan direct zonlicht.
– Op vochtige plaatsen of plaatsen waar zich corrosieve stoffen bevinden.
De geheugenkaart kan als deze zopas lang is gebruikt, heet zijn. Wees
voorzichtig als u de kaart vastpakt.
Verwijder de geheugenkaart of de accu niet als het toegangslampje aan is
en schakel in dat geval ook de camera niet uit. De gegevens kunnen
beschadigd worden.
Er kunnen gegevens beschadigd raken als u een geheugenkaart dicht bij
magnetisch materiaal legt of als u de geheugenkaart gebruikt in een
omgeving die vatbaar is voor statische elektriciteit of elektrische ruis.
We raden u aan om belangrijke gegevens op te slaan op bijvoorbeeld de
harde schijf van een computer.
Wanneer u de geheugenkaart draagt of bewaart, plaatst u deze terug in het
doosje dat erbij geleverd werd.
Stel de geheugenkaart niet bloot aan water.
Raak de aansluitingen van de geheugenkaart niet aan met uw hand of een
metalen voorwerp.
4 Sluit het deksel van het geheugenkaartcompartiment.
Controleer of het toegangslampje uit is en
open vervolgens de klep van het
geheugenkaartcompartiment en druk één
keer op de geheugenkaart.
Toegangslampje
Opmerkingen over het gebruik van geheugenkaarten
NL
20
Wanneer de schrijfbeveiligingsschakelaar van een geheugenkaart is
ingesteld op de LOCK-positie, kunt u geen bewerkingen uitvoeren, zoals
het opnemen of verwijderen van beelden.
De "Memory Stick PRO Duo" met een capaciteit tot 32 GB en de SD-
geheugenkaarten met een capaciteit tot 32 GB werken gegarandeerd goed
met deze camera.
Wij kunnen de juiste werking van geheugenkaarten die op een computer
zijn geformatteerd niet garanderen in deze camera. Het is belangrijk dat u
de geheugenkaarten formatteert met behulp van de camera.
De lees-/schrijfsnelheid van de gegevens verschilt afhankelijk van de
combinatie van de geheugenkaarten en de gebruikte apparatuur.
Druk niet hard wanneer u in het aantekeningenvak schrijft.
Bevestig geen etiket op de geheugenkaarten zelf.
Demonteer of wijzig de geheugenkaarten niet.
Laat de geheugenkaarten niet liggen binnen het bereik van kleine
kinderen. Zij kunnen deze per ongeluk inslikken.
Opmerkingen over het gebruik van de "Memory Stick" in de camera
De typen "Memory Stick" die in deze camera kunnen worden gebruikt,
worden in de onderstaande tabel vermeld. Er kan echter niet worden
gegarandeerd dat alle functies van de "Memory Stick PRO Duo" correct
werken.
* Deze is uitgerust met de functie MagicGate. MagicGate is technologie ter
bescherming van het auteursrecht op basis van versleuteling. Het opnemen/afspelen
van gegevens waarvoor functies van MagicGate zijn vereist, is met deze camera niet
mogelijk.
* Ondersteunt snelle gegevensoverdracht op basis van een parallelle interface.
"Memory Stick PRO Duo"*
Beschikbaar bij uw camera
"Memory Stick PRO-HG Duo"*
"Memory Stick Duo" Niet beschikbaar bij uw camera
"Memory Stick" en "Memory
Stick PRO"
Niet beschikbaar bij uw camera
De camera voorbereiden
21
NL
De camera voorbereiden
Als u de camera voor het eerst inschakelt, wordt het scherm voor de
instelling van de Datum/tijd weergegeven.
De datum instellen
1 Zet de stroomschakelaar op ON
om de camera in te schakelen.
Om de camera uit te schakelen, zet u
deze op OFF.
2 Controleer op de LCD-monitor of
[OK] is geselecteerd en druk
vervolgens op het midden van de
controller.
3 Selecteer ieder onderdeel met
b/B, en stel de numerieke
waarde in met v/V.
Bij het wijzigen van de volgorde van
[JJJJ/MM/DD], selecteert u eerst [JJJJ/
MM/DD] met b/B, en wijzigt u het
vervolgens met v/V.
4 Herhaal stap 3 om andere onderdelen in te stellen, en druk dan
op het midden van de controller.
NL
22
De bewerking voor de instelling van de datum en tijd annuleren
Druk op de MENU-knop.
De datum/tijd opnieuw instellen
MENU-knop t 1 t [Datum/tijd inst]
Wanneer u het dioptrie-instelwiel moeilijk kunt draaien
5 Controleer op de LCD-monitor of [OK] is geselecteerd en druk
vervolgens op het midden van de controller.
De scherpte van de zoeker (dioptrie-instelling) instellen
Stel de dioptrie af op uw
gezichtsvermogen door het dioptrie-
instelwiel te draaien totdat de
display in de zoeker scherp te zien
is.
Als u de camera op een lamp richt, kunt u de
dioptrie gemakkelijk instellen.
Wanneer de indicatoren niet duidelijk te zien
zijn, ook niet als u de dioptrie aanpast, kunt u
het beste een dioptrische aanpassing
gebruiken (los verkrijgbaar).
Plaats uw vingers onder de oogschelp en
schuif deze naar boven om de oogschelp
te verwijderen, stel dan de dioptrie in.
De camera voorbereiden
23
NL
De bijgeleverde accessoires gebruiken
In dit deel wordt beschreven hoe u de schouderriem, het zoekerkapje en de
oogschelp kunt gebruiken. De overige accessoires worden beschreven op
de volgende pagina's.
Oplaadbare accu (blz. 11)
Acculader, netsnoer (blz. 11)
USB-kabel (blz. 131, 144)
Cd-rom (blz. 138)
De schouderriem bevestigen
Bevestig beide uiteinden van de
riem aan de camera.
U kunt ook het zoekerkapje (blz. 24) aan de
riem vastmaken.
Zoekerkapje
NL
24
U kunt voorkomen dat er licht door de zoeker binnenvalt en de belichting
verstoort. Bevestig het zoekerkapje als de sluiter wordt ontspannen zonder
gebruikmaking van de zoeker, zoals bij een zelfontspanneropname.
Opmerkingen
Wanneer u opnamen maakt met het zoekerkapje, kunnen de sensoren van het
zoekerkapje niet worden geactiveerd. Schakel, wanneer u het zoekerkapje gebruikt,
zowel [Eye-Start AF] (blz. 70) als [Autom.uitsch.] (blz. 126) uit.
U kunt de LCD-monitor uitschakelen met de DISP-knop (Weergave).
Het zoekerkapje en de oogschelp gebruiken
1 Schuif voorzichtig de oogschelp
van de camera af door de beide
onderuiteinden omhoog te
duwen.
Steek uw vingers onder de oogschelp
en schuif de oogschelp omhoog.
Verwijder en bevestig de oogschelp zoals
aangegeven in de illustratie als u de
zoekerloep FDAM1AM (los verkrijgbaar),
de hoekzoeker FDA-A1AM (los
verkrijgbaar) of de vergrotende zoeker
FDA-ME1AM (los verkrijgbaar) op de
camera wilt bevestigen.
2 Schuif het zoekerkapje over de
zoeker.
De camera voorbereiden
25
NL
Controleren hoeveel beelden kunnen
worden opgenomen
Opmerkingen
Wanneer "0" (het aantal opneembare beelden) geel knippert, is de geheugenkaart
vol. Vervang de geheugenkaart door een andere of wis beelden op de huidige
geheugenkaart (blz. 113).
Wanneer "NO CARD" (het aantal opneembare beelden) geel knippert, betekent dit
dat er geen geheugenkaart is geplaatst. Plaats een geheugenkaart.
De onderstaande tabel laat zien hoeveel beelden bij benadering kunnen
worden opgenomen op een geheugenkaart die met deze camera is
geformatteerd. De waarden zijn gedefinieerd aan de hand van tests met
standaardgeheugenkaarten van Sony. De waarden kunnen variëren
afhankelijk van de opnameomstandigheden.
Beeldgrootte: L 14M
Beeldverhoud.: 3:2*
"Memory Stick PRO Duo" (Eenheden: beelden)
Nadat u een geheugenkaart in de camera
hebt geplaatst en de stroomschakelaar hebt
ingesteld op ON, wordt het aantal beelden
dat kan worden opgenomen (als u blijft
opnemen met de huidige instellingen)
afgebeeld op de LCD-monitor.
Het aantal beelden dat op een geheugenkaart kan worden
opgenomen
Capaciteit
Formaat
2GB 4GB 8GB 16GB 32GB
Standaard 451 893 1796 3642 7188
Fijn 319 633 1273 2582 5096
RAW & JPEG 92 184 370 752 1485
RAW 131 260 523 1062 2097
NL
26
SD-geheugenkaart (Eenheden: beelden)
* U kunt meer beelden opnemen dan is aangegeven in de bovenstaande tabel als u de
[Beeldverhoud.] instelt op [16:9]. Het aantal is echter hetzelfde als dat van de
beeldverhouding [3:2] bij een instelling op [RAW].
Het aantal beelden dat u bij benadering kunt opnemen is 1050 als u de
camera gebruikt met de accu (bijgeleverd) op volle capaciteit.
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden kunnen de werkelijke
aantallen lager uitvallen dan hier aangegeven.
Het aantal wordt berekend aan de hand van een volle accu en voor de
volgende omstandigheden:
Bij een omgevingstemperatuur van 25°C.
– [Kwaliteit] is ingesteld op [Fijn].
[Autom. scherpst.] is ingesteld op (Automatische AF).
Als u iedere 30 seconden eenmaal opneemt.
Als de flitser iedere twee keer eenmaal afgaat.
Als de camera na elke tien opnamen eenmaal wordt uit- en
ingeschakeld.
De meetmethode is gebaseerd op de CIPA-norm.
(CIPA: Camera & Imaging Products Association)
Capaciteit
Formaat
2GB 4GB 8GB 16GB 32GB
Standaard 442 890 1793 3642 7188
Fijn 313 631 1271 2582 5096
RAW & JPEG 90 183 370 752 1485
RAW 128 259 522 1062 2097
Het aantal beelden dat kan worden opgenomen bij gebruik
van een accu
De camera voorbereiden
27
NL
Reiniging
Raak de binnenkant van de camera, zoals de lenscontactpunten of de
spiegel, niet aan. Stof op of bij de spiegel zal misschien een nadelige
invloed hebben op de werking van het automatischescherpstelsysteem,
blaas daarom het stof weg met een in de handel verkrijgbaar
blaasborsteltje*. Meer informatie over het reinigen van de beeldsensor
vindt u op de volgende bladzijde.
* Gebruik geen spuitbusluchtblazer. Hierdoor kan een storing optreden.
Maak de buitenkant van de camera schoon met een zachte doek
bevochtigd met water en veeg het oppervlak daarna droog met een droge
doek. Gebruik de onderstaande middelen niet, omdat deze de afwerking
of het camerabehuizing kunnen beschadigen.
Chemische stoffen, zoals thinner, wasbenzine, alcohol,
wegwerpreinigingsdoeken, insectenspray, zonnebrandcrème,
insecticiden, enz.
Raak de camera niet aan als bovenstaande middelen op uw handen zit.
Laat de camera niet langdurig in contact met rubber of vinyl.
Gebruik geen reinigingsvloeistof die organische oplosmiddelen bevat,
zoals thinner of benzine.
Reinig het lensoppervlak met een in de handel verkrijgbaar
blaasborsteltje. Als het vuil vast zit op het oppervlak, veegt u dit eraf met
een zachte doek of tissue dat licht bevochtigd is met
lensreinigingsvloeistof. Veeg met spiraalbewegingen vanuit het midden
naar de rand. Spuit de lensreinigingsvloeistof niet rechtstreeks op het
lensoppervlak.
De camera reinigen
Reiniging van de lens
NL
28
Als stof of vuil in de camera binnendringt en op de beeldsensor (het
onderdeel dat werkt als de film) terechtkomt, kan dit afhankelijk van de
opnameomstandigheden zichtbaar zijn in het beeld. Als er stof op de
beeldsensor zit, gebruikt u een in de handel verkrijgbare blazer en reinigt u de
beeldsensor aan de hand van de onderstaande stappen. U kunt de beeldsensor
gemakkelijk reinigen met alleen een blazer en de stofpreventiefunctie.
Opmerkingen
Het reinigen kan alleen worden uitgevoerd wanneer het batterijniveau (drie
resterende batterijpictogrammen) of meer is. Als de acculading te laag wordt tijdens
het reinigen, kan de sluiter beschadigd raken. Het reinigen moet snel worden
voltooid. Het gebruik van een AC-PW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar)
wordt aanbevolen.
Gebruik geen spuitbusluchtblazer omdat deze waterdruppels in het camerahuis kan
verspreiden.
De beeldsensor reinigen
1 Controleer of de accu volledig is opgeladen (blz. 14).
2 Druk op de MENU-knop, selecteer
vervolgens 3 met b/B op de
controller.
MENU-knop
3 Selecteer [Reinigen] met v/V en
druk vervolgens op het midden
van de controller.
De melding "Na het reinigen, camera
uitschakelen. Doorgaan?" verschijnt.
4 Selecteer [OK] met v en druk op het midden van de controller.
Nadat de beeldsensor gedurende een korte tijd heeft getrild, wordt de spiegel
die ervoor zit, opgetild.
De camera voorbereiden
29
NL
Opmerking
De camera begint te piepen als de acculading laag wordt tijdens het reinigen. Stop
onmiddellijk met reinigen en zet de camera uit.
5 Haal de lens van de camera af (blz. 17).
6 Gebruik de blazer om het
oppervlak van de beeldsensor en
het omliggende gebied te
reinigen.
Raak de beeldsensor niet aan met de
punt van de blazer. Voer het reinigen
snel uit.
Houd de camera met de lensvatting
omlaag gericht om te voorkomen dat
stof weer neerdwarrelt binnenin het
camerahuis.
Bij het reinigen van de beeldsensor
mag u de punt van het blaasborsteltje
niet in de ruimte achter de
lensvattingopening steken.
7 Bevestig de lens en zet de camera uit.
NL
30
Voordat u het toestel bedient
Plaats van de onderdelen en
schermindicators
Nadere bijzonderheden over de bediening vindt u op de tussen haakjes
vermelde bladzijden.
A Ontspanknop (47)
B Stroomschakelaar (21)
C Instelwiel (59)
D Zelfontspannerlampje (100)
E Sensor afstandsbediening
F Lenscontactpunten*
G Spiegel*
H Lensvattingopening
I Ingebouwde flits* (80)
J Functiekeuzeknop (47 – 67)
K Pop-upknop voor de flits
(80)
L Lensontgrendelingsknop (17)
M Schakelaar
scherpstellingsfunctie (68, 74)
* Raak deze onderdelen niet
rechtstreeks aan.
Voorzijde
Voordat u het toestel bedient
31
NL
A Dioptrie-instelwiel (22)
B Sensoren van het zoekerkapje
(70, 126)
C Zoeker* (22, 39)
D MENU-knop (42)
E DISP-knop (Beeld) (34, 77,
104)
F LCD-monitor (35, 104, 109)
G (Weergave)-knop (104)
H (Wissen)-knop (113)
I Voor opname: (Belichting)-
knop (85)
Voor weergave: (Uitzoom)-
knop (105)/ (Index)-knop
(106)
J Voor opname: AEL-knop (AE-
vergrendeling) (65, 84)
Voor weergave/Stand handmatige
scherpstellingscontrole Live
View: (Inzoom)-knop
(75, 105)
K Voor opname: Fn-knop
(Functie) (41, 42)
Voor weergave: (Beeld
roteren)-knop (105)
L Toegangslampje (19)
M Controller (v/V/b/B) (40)
N Controller (Enter) (40)/AF-
knop (73)
* Raak deze onderdelen niet
rechtstreeks aan.
Achterzijde
NL
32
A Accessoireschoen (83)
B Positiemarkering
beeldsensor (70)
C MF CHECK LIVE VIEW
(Handmatige
scherpstellingscontrole Live
View)-knop (75)
D ISO-knop (94)
E (Transporteren)-knop
(99)
F D-RANGE-knop (Dynamisch
bereik) (89)
Bovenzijde
Voordat u het toestel bedient
33
NL
A HDMI -aansluiting (115)
B (USB)-aansluiting (131,
144)
C REMOTE-aansluiting
Sluit de afstandsbediening RM-
S1AM/RM-L1AM (los
verkrijgbaar) aan op de camera
door de stekker van de
afstandsbediening in de
REMOTE-aansluiting te steken
waarbij u de stekkergeleider op
één lijn brengt met die van de
REMOTE-aansluiting.
D Bevestigingsogen voor de
schouderriem (23)
E DC IN-aansluiting
Zet de camera uit als u de AC-
PW10AM-netspanningsadapter
(los verkrijgbaar) aansluit en
sluit de netspanningsadapter
vervolgens aan op de DC IN-
aansluiting van de camera.
F Geheugenkaartschakelaar
G SD-insteeksleuf geheugenkaart
(18)
H "Memory Stick PRO Duo"-
insteeksleuf (18)
I Deksel geheugenkaart
J Accuklepje (13)
K Schroefgat voor statief
Gebruik een statief met een
schroeflengte van minder dan
5,5 mm. U kunt de camera niet
stevig bevestigen op een statief
waarvan de schroef langer is
dan 5,5 mm. Bovendien kan de
camera hierdoor beschadigd
worden.
Zijkanten/onderkant
NL
34
De opname-informatie wisselen (DISP)
Schakel tussen de Grafische weergave en
de standaardweergave door op de DISP-
knop te drukken.
Als u de camera naar de verticale positie
draait, wordt de opname-informatie
automatisch geroteerd overeenkomstig de
positie van de camera.
Raadpleeg bladzijde 77 voor details over
de schermstatus in de stand Live View
voor handmatige scherpstellingscontrole.
DISP-knop
Standaardweergave
Geen opname-informatie
Grafische weergave
(standaardinstelling)
Voordat u het toestel bedient
35
NL
In de grafische weergave worden de sluitertijd en de diafragmawaarde
grafisch weergegeven en wordt duidelijk geïllustreerd hoe de belichting
werkt. In de stand AUTO of Scèneselectie zullen sommige items misschien
niet weergegeven worden. Nadere bijzonderheden over de bediening vindt
u op de tussen haakjes vermelde bladzijden.
A
B
C
LCD-monitor (Grafische weergave)
Scherm Indicatie
P A S M
Functiekeuzeknop (47 –
67)
Beeldkwaliteit (119)
Beeldgrootte (118)/
Beeldverhouding (118)
Geheugenkaart (18)
100 Resterend aantal
opneembare beelden (25)
100% Resterend accuvermogen
(14)
Scherm Indicatie
Sluitertijdindicatie (60)
Diafragma-indicatie (58)
Belichtingscompensatie
(85)/
Gemeten-
handmatig
(64)
EV-schaalverdeling (64,
102)
Scherm Indicatie
Flitsfunctie (80)/Rode-
ogen-effectvermindering
(82)
Transportfunctie (99)
Scherpstellingsfunctie
(72)
ISO-gevoeligheid (94)
Dynamisch-
bereikoptimalisatie (89)/
Auto HDR (90)
Scherm Indicatie
Voordat u het toestel bedient
37
NL
Nadere bijzonderheden over de bediening vindt u op de tussen haakjes
vermelde bladzijden.
A
B
LCD-monitor (Standaardweergave)
In AUTO of de scènekeuzefunctie In de stand P/A/S/M
Scherm Indicatie
P A S M
Functiekeuzeknop (47 –
67)
Beeldkwaliteit (119)
Beeldgrootte (118)/
Beeldverhouding (118)
Geheugenkaart (18)
100 Resterend aantal
opneembare beelden (25)
100% Resterend accuvermogen
(14)
Scherm Indicatie
Flitsfunctie (80)/Rode-
ogen-effectvermindering
(82)
Transportfunctie (99)
Scherpstellingsfunctie
(72)
AF-gebied (73)
AWB
7500K G9
Witbalans (Automatisch,
Vooringesteld, Eigen,
Kleurtemperatuur,
Kleurfilter) (95)
Dynamisch-
bereikoptimalisatie (89)/
Auto HDR (90)
Instellingen (92)
Lichtmeetfunctie (88)
Belichtingscompensatie
(85)/
Gemeten-
handmatig
(64)
Flitscompensatie (86)
Scherm Indicatie
NL
38
C
EV-schaalverdeling (64,
102)
ISO-gevoeligheid (94)
Scherm Indicatie
1/125 Sluitertijd (60)
F2.8 Diafragma (58)
+1.0 Belichting (85)
AE-vergrendeling (84)
SteadyShot (45)
Scherm Indicatie
Voordat u het toestel bedient
39
NL
A
B
* U kunt met de HVL-F58AM/HVL-
F42AM-flitser (los verkrijgbaar) met
een synchronisatiefunctie met hoge
snelheid bij elke sluitertijd een
flitsopname maken. Raadpleeg de bij
de flitser geleverde
gebruiksaanwijzing voor de
bevestigingsinstructies van de flitser.
Zoeker
Scherm Indicatie
AF-gebied (73)
Breed AF-gebied (73)
Opnameveld voor
beeldverhouding 16:9
(118)
Scherm Indicatie
Flitscompensatie (86)
Flitser opladen (80)
WL Draadloze flitser (83)
Hoge-snelheids-
synchronisatiestand*
Handmatige
scherpstelling (74)
z Scherpstellen
125 Sluitertijd (60)
5.6 Diafragma (58)
EV-schaalverdeling (64,
102)
AE-vergrendeling (84)
0 Waarschuwing "opname
niet beschikbaar" (99)
Waarschuwing
camerabeweging (45)
SteadyShot-
schaalverdeling (45)
Beeldverhouding 16:9
(118)
Scherm Indicatie
NL
40
Een functie/instelling selecteren
U kunt een functie voor het maken of weergeven van een opname
selecteren met een van de knoppen, zoals de Fn (Functie)-knop of de
MENU-knop.
In deze gebruiksaanwijzing wordt de procedure voor het met de controller
selecteren van een functie uit de lijst die op het scherm wordt weergegeven
als volgt beschreven (wij geven uitleg over de procedure met behulp van de
standaardpictogrammen.):
Voorbeeld: Fn-knop t AWB (Witbalans) t Kies de gewenste
instelling
De bedieningsgidslijst
De bedieningsgids geeft andere dan controllerbewerkingen aan. De
pictogramindicaties zijn als volgt:
Wanneer u een bewerking start, wordt
onderaan het scherm een bedieningsgids
met de controllerfuncties weergegeven.
: Druk op v/V/b/B op de controller
om de cursor te bewegen.
z: Druk op het midden van de controller
om de selectie uit te voeren.
MENU-knop
Keer terug met de MENU-knop
(Wis)-knop
(Inzoom)-knop
(Uitzoom)-knop
(Weergave)-knop
Instelwiel
Voordat u het toestel bedient
41
NL
Met deze knop worden functies ingesteld of uitgevoerd die vaak bij het
maken van opnamen worden gebruikt
De camera instellen direct vanuit het scherm met de opname-informatie
Een functie selecteren met de Fn (Functie)-knop
1 Druk op de Fn-knop.
2 Selecteer het item van uw keuze
met v/V/b/B op de controller,
start vervolgens de uitvoering
door z in het midden in te
drukken.
Het instellingscherm verschijnt.
3 Gebruik de bedieningsgids om de
gewenste functies te selecteren
en uit te voeren.
Raadpleeg de overeenkomende pagina
voor details over het instellen van elk
onderdeel.
Bedieningsgids
Draai het instelwiel zonder op de midden
z te drukken in stap 2. U kunt de camera
instellen direct vanuit het scherm met de
opname-informatie.
NL
42
Transportfunc. (99)
Flitsfunctie (80)
Autom. scherpst. (72)
AF-gebied (73)
ISO-gevoeligheid (94)
Lichtmeetfunctie (88)
Flitscompens. (86)
Witbalans (95)
DRO/Auto HDR (89)
Instellingen (92)
U kunt de basisinstellingen instellen voor de camera als geheel of functies
uitvoeren zoals opnemen, afspelen of andere bewerkingen.
De functies die met de Fn (Functie)-knop geselecteerd
kunnen worden
De functies die met de MENU-knop geselecteerd kunnen
worden
Menu Opname
1
Beeldgrootte (118)
Beeldverhoud. (118)
Kwaliteit (119)
Flitsregeling (87)
AF-hulplicht (82)
SteadyShot (45)
Kleurenruimte (93)
2
NR lang-belicht (122)
NR bij hoge-ISO (122)
Menu Eigen Instellingen
1
Eye-Start AF (70)
AEL-knop (84)
Rode-ogen-verm. (82)
Autom.weergave (125)
Autom.uitsch. (126)
Stramienlijn (126)
Menu Weergave
1
Wissen (113)
Formatteren (121)
Diavoorstelling (107)
Beveiligen (112)
Printen opgeven (142)
Beeldrotatie (104)
Voordat u het toestel bedient
43
NL
Menu Instellingen
1
LCD-helderheid (125)
Datum/tijd inst (21)
Stroombesp. (LV) (124)
Stroombesp.(OVF) (124)
CTRL.VOOR HDMI (117)
Taal (124)
Help-scherm (124)
2
Bestandsnummer (120)
Mapnaam (120)
Map kiezen (121)
Nieuwe map (121)
USB-verbinding (131, 144)
Audiosignalen (124)
3
Reinigen (28)
Versie (127)
Terugstellen (128)
NL
44
Beelden opnemen
Beelden zonder camerabeweging
vastleggen
Er wordt van "camerabeweging" gesproken als de camera ongewild beweegt
nadat de ontspanknop is ingedrukt, wat een wazig beeld tot gevolg heeft.
Volg de onderstaande instructies om beweging van de camera te
verminderen.
Stabiliseer uw bovenlichaam en ga in een houding staan die
voorkomt dat de camera beweegt.
Punt 1
Houd met één hand de camera vast, en ondersteun met de andere hand de lens.
Punt 2
Ga stevig staan met uw beide voeten ter hoogte van uw schouders.
Correcte houding
Bij gebruik van de zoeker In de stand handmatige
scherpstellingscontrole Live
View (blz. 75)
Beelden opnemen
45
NL
Punt 3
Houd uw ellebogen licht tegen uw lichaam gedrukt.
Stabiliseer uw bovenlichaam door uw elleboog op uw knie te zetten als u in
een knielende positie fotografeert.
Camerabewegingswaarschuwing-indicator
Opmerking
De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt alleen weergegeven voor
functies waarbij de sluitertijd automatisch wordt ingesteld. Voor de functies M/S
wordt deze indicator niet weergegeven.
De SteadyShot-functie is in de standaardinstelling op [Aan] ingesteld.
De SteadyShot-schaalverdelingsindicator
De SteadyShot-functie uitschakelen
MENU-knop t 1 t [SteadyShot] t [Uit]
De (camerabewegingswaarschuwing)-
indicator knippert in de zoeker als de
camera mogelijk gaat bewegen. In dit
geval gebruikt u een statief of de flitser.
(camerabewegingswaarschuwing)-
indicator
De SteadyShot-functie gebruiken
De (SteadyShot-schaalverdeling)-
indicator geeft de status voor
camerabeweging aan. Wacht tot de
schaalverdeling omlaag gaat en begin dan
met opnemen.
(SteadyShot-schaalverdeling)-
indicator
NL
46
Opmerking
Het is mogelijk dat de SteadyShot-functie niet optimaal werkt wanneer de camera
nog maar net is ingeschakeld of wanneer de ontspanknop helemaal is ingedrukt
zonder halverwege te stoppen.
We raden u aan om de camera in de volgende situaties op een statief te
plaatsen.
Zonder flitser in donkere omstandigheden opnamen maken.
Opnemen met lange sluitertijden, dit wordt doorgaans gebruikt bij
nachtopnamen.
Een opname maken van een onderwerp dat dichtbij is, zoals een macro-
opname.
Een opname maken met een telescooplens.
Opmerking
Schakel bij gebruik van een statief de SteadyShot-functie uit omdat de SteadyShot-
functie dan mogelijk niet goed werkt.
Een statief gebruiken
Beelden opnemen
47
NL
/ De automatische instelling
gebruiken voor een opname
In de stand "AUTO" kunt u gemakkelijk een foto maken van een
willekeurig onderwerp onder willekeurige omstandigheden, omdat de
camera een inschatting maakt van de situatie en de instellingen aanpast.
Kies om op te nemen op plaatsen waar u geen flitser mag gebruiken.
Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de
geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm
weergegeven. U kunt het Help-scherm uitschakelen (blz. 124).
1 Zet de functiekeuzeknop in de
stand of (Flitser uit).
2 Houd de camera vast en kijk in de zoeker.
Er wordt automatisch scherpgesteld op het onderwerp dat over het
scherpstelgebied wordt gelegd (Eye-Start AF, blz. 70).
3 Plaats het AF-gebied over het
onderwerp van uw keuze.
Als de
(camerabewegingswaarschuwing)-
indicator knippert, maakt u rustig een
foto van het onderwerp terwijl u de
camera stabiel houdt of gebruikt u een
statief.
AF-gebied
4 Bij gebruik van een zoomlens,
draait u de zoomring en bepaalt u
het beeld.
of
(camerabewegings-
waarschuwing)-indicator
Zoomring
NL
48
Opmerking
Omdat de camera de automatische instelfunctie inschakelt, zijn veel functies niet
beschikbaar, zoals belichtingscompensatie en de ISO-instelling. Als u verschillende
instellingen wilt aanpassen, zet u de functiekeuzeknop op P en maakt u vervolgens
een foto van uw onderwerp.
5 Druk de ontspanknop tot
halverwege in om scherp te
stellen.
Wanneer de scherpstelling is bevestigd,
gaat z of (scherpstellingsindicator)
branden (blz. 69).
Wacht totdat de (SteadyShot-
schaalverdelings)-indicator laag is, dan
werkt de SteadyShot-functie beter.
(SteadyShot-schaalverdeling)-
indicator
6 Druk de ontspanknop helemaal in
om het beeld op te nemen.
Scherpstellingsindicator
Beelden opnemen
49
NL
Een opname maken met een voor het
onderwerp geschikte instelling
(Scènekeuzefunctie)
U kunt met de selectie van een juiste instelling voor het onderwerp of de
opnamesituatie een foto maken met een geschikte instelling voor het
onderwerp.
Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de
geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm
weergegeven.
Opmerkingen
Omdat de camera de instellingen automatisch beoordeelt, zijn veel functies niet
beschikbaar, zoals belichtingscompensatie en de ISO-instelling.
De flitser wordt voor elk van de scènekeuzefuncties ingesteld op (Autom.flitsen)
of (Flitser uit). U kunt deze instellingen wijzigen (blz. 80).
NL
50
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Portret).
Zet de lens in de telestand om de achtergrond waziger te maken.
U kunt een levendig beeld vastleggen door scherp te stellen op het oog dat
dichter bij de lens is.
Gebruik de zonnekap (los verkrijgbaar) om onderwerpen met tegenlicht
te fotograferen.
Gebruik de functie Rode-ogen-effectvermindering als de ogen van uw
onderwerp rood worden door de flits (blz. 82).
Portretfoto's nemen
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's maken waarop het onderwerp
scherp is tegen een onscherpe
achtergrond.
z Foto's maken waarop de huidtinten
zacht zijn weergegeven.
Opnametechnieken
Beelden opnemen
51
NL
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Landschap).
Stel de lens in op groothoek om de weidsheid van de scène te
accentueren.
Landschapsfoto's nemen
Deze functie is geschikt voor:
z Volledig scherpe foto's van het hele
landschap in levendige kleuren.
Opnametechniek
NL
52
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Macro).
Ga vlakbij het onderwerp staan en neem de opname op de
minimumafstand van de lens.
U kunt met een macrolens (los verkrijgbaar) een onderwerp van dichterbij
fotograferen.
Stel de flitsfunctie in op (Flitser uit) als u een onderwerp fotografeert
binnen 1 meter.
De SteadyShot-functie is in de macrostand minder effectief. U bereikt
betere resultaten met een statief.
Foto's maken van een klein onderwerp
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's maken van dichtbij, zoals van
bloemen, insecten, gerechten of
kleine voorwerpen.
Opnametechnieken
Beelden opnemen
53
NL
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Sportactie).
De camera neemt continu beelden op zolang u de ontspanknop helemaal
ingedrukt houdt.
Houd de ontspanknop tot het juiste moment half ingedrukt.
Foto's maken van een bewegend onderwerp
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's maken van bewegende
onderwerpen buitenshuis of op
plaatsen met veel licht.
Opnametechnieken
NL
54
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Zonsondergang).
In vergelijking met andere standen wordt hiermee een beeld vastgelegd
waarin de rode kleur geaccentueerd is. Dit is ook geschikt voor het
vastleggen van het prachtige rood van de zonsopkomst.
Foto's nemen van een zonsondergang
Deze functie is geschikt voor:
z Prachtige foto's maken van het rode
licht van de zonsondergang.
Opnametechniek
Beelden opnemen
55
NL
Zet de functiekeuzeknop in de stand (Nachtportret).
Stel de flitsfunctie in op (Flitser uit) als u een nachtfoto maakt zonder
mensen erop (blz. 80).
Let erop dat het onderwerp niet beweegt om te voorkomen dat het beeld
wazig wordt.
De sluitertijd is langer, dus is het raadzaam een statief te gebruiken.
Opmerking
Het is mogelijk dat de foto niet goed wordt gemaakt als u een volledig donkere
nachtscène fotografeert.
Nachtfoto's maken
Deze functie is geschikt voor:
z Het maken van portretten in
nachtscènes.
z Foto's maken van nachtscènes op
afstand met behoud van de donkere
atmosfeer van de omgeving.
Opnametechnieken
NL
56
Maak de afbeelding zoals u die wilt
maken (Belichtingsfunctie)
Met een spiegelreflexcamera kunt u de sluitertijd (hoe lang de sluiter open
is) en het diafragma (het veld dat scherp is: velddiepte) instellen om een
verscheidenheid aan fotografische uitdrukkingen te benutten.
De instelling van sluitertijd en diafragma creëert niet alleen de fotografische
effecten van beweging en scherptediepte, maar het bepaalt eveneens de
helderheid van een beeld door de hoeveelheid belichting (de hoeveelheid licht
die de camera binnenkomt), de belangrijkste factor van fotograferen, te regelen.
De helderheid van de foto veranderen aan de hand van de belichtingstijd
De camera opent de sluiter korter bij een kortere sluitertijd. Daardoor heeft
de camera minder tijd om licht binnen te laten, en dit heeft een donkerdere
foto tot gevolg. U kunt het diafragma (het gat waardoor het licht
binnenkomt) enigszins openen om de hoeveelheid licht te wijzigen die in
één keer binnenkomt om een heldere foto te nemen.
De helderheid van de foto, aangepast met de sluitertijd en het diafragma,
wordt "belichting" genoemd.
In dit deel laten we u zien hoe u de belichting kunt wijzigen en de
verschillende foto-uitdrukkingen kunt benutten door beweging,
scherptediepte en licht te gebruiken.
Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de
geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm
weergegeven. U kunt het Help-scherm uitschakelen (blz. 124).
Hoeveelheid
belichting
laag hoog
Beelden opnemen
57
NL
De geprogrammeerde automatische opnamefunctie
gebruiken
Deze functie is geschikt voor:
z Gebruik van de automatische
belichting, terwijl uw eigen
instellingen voor ISO-gevoeligheid,
instellingen, dynamisch-
bereikoptimalisatie enzovoort
behouden blijven.
1 Zet de functiekeuzeknop in de stand P.
2 U kunt de opnamefuncties instellen op de gewenste
instellingen (blz. 68 tot 103).
U kunt op de -knop drukken om de flitser te gebruiken.
3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
NL
58
Een opname maken door de wazigheid van de
achtergrond te regelen (Diafragmavoorkeur)
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's waarop het onderwerp scherp
is en alles voor en achter het
onderwerp wazig is.
Diafragmavergroting vernauwt het
veld dat scherpgesteld is. (De
velddiepte wordt oppervlakkiger.)
z De scènediepte vastleggen.
Diafragmaverkleining verbreedt het
veld dat scherpgesteld is. (De
velddiepte krijgt meer diepte.)
1 Zet de functiekeuzeknop in de stand A.
Beelden opnemen
59
NL
De sluitertijd kan afhankelijk van de diafragmawaarde langer worden.
Gebruik een statief als de sluitertijd langer wordt.
Maak de achtergrond minder scherp door een telelens te gebruiken die
een lagere diafragmawaarde heeft (lichtgevoelige lens).
Opmerking
Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. De diafragmawaarde
bepaalt echter het flitserbereik. Controleer het bereik van de flitser (blz. 82) als u de
flitser voor een opname gebruikt.
2 De diafragmawaarde (F-waarde)
kiezen met het instelwiel.
Kleinere F-waarde: de voor- en
achtergrond van het onderwerp zijn
wazig.
Grotere F-waarde: de voor- en
achtergrond en het onderwerp zelf zijn
allemaal scherp.
U kunt de wazigheid van een beeld niet
in de zoeker controleren. Controleer het
opgenomen beeld en pas het diafragma
aan.
Diafragma (F-waarde)
3 Wijzig de scherptediepte en
fotografeer het onderwerp.
De sluitertijd wordt automatisch
aangepast om de juiste belichting te
krijgen.
De sluitertijd knippert als de camera
beoordeelt dat er geen juiste belichting
wordt verkregen met de gekozen
diafragmawaarde. Pas in zulke gevallen
het diafragma weer aan.
Sluitertijd
Opnametechnieken
NL
60
Het vastleggen van een bewegend onderwerp met
verschillende uitdrukkingen (Sluitertijdvoorkeur)
Deze functie is geschikt voor:
z Momentopnamen van een bewegend
onderwerp. Gebruik een kortere
sluitertijd om één moment van de
beweging helder vast te leggen.
z De beweging volgen om de
dynamiek en vloeiing ervan uit te
drukken. Gebruik een langere
sluitertijd om het na-ijlende beeld
van het bewegende onderwerp vast
te leggen.
1 Zet de functiekeuzeknop in de stand S.
Beelden opnemen
61
NL
Gebruik een statief als de sluitertijd langer wordt.
Kies een hogere ISO-gevoeligheid als u een binnenopname maakt van
een sport.
Opmerkingen
De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt niet weergegeven in de
functie sluitertijdvoorkeur.
Hoe hoger de ISO-gevoeligheid, des te opvallender de ruis.
Als de sluitertijd een seconde of langer is, zal de ruisonderdrukking (NR lang-
belicht) na het opnemen worden uitgevoerd. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u
niet verdergaan met opnemen.
2 Kies de sluitertijd met het
instelwiel.
Sluitertijd
3 Wijzig de scherptediepte en
fotografeer het onderwerp.
Het diafragma wordt automatisch
aangepast om de juiste belichting te
krijgen.
De sluitertijd knippert als de camera
beoordeelt dat er geen juiste belichting
wordt verkregen met de gekozen
sluitertijd. Pas in zulke gevallen de
sluitertijd weer aan.
Diafragma (F-waarde)
Opnametechnieken
NL
62
Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. Als u echter de flitser
gebruikt en het diafragma sluit (een hogere F-waarde instelt) door de sluitertijd
langer te maken, zal het flitslicht onderwerpen op grote afstand niet bereiken.
Beelden opnemen
63
NL
Een opname maken waarbij de belichting handmatig is
gewijzigd (Handmatige belichting)
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's maken met de gewenste
belichtingsinstelling door zowel de
sluitertijd als het diafragma te
wijzigen.
1 Zet de functiekeuzeknop in de stand M.
2 Draai het instelwiel om de
sluitertijd te wijzigen, en draai
het instelwiel terwijl u de -knop
ingedrukt houdt om het diafragma
te wijzigen.
-knop
Sluitertijd
Diafragma (F-waarde)
NL
64
Opmerkingen
De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt niet weergegeven in de
functie voor handmatige belichtingsinstelling.
Wanneer de functiekeuzeknop is ingesteld op M, dan wordt de ISO-instelling
[AUTO] ingesteld op [200]. In de M-functie is de ISO-instelling [AUTO] niet
beschikbaar. Stel indien nodig de ISO-gevoeligheid in (blz. 94).
Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. De diafragmawaarde
bepaalt echter het flitserbereik. Controleer het bereik van de flitser (blz. 82) als u de
flitser voor een opname gebruikt.
De EV-schaalverdeling in M-functie
3 Maak de foto nadat de belichting
is ingesteld.
Controleer de belichtingswaarde op de
EV-schaalverdeling (Gemeten-
handmatig).
Naar +: beelden worden helderder.
Naar –: beelden worden donkerder.
: Metered Manual (Handmatig
gemeten)
Wanneer de camera in de M-stand
staat, wordt een onder- of
overcompensatiewaarde weergegeven
op basis van de juiste belichting met
behulp van de index op de
belichtingscompensatie-indicator.
Standaardwaarde
De b B-pijl verschijnt als de ingestelde
belichting buiten het bereik van de EV-
schaalverdeling ligt. De pijl begint te
knipperen als het verschil toeneemt.
LCD-monitor (standaardweergave)
Standaardwaarde
Zoeker
Standaardwaarde
Beelden opnemen
65
NL
Handmatige verschuiving
U kunt in de handmatige functie de combinatie van de sluitertijd en
diafragmawaarde veranderen zonder de belichting te veranderen.
Draai het instelwiel terwijl u de AEL-
knop ingedrukt houdt om de combinatie
van sluitertijd en diafragmawaarde te
kiezen.
AEL-knop
NL
66
Een opname maken met een naijlend effect met een
lange belichtingstijd (BULB)
Deze functie is geschikt voor:
z Foto's maken van de lichtstaart van
bijvoorbeeld vuurwerk.
z Foto's maken van de lichtstaarten
van sterren.
1 Zet de functiekeuzeknop in de stand M.
2 Draai het instelwiel naar links tot
[BULB] wordt afgebeeld.
BULB
Beelden opnemen
67
NL
Gebruik een statief.
Stel in de handmatige scherptefunctie de scherptediepte in op oneindig als
u vuurwerk, enz. opneemt.
Gebruik de draadloze afstandsbediening (los verkrijgbaar) (blz. 103). Als
u op de SHUTTER-knop op de draadloze afstandsbediening drukt, wordt
BULB-opname geactiveerd. Als u er weer op drukt, wordt BULB-
opname gestopt. U hoeft de SHUTTER-knop op de draadloze
afstandsbediening niet ingedrukt te houden.
U kunt met de afstandsbediening de sluiter openhouden als u een
afstandsbediening gebruikt die is voorzien van een vergrendelingsfunctie
voor de ontspanknop (los verkrijgbaar).
Opmerkingen
Schakel de SteadyShot-functie uit bij gebruik van een statief (blz. 45).
Hoe langer de belichtingstijd, des te opvallender de ruis op het beeld.
Na het fotograferen wordt de ruisonderdrukking (NR lang-belicht) uitgevoerd met
dezelfde tijdsduur dat de sluiter geopend was. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u
niet verdergaan met opnemen.
Wanneer de Auto HDR-functie is geactiveerd, kunt u de sluitersnelheid niet op
[BULB] zetten.
Als de Auto HDR-functie wordt gebruikt met de sluitersnelheid op [BULB], wordt
de sluitersnelheid tijdelijk op 30 seconden gezet.
3 Draai terwijl u de -knop
ingedrukt houdt het instelwiel om
het diafragma (F-waarde) te
wijzigen.
-knop
4 Druk de ontspanknop tot halverwege in om de scherpstelling te
wijzigen.
5 Houd de ontspanknop ingedrukt gedurende de gehele opname.
Zolang u de ontspankop ingedrukt houdt, blijft de sluiter geopend.
Opnametechnieken
NL
68
De opnamefunctie gebruiken
De scherpstelmethode selecteren
Er zijn twee methoden om de scherptediepte te wijzigen: automatisch en
handmatig scherpstellen.
Afhankelijk van de lens kan de methode voor overschakeling tussen
automatische en handmatige scherpstelling verschillend zijn.
Type lens
Te gebruiken
schakelaar
Overschakelen naar
automatische
scherpstelling
Overschakelen naar
handmatige
scherpstelling
De lens is
voorzien van een
Schakelaar
Scherpstellings-
functie
Lens (Zet de
Schakelaar
Scherpstellings-
functie op de
camera altijd op
AF.)
Zet de Schakelaar
Scherpstellings-
functie op de lens op
AF.
Zet de Schakelaar
Scherpstellings-
functie op de lens op
MF.
De lens is niet
voorzien van een
Schakelaar
Scherpstellings-
functie
Camera Zet de Schakelaar
Scherpstellings-
functie op de camera
op AF.
Zet de Schakelaar
Scherpstellings-
functie op de camera
op MF.
Automatisch scherpstellen gebruiken
1 Zet de Schakelaar
scherpstellingsfunctie op de
camera op AF.
2 Wanneer de lens is voorzien van
de Schakelaar
scherpstellingsfunctie, zet u deze
op AF.
De opnamefunctie gebruiken
69
NL
Stel het [AF-gebied] in (blz. 73) om het gebied te kiezen dat wordt
gebruikt voor de scherpstelling.
Scherpstellingsindicator
Onderwerpen waarvoor speciale scherpstelling nodig kan zijn
Bij gebruik van de automatische scherpstelling is het moeilijk scherp te
stellen op de volgende onderwerpen. In dergelijke gevallen gebruikt u de
scherpstelvergrendelingsfunctie (blz. 71) of de handmatige scherpstelling
(blz. 74).
3 Kijk in de zoeker.
Er wordt automatisch scherpgesteld op het onderwerp dat over het
scherpstelgebied wordt gelegd (Eye-Start AF, blz. 70).
4 Druk de ontspanknop half in om
de scherpstelling te controleren
en neem de opname.
De scherpstellingsindicator verandert
in z of wanneer de scherpstelling
is bevestigd (zie onder).
De sensor die voor scherpstelling wordt
gebruikt in het AF-gebied licht rood op
(blz. 73)
AF-gebiedssensor
Scherpstellingsindicator
Opnametechniek
Scherpstellings-
indicator
Status
z brandt Scherpstelling vergrendeld. Klaar om op te nemen.
brandt Scherpstelling is bevestigd. Het scherpstelpunt beweegt
doordat het een bewegend onderwerp volgt. Klaar om op te
nemen.
brandt Nog bezig met scherpstellen. U kunt de ontspanknop niet
loslaten.
z knippert Kan niet scherpstellen. De sluiter is vergrendeld.
AF-gebied
NL
70
Een onderwerp met weinig contrast, zoals een blauwe lucht of een witte
muur.
Twee onderwerpen op verschillende afstanden die elkaar overlappen
binnen het AF-gebied.
Een onderwerp dat bestaat uit zich herhalende patronen, zoals de gevel
van een kantoorgebouw.
Een onderwerp dat zeer helder is of schittert, zoals de zon, de carrosserie
van een auto of een wateroppervlak.
Het omgevingslicht is onvoldoende.
De juiste afstand tot een onderwerp nauwkeurig meten
Opmerking
Als het onderwerp dichterbij is dan de minimale opnameafstand van de gebruikte
lens, kan de scherpstelling niet worden bevestigd. Zorg voor voldoende afstand
tussen het onderwerp en de lens op de camera.
De functie Eye-Start AF deactiveren
MENU-knop t 1 t [Eye-Start AF] t [Uit]
Wanneer u de camera gebruikt met de FDA-M1AM Zoekerloep (los
verkrijgbaar), de FDA-A1AM Hoekzoeker (los verkrijgbaar) of de FDA-
ME1AM Vergrotende zoeker (los verkrijgbaar), schakel dan zowel [Eye-
Start AF] als [Autom.uitsch.] uit omdat de accessoires de sensoren van
het zoekerkapje bedekken, die zich boven de zoeker bevinden.
De -markering op de bovenkant van de
camera toont de locatie van de beeldsensor*.
Wanneer u de exacte afstand meet tussen de
camera en het onderwerp, raadpleeg dan de
positie van de horizontale lijn.
* De beeldsensor is het onderdeel van de
camera dat fungeert als de film.
De opnamefunctie gebruiken
71
NL
Een opname nemen met uw gewenste compositie
(Scherpstelvergrendeling)
1 Plaats het onderwerp binnen het
AF-gebied en druk de
ontspanknop tot halverwege in.
De scherpstelling en belichting zijn
vastgezet.
2 Houd de ontspanknop tot
halverwege ingedrukt en plaats
het onderwerp terug op de
oorspronkelijke plaats om het
beeld opnieuw samen te stellen.
3 Druk de ontspanknop helemaal in om het beeld op te nemen.
NL
72
Fn-knop t (Autom. scherpst.) t Selecteer de gewenste
instelling
Gebruik (Enkelvoudige AF) als het onderwerp stilstaat.
Gebruik (Continue AF) als het onderwerp in beweging is.
Opmerking
(Automatische AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op
AUTO of in een van de volgende scènekeuzefuncties: (Portret), (Landschap),
(Zonsondergang) of (Nachtportret).
(Enkelvoudige AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op
(Macro) in de scènekeuzefunctie.
(Continue AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op
(Sportactie) in de scènekeuzefunctie.
De scherpstelmethode kiezen die geschikt is voor de
beweging van het onderwerp (Automatische
scherpstelfunctie)
(Enkelvoudige
AF)
De camera voert de scherpstelling uit en de scherpstelling
wordt vergrendeld wanneer u de ontspanknop half indrukt.
(Automatische
AF)
De [Autom. scherpst.] wordt overgeschakeld tussen
enkelvoudige AF en continue AF, afhankelijk van de
beweging van het onderwerp.
Wanneer u de ontspanknop halverwege ingedrukt houdt als
het onderwerp bewegingsloos is, wordt de scherpstelling
vergrendeld. Als het onderwerp beweegt, gaat de camera
verder met het scherpstellen.
(Continue AF) De camera blijft scherpstellen zolang u de ontspanknop tot
halverwege ingedrukt houdt.
De audiosignalen worden niet weergegeven wanneer op het
onderwerp is scherpgesteld.
Scherpstelvergrendeling gebruiken is niet mogelijk.
Opnametechnieken
De opnamefunctie gebruiken
73
NL
Fn-knop t (AF-gebied) t Kies de gewenste instelling
Opmerkingen
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt
[AF-gebied] vastgezet op (Breed) en kunt u de andere instellingen niet
selecteren.
Het is mogelijk dat het lokale AF-gebied niet oplicht bij continu opnemen of
wanneer de ontspanknop helemaal wordt ingedrukt zonder halverwege te stoppen.
Het scherpstelveld (AF-gebied) kiezen
Kies het gewenste AF-gebied dat past bij
de opnameomstandigheden of uw
voorkeur. Het gebied dat voor de
scherpstelling wordt gebruikt, licht kort
op.
Gebied
(Breed) De camera bepaalt welk deel negen de negen AF-gebieden
wordt gebruikt voor het scherpstellen.
(Punt)
De camera gebruikt uitsluitend het AF-gebied in het midden.
(Lokaal) Kies met de controller uit de negen AF-gebieden het gebied
waarvoor u de scherpstelling wilt activeren. Druk op de AF-
knop als u de AF-gebieden die zich in het middengebied
bevinden, wilt selecteren.
AF-gebied
NL
74
Als het moeilijk is om de juiste scherpte in de stand autofocus te krijgen,
kunt u de scherpte handmatig aanpassen.
Opmerkingen
Wanneer het gaat om een onderwerp dat kan worden scherpgesteld in de
automatische scherpstellingsfunctie, licht de z-indicator op nadat de scherpstelling
is bevestigd. Wanneer het lokale AF-gebied wordt gebruikt, wordt het middenveld
gebruikt, en wanneer het lokale AF-gebied wordt gebruikt, wordt het veld dat met de
controller is gekozen, gebruikt.
Wanneer u een teleconvertor (los verkrijgbaar) enzovoort gebruikt, zal het draaien
van de scherpstelring mogelijk niet vloeiend gaan.
Als de dioptrie niet goed wordt ingesteld, wordt de het beeld in de zoeker niet goed
scherpgesteld (blz. 23).
De scherpstelling handmatig wijzigen (Handmatige
scherpstelling)
1 Zet de Schakelaar
scherpstellingsfunctie op de lens
op MF.
2 Wanneer de lens niet is voorzien
van een Schakelaar
scherpstellingsfunctie, stelt u de
Schakelaar scherpstellingsfunctie
op de camera op MF.
3 Draai de scherpstelring van de
lens om goed scherp te stellen.
Scherpstelring
De opnamefunctie gebruiken
75
NL
Opnamen maken met de handmatige
scherpstellingscontrole Live View
U kunt de scherpstelling controleren door voor het maken van de opname
het beeld op de LCD-monitor te vergroten door middel van de beeldsensor
die wordt gebruikt voor het vastleggen.
1 Druk op de MF CHECK LIVE VIEW-
knop.
De spiegel schuift omhoog en het beeld
wordt weergegeven op de LCD-monitor
in het 100-procent kaderbereik.
De aanduiding van de sluitersnelheid
en het diafragma wordt vastgezet
wanneer de handmatige
scherpstellingscontrole Live View start.
De camera meet het licht vlak voordat
de opname wordt gemaakt opnieuw en
de belichting wordt ingesteld.
Het beeld wordt weergegeven in de
juiste helderheid, ongeacht de
vastgestelde belichting. Er wordt geen
rekening gehouden met de
belichtingscompensatie in het
weergegeven beeld, maar wel in het
vastgelegde beeld.
MF CHECK LIVE VIEW-knop
LCD-monitorweergave
2 Vergroot het beeld door op de
-knop te drukken en selecteer met
v/V/b/B op de controller het
gedeelte dat u wilt vergroten.
Telkens wanneer u op de -knop
drukt, verandert het zoombereik als
volgt: Volledige display t Ong. ×7
t Ong. ×14
-knop
NL
76
Drukt u op de MF CHECK LIVE VIEW-knop wanneer de camera in de
stand AE-vergrendeling staat, dan dan kunt u een versie van het beeld
controleren waarin rekening wordt gehouden met de gecompenseerde
belichting. Wanneer u vanaf dit punt begint met het maken van opnamen,
begint de camera de belichting in de stand AE-vergrendeling.
U kunt een rasterlijn verwijderen (blz. 126).
Opmerkingen
De camera stelt niet scherp op een onderwerp wanneer u de ontspanknop half indrukt.
Het beeld in de zoeker is niet zichtbaar in de stand handmatige
scherpstellingscontrolefunctie Live View.
Wanneer wordt aangeduid, loopt de temperatuur van de camera op. Als u van
plan bent door te gaan met het uitvoeren van de handmatige scherpstellingscontrole
Live View, kunt u de camera pas weer gebruiken wanneer de temperatuur is
afgenomen (blz. 161).
U wordt geadviseerd het zoekerkapje (blz. 24) te bevestigen.
Wanneer u doorlopende opnamen maakt of opnamen maakt met belichtings-bracket
in de handmatige scherpstellingscontrolefunctie Live View vindt automatische
scherpstelling plaats bij de eerste opname.
3 Bevestig de scherpstelling en pas deze aan.
U kunt de scherpstelling handmatig aanpassen in de stand handmatige
scherpstellingscontrole Live View.
Als u op de AF-knop drukt in de stand Autofocus, wordt de automatische
scherpstelling geactiveerd. De spiegel schuift omlaag in de stand Autofocus
en de display wordt tijdelijk niet weergegeven.
Wanneer [AF-gebied] is ingesteld op (Lokaal), kunt u de automatische
scherpstelling ook activeren met de controller.
4 Maak de opname door de ontspanknop helemaal in te drukken.
U kunt beelden vastleggen wanneer de zoom-schaalverdeling is ingesteld
op ongeveer ×7 of ×14, maar het vastgelegde beeld vult de volledige
display.
De handmatige scherpstellingscontrolefunctie Live View wordt vrijgegeven
wanneer de opname is gemaakt.
Opnametechnieken
De opnamefunctie gebruiken
77
NL
De opname-informatie wisselen (DISP)
Telkens wanneer u op de DISP-knop
drukt, verandert de stand Live View van
het scherm als volgt.
DISP-knop
Opname-informatie uitOpname-informatie aanstandaardweergave
NL
78
De status van het scherm in de stand voor de handmatige
scherpstellingscontrole Live View is als volgt.
AB
C
LCD-monitor
Weergave opname-informatie
Scherm Indicatie
P A S M
Functiekeuzeknop
(47 – 67)
Beeldkwaliteit (119)
Waarschuwing voor
oververhitting (161)
Beeldgrootte (118)/
Beeldverhouding (118)
Geheugenkaart (18)
100 Resterend aantal
opneembare beelden (25)
100% Resterend accuvermogen
(14)
Scherm Indicatie
Spot-lichtmeetveld (88)
AF-gebied (73)
Scherm Indicatie
1/125 Sluitertijd (60)
F3.5 Diafragma (58)
EV-schaalverdeling (64,
102)
AE-vergrendeling (75)
Waarschuwing
camerabeweging (45)
SteadyShot -
schaalverdeling (45)
De opnamefunctie gebruiken
79
NL
D
E
Scherm Indicatie
Transportfunctie (99)
Flitsfunctie (80)/Rode-
ogen-effectvermindering
(82)
Scherpstellingsfunctie
(72)
AF-gebied (73)
Scherm Indicatie
ISO-gevoeligheid (94)
Lichtmeting (88)
+2.0 Flitscompensatie (86)
AWB
7500K G9
Witbalans (Automatisch,
Vooringesteld, Eigen,
Kleurtemperatuur,
Kleurfilter) (95)
Dynamisch-
bereikoptimalisatie (89)/
Auto HDR (90)
Instellingen (92)
NL
80
De flitser gebruiken
Met de flitser kunt u het onderwerp op donkere plaatsen helder vastleggen,
en het voorkomt tevens camerabeweging. Wanneer u een opname tegen de
zon in maakt, kunt u de flitser gebruiken om een helder beeld van het aan
de achterzijde belichte onderwerp te krijgen.
1 Fn-knop t (Flitsfunctie) t Kies de gewenste instelling
2 Druk op de -knop.
De flitser komt omhoog.
Bij de functies AUTO of Scènekeuze
komt de flitser automatisch omhoog als
er onvoldoende licht is of als het
onderwerp zich in tegenlicht bevindt.
De ingebouwde flitser komt niet
omhoog, zelfs niet als u op de knop
drukt.
-knop
3 Nadat de flitser klaar is met
laden, kunt u het onderwerp
fotograferen.
Knippert: De flitser wordt opgeladen.
Als de indicator knippert, kunt u de
sluiter niet ontspannen.
Brandt: De flitser is opgeladen en
klaar voor gebruik.
Als u de ontspanknop in de
automatische scherpstelling bij weinig
licht half indrukt, wordt mogelijk
geflitst om het onderwerp te kunnen
scherpstellen (AF-hulplicht).
(Flitser wordt
opgeladen)-indicator
De opnamefunctie gebruiken
81
NL
De zonnekap (los verkrijgbaar) kan het licht van de flitser blokkeren.
Verwijder de zonnekap als u de flitser gebruikt.
Houd bij het gebruik van de flitser een afstand van 1 m of meer van het
onderwerp dat u wilt fotograferen.
Met langzame-flitssynchronisatie kunt u in het donker een helderdere
afbeelding maken van mensen en achtergronden.
Met eindsynchronisatie kunt u een natuurlijke foto maken van het spoor
van een bewegend onderwerp, zoals een fietser of een wandelaar.
Opmerkingen
Houd de camera niet vast bij de flitserzender.
De opnamecondities die nodig zijn om te voorkomen dat er schaduwen op een foto
verschijnen, verschillen afhankelijk van de lens.
Wanneer de belichtingsfunctie wordt ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie,
kunnen de opties (Langz.flitssync.), (Eindsynchron.) en (Draadloos) niet
worden geselecteerd.
(Flitser uit) De ingebouwde flitser gaat niet af, zelfs niet als deze uitklapt.
Dit kan niet worden geselecteerd als de functiekeuzeknop is
ingesteld op P, A, S of M.
(Autom.flitsen) De flitser gaat af wanneer het donker is of wanneer de
opname tegen licht wordt gemaakt. Dit kan niet worden
geselecteerd als de functiekeuzeknop is ingesteld op P, A, S
of M.
(Invulflits) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst.
(Langz.flitssync.) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst. U
kunt met de langzame-flitssynchronisatieopname zowel een
helder beeld van het onderwerp als van de achtergrond nemen
door een langere sluitertijd te gebruiken.
(Eindsynchron.) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst net
voordat de belichting is voltooid.
(Draadloos) Er wordt geflitst met een externe flitser (los verkrijgbaar) die
niet op de camera is aangesloten en op afstand van de camera
staat (draadloos flitsen).
Opnametechnieken
NL
82
Het flitserbereik
Het bereik van de ingebouwde flitser is afhankelijk van de ISO-
gevoeligheid en de diafragmawaarde. Zie de volgende tabel.
Het AF-hulplicht
Het AF-hulplicht werkt niet als [Autom. scherpst.] is ingesteld op
(Continue AF) of als het onderwerp in beweging is in
(Automatische AF). (De indicator of licht op.)
Het AF-hulplicht zal mogelijk niet werken met een brandpuntsafstand van
300 mm of meer.
Wanneer een externe flits (los verkrijgbaar) wordt bevestigd, wordt het
AF-hulplicht van de externe flits gebruikt.
Het AF-hulplicht uitschakelen
MENU-knop t 1 t [AF-hulplicht] t [Uit]
De rode-ogen-vermindering gebruiken
Met deze instelling kunt u het rode-ogeneffect verminderen door enkele
keren een zwak flitslicht te laten afgaan alvorens de opname met de flitser
te maken.
MENU-knop t 1 t [Rode-ogen-verm.] t [Aan]
Diafragma F2.8 F4.0 F5.6
ISO-instelling 200 1 – 6 m 1 – 4,3 m 1 – 3 m
400 1,4 – 8,6 m 1 – 6 m 1 – 4,3 m
800 2 – 12 m 1,4 – 8,6 m 1 – 6 m
De opnamefunctie gebruiken
83
NL
U kunt met een flitser die een draadloze opnamefunctie heeft (los
verkrijgbaar) flitsen zonder snoer zelfs als de flitser niet op de camera is
aangesloten. Door de plaats van de flitser te veranderen, kunt u een beeld
vastleggen dat driedimensionaal lijkt te zijn door het contrast van licht en
schaduw op het onderwerp te benadrukken.
Raadpleeg voor het maken van afbeeldingen de bedieningsinstructies van
uw flitser.
Opmerkingen
De camera kan de draadloze belichtingsverhoudingscontrole niet uitvoeren.
Schakel de draadloze-flitserfunctie uit nadat u klaar bent met het maken van
draadloze-flitsopnamen. Als de ingebouwde flitser wordt gebruikt terwijl de
draadloze-flitserfunctie nog ingeschakeld is, worden de opnamen onnauwkeurig
door de flitser belicht.
Als een andere fotograaf in de buurt een draadloos flitsapparaat gebruikt en het
flitslicht van zijn/haar ingebouwde flitser uw flitsapparaat doet afgaan, kiest u een
ander kanaal voor de externe flitser. Als u het kanaal van het externe flitsapparaat
wilt veranderen, raadpleegt u de gebruiksaanwijzing die erbij werd geleverd.
Installatie van de AEL-knop
Bij gebruik van de draadloze flitser adviseren wij u [AEL-knop] in te
stellen op [AEL-vergrendel] in het -menu Custom (blz. 123).
Een draadloze-flitsopname maken
1 Sluit de draadloze flitser aan op de accessoireschoen en
schakel zowel de camera als de flitser in.
2 Fn-knop t (Flitsfunctie) t (Draadloos)
3 Maak de draadloze flitser los van de accessoireschoen en klap
de ingebouwde flitser open.
Als u een test van de flitser uitvoert, druk dan op de AEL-knop.
NL
84
De helderheid van het beeld wijzigen
(Belichting, flitscompensatie, meting)
De belichting kan bij een opname in tegenlicht of bij een raam ongeschikt
zijn voor het onderwerp vanwege de grote lichtverschillen tussen het
onderwerp en de achtergrond. Gebruik in zulke gevallen de lichtmeter waar
genoeg licht valt op het onderwerp en vergrendel de belichting alvorens de
opname te nemen. Richt de camera vóór een plaats die lichter is dan het
onderwerp en gebruik de lichtmeter om de belichting van het hele beeld te
vergrendelen om het onderwerp minder helder te maken. Richt de camera
vóór een plaats die donkerder is dan het onderwerp en gebruik de
lichtmeter om de belichting van het hele beeld te vergrendelen om het
onderwerp meer helderheid te geven.
In dit deel wordt beschreven hoe u met de (Spot) een helderder beeld
van het onderwerp kunt vastleggen.
Een opname maken met een vastgelegde helderheid (AE-
vergrendeling)
1 Fn-knop t (Lichtmeetfunctie) t (Spot)
2 Pas de scherpstelling aan op het deel waarop u de belichting
wilt vergrendelen.
De belichting wordt ingesteld wanneer er scherpgesteld is.
De plaats waar u de
belichting vergrendelt.
De opnamefunctie gebruiken
85
NL
Behalve voor de belichtingsfunctie M wordt de belichting automatisch
geselecteerd (Automatische belichting).
U kunt afhankelijk van uw voorkeur op basis van de belichting die is
verkregen door de automatische belichting, belichtingscompensatie
uitvoeren door de belichting ofwel naar de pluszijde of naar de minzijde te
verschuiven. U kunt het hele beeld lichter maken door naar de pluszijde te
schuiven. U kunt het hele beeld donkerder maken door naar de minzijde te
schuiven.
3 Vergrendel de belichting door op
de AEL-knop te drukken.
(AE-vergrendelingsteken) verschijnt.
AEL-knop
4 Stel scherp op het onderwerp terwijl u op de AEL-knop drukt, en
neem de opname van het onderwerp.
Houd na de opname de AEL-knop ingedrukt als u met dezelfde
belichtingswaarde blijft opnemen. De instelling wordt geannuleerd wanneer
u de knop loslaat.
Helderheidscompensatie voor het hele beeld gebruiken
(Belichtingscompensatie)
Correctie in de –
richting
Basisbelichting
Correctie in de +
richting
NL
86
Pas het compensatieniveau aan door het opgenomen beeld te controleren.
Met de bracketopnamefunctie kunt u meerdere beelden opnemen met de
belichting verschoven naar de plus- of minzijde (blz. 101).
Opmerking
Deze optie kan niet worden ingesteld als de belichtingsfunctie is ingesteld op
AUTO, M, of de scènekeuzefunctie.
Als u opneemt met de flitser, kunt u alleen de hoeveelheid flitslicht
veranderen, zonder de belichtingscompensatie te veranderen. U kunt alleen
de belichting wijzigen van het hoofdonderwerp dat binnen het flitsbereik ligt.
Fn-knop t (Flitscompens.) t Selecteer de gewenste
instelling
Naar +: verhoogt het flitsniveau.
Naar –: verlaagt het flitsniveau.
1 Druk op de -knop om het
belichtingscompensatiescherm
weer te geven.
-knop
2 Pas de belichting aan met de
instelwiel.
Naar + (over): maakt een beeld helderder.
Naar – (onder): maakt een beeld
donkerder.
Standaardbelichting
3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
Opnametechnieken
De hoeveelheid flitslicht aanpassen (Flitscompensatie)
De opnamefunctie gebruiken
87
NL
Opmerkingen
Deze optie kan niet worden ingesteld als de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO
of de scènekeuzefunctie.
Als u het flitsniveau heeft aangepast, verschijnt in de zoeker als de ingebouwde
flitser omhoog wordt gehaald. Zorg ervoor dat u niet vergeet de waarde terug te
zetten als u het flitsniveau aanpast.
Het kan zijn dat het hogere flitseffect niet zichtbaar is, omdat de hoeveelheid flitslicht
beperkt is als het onderwerp zich buiten het maximumbereik van de flitser bevindt. Als het
onderwerp zich erg dichtbij bevindt, is het mogelijk dat het lagere flitseffect niet zichtbaar is.
Belichtingscompensatie en flitscompensatie
De belichtingscompensatie verandert de sluitertijd, het diafragma en de ISO-
gevoeligheid (als [AUTO] is geselecteerd) om de compensatie uit te voeren. Als de
flitser wordt gebruikt, wordt tevens de hoeveelheid flitslicht veranderd.
De flitscompensatie verandert echter uitsluitend de hoeveelheid flitslicht.
MENU knop t 1 t [Flitsregeling] t Selecteer de gewenste
instelling
ADI: Advanced Distance Integration (Geavanceerde afstandsintegratie)
TTL: Through the lens (Door de lens)
Bij de selectie van [ADI-flits] kan het gebruik van een lens die is voorzien
van een afstandscodeerder een nauwkeuriger flitscompensatie opleveren
doordat nauwkeurigere afstandsinformatie wordt gebruikt.
Opmerkingen
Wanneer de afstand tussen het onderwerp en het externe flitsapparaat (los
verkrijgbaar) niet kan worden vastgesteld (opnemen met een draadloos, extern
flitsapparaat (los verkrijgbaar), opnemen met een los flitsapparaat dat met een kabel
De flitsregeling selecteren om de hoeveelheid flitslicht in te
stellen (Flitsregeling)
ADI-flits Met deze methode regelt u het licht van de flitser waarbij
rekening gehouden wordt met de informatie over de
brandpuntsafstand en de lichtmeetgegevens van de voorflits.
Met deze methode kunt u een nauwkeurige flitscompensatie
krijgen waarbij er nagenoeg geen effect optreedt van de
weerkaatsing van het onderwerp.
Voorflits DDL Met deze methode regelt u de hoeveelheid flitslicht die
uitsluitend berekend wordt volgens de gegevens van de
lichtmeting van de voorflits. Deze methode is gevoelig voor
de lichtweerkaatsing van het onderwerp.
NL
88
is verbonden met de camera, opnemen met een dubbelflitsapparaat of ringflitser voor
macro-opnamen, enz.), selecteert de camera automatisch de stand Voorflits DDL.
Selecteer in de volgende gevallen [Voorflits DDL] omdat de camera geen
flitscompensatie kan uitvoeren met ADI-flits.
– Aan het flitsapparaat HVL-F36AM is een breed paneel bevestigd.
– Voor flitsopnamen wordt een diffuser gebruikt.
– Er wordt een filter met een belichtingsfactor, zoals een ND-filter, gebruikt.
– Er wordt een close-uplens gebruikt.
ADI-flits is alleen beschikbaar in combinatie met een lens die is uitgerust met een
afstandscodeerder. Om te bepalen of uw lens is uitgerust met een afstandscodeerder,
raadpleegt u de gebruiksaanwijzing die bij de lens werd geleverd.
Fn-knop t (Lichtmeetfunctie) t Kies de gewenste stand
Gebruik (Meervelds) voor meten voor algemene opnamen.
Meet, wanneer er een onderwerp met veel contrast in het AF-gebied is, het
licht van het onderwerp dat u wilt vastleggen en maak gebruik van de
optimale belichting met de spotmeetfunctie en de AE-vergrendeling (blz. 84).
Opmerking
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt
[Lichtmeetfunctie] vastgezet op (Meervelds) en kunt u de andere functies niet
selecteren.
De methode selecteren voor lichtmeting van het onderwerp
(Lichtmeetfunctie)
(Meervelds) Bij deze instelling wordt het licht op elk veld gemeten na
opdeling van het totale gebied in meerdere velden en zo
wordt de juiste belichting van het gehele scherm bepaald.
(Centrum gericht)
Deze functie legt de nadruk op het middelste deel van het scherm,
maar meet de gemiddelde helderheid van het gehele scherm.
(Spot) Deze functie meet licht op of rond het scherpstelgebied in het
midden van het kader.
Opnametechnieken
De opnamefunctie gebruiken
89
NL
Automatisch de helderheid en het
contrast compenseren (Dynamisch
Bereik)
* Lv_ weergegeven bij is de stap die nu is geselecteerd.
D-RANGE-knop t Selecteer de
gewenste instelling
D-RANGE-knop
(Uit) Maakt geen gebruik van DRO/Auto HDR-functies.
(Dyn.-bereikoptim)
Door het beeld op te delen in kleine velden, analyseert de
camera het contrast van licht en schaduw tussen het
onderwerp en de achtergrond, en produceert een beeld waarin
de helderheid en gradatie optimaal is.
(Auto HDR) Schiet twee beelden met verschillende belichting en legt dan
het heldere gebied van het onderbelichte beeld over het
donkere gebied van het overbelichte beeld, zodat een beeld
ontstaat met een rijke gradatie.
De helderheid van het beeld corrigeren (Dynamisch-
bereikoptimalisatie)
1 D-RANGE-knop t (Dyn.-bereikoptim)
2 Selecteer op de controller een optimaal niveau met b/B.
(Automatisch) Corrigeert automatisch de helderheid.
(Niveau)* Optimaliseert de gradaties van een vastgelegd beeld in elk
van de gebieden van het beeld. Selecteer het optimale niveau
tussen Lv1 (zwak) en Lv5 (krachtig).
NL
90
Opmerkingen
De instelling wordt vastgezet op (Uit) wanneer (Zonsondergang) of
(Nachtportret) is geselecteerd in de scènekeuzefunctie. De instelling wordt vastgezet
op (Automatisch) wanneer andere standen zijn geselecteerd in
scènekeuzefunctie.
Bij het opnemen met de dynamisch-bereikoptimalisatie kan het beeld ruis bevatten.
Selecteer het juiste niveau door het vastgelegde beeld te controleren, vooral wanneer
u het effect laat toenemen.
* _Ev weergegeven bij is de stap die nu is geselecteerd.
De sluiter wordt twee keer bediend voor één opname, let daarom goed op
het volgende:
Gebruik deze functie wanneer het onderwerp niet beweegt en niet
knippert.
Stel het beeld niet opnieuw samen.
Opmerkingen
Wanneer de belichtingsstand is ingesteld op AUTO of Scèneselectie, kunt u [Auto
HDR] niet selecteren.
U kunt pas beginnen met de volgende opname als het proces van het vastleggen na
het afdrukken is voltooid.
U krijgt misschien, afhankelijk van het luminantieverschil van een onderwerp en de
opnameomstandigheden, niet het gewenste effect.
Automatisch compenseren met rijke gradatie (Automatisch
Hoog Dynamisch Bereik)
1 D-RANGE-knop t (Auto HDR)
2 Selecteer op de controller een optimaal niveau met b/B.
(Aut.
belichtingsver.)
Corrigeert automatisch het belichtingsverschil.
(Niveau
Belichtingsverschil)*
Stelt het belichtingsverschil in op basis van het contrast van
het onderwerp. Selecteer het optimale niveau tussen 1.0Ev
(zwak) en 3.0Ev (krachtig).
Opnametechniek
De opnamefunctie gebruiken
91
NL
Wanneer de flitser wordt gebruikt, heeft deze functie weinig effect.
Voor een beeld dat is vastgelegd met deze functie kan niet meer dan één beeld dat
wordt opgelegd, worden gebruikt.
U kunt deze functies niet gebruiken voor RAW-beelden.
Wanneer de scène weinig contrast heeft, de opname bewegingsonscherp is of het
onderwerp van de opname wazig is, zult u misschien geen goede HDR-beelden
krijgen. In zulke gevallen wordt aangeduid op het vastgelegde beeld zodat u
weet wat er aan de hand is. Maak nog meer opnamen en besteed aandacht aan het
contrast of de onscherpte.
NL
92
Beeldverwerking
(Contrast), (Verzadiging), en (Scherpte) kunnen voor ieder
instellingenitem worden aangepast.
De door u gewenste beeldverwerking kiezen (Instellingen)
1 Fn-knop t (Instellingen) t Selecteer de gewenste
instelling
2 Als u (Contrast), (Verzadiging) of (Scherpte) wilt
aanpassen, selecteert u het gewenste item met b/B en past u
vervolgens de waarde aan met v/V.
(Standaard) Voor het maken van verschillende opnames met een rijke
gradatie en prachtige kleuren.
(Levendig) De verzadiging en het contrast worden verhoogd voor het
opnemen van opvallende beelden van kleurrijke scènes en
onderwerpen, zoals bloemen, lentegroen, een blauwe hemel
of vergezichten over zee.
(Portret) Voor het vastleggen van huidkleur met een zacht tint, ideaal
geschikt voor het maken van portretten.
(Landschap) De verzadiging, het contrast en de scherpte worden verhoogd
voor het vastleggen van levendige, heldere landschappen.
Ook landschappen in de verte komen meer tot uiting.
(Zonsondergang)
Voor het vastleggen van de prachtige mooie kleur van de
ondergaande zon.
(Zwart-wit) Voor het vastleggen van zwart-witbeelden.
(Contrast) Hoe hoger de geselecteerde waarde, hoe meer verschil in
licht en schaduw wordt geaccentueerd waardoor er meer
invloed op een beeld komt.
(Verzadiging) Hoe hoger de geselecteerde waarde, hoe levendiger de kleur.
Als er een lagere waarde wordt geselecteerd, is de kleur van
het beeld rustiger en zachter.
De opnamefunctie gebruiken
93
NL
Opmerkingen
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt
[Instellingen] vastgezet op (Standaard) en kunt u de andere instellingen niet
selecteren.
Wanneer (Zwart-wit) is geselecteerd, kunt u de verzadiging niet aanpassen.
De wijze waarop kleuren worden vertegenwoordigd met combinaties van
nummers of het assortiment kleurenreproducties wordt "Kleurenruimte"
genoemd. U kunt de Kleurenruimte wijzigen, afhankelijk van uw doel.
MENU-knop t 1 t [Kleurenruimte] t Kies de gewenste
instelling
Opmerkingen
Adobe RGB is voor toepassingen of printers die kleurbeheer en de DCF2.0-
kleurenruimteoptie ondersteunen. Wanneer u toepassingen of printers gebruikt die
het kleurbeheer niet ondersteunen, kan dat beelden opleveren waarin kleuren niet
natuurgetrouw worden gereproduceerd.
Beelden worden met een lage verzadiging weergegeven als zij op de camera, of
apparaten die Adobe RGB niet ondersteunen, werden opgenomen met Adobe RGB.
(Scherpte) De scherpte aanpassen. Hoe hoger de geselecteerde waarde,
hoe meer de contouren worden geaccentueerd. Hoe lager de
geselecteerde waarde, hoe meer de contouren worden
verzacht.
Het bereik van de gereproduceerde kleuren wijzigen
(Kleurenruimte)
sRGB Dit is de standaard Kleurenruimte van de digitale camera.
Gebruik sRGB bij normale opnamen, bijvoorbeeld als u van
plan bent om de beelden af te drukken zonder aanpassing.
Adobe RGB Dit heeft een uitgebreid assortiment kleurenreproducties. Als
een groot deel van de onderwerp levendig groen of rood is, is
Adobe RGB effectief.
De bestandsnaam van het beeld begint met "_DSC".
NL
94
Instelling ISO
De lichtgevoeligheid wordt uitgedrukt door de ISO-waarde (aanbevolen
belichtingsindex). Hoe hoger het getal, des te hoger de gevoeligheid.
Opmerkingen
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt
de ISO-waarde vastgezet op AUTO en kunt u de andere ISO-waarden niet
selecteren.
Wanneer de belichtingsfunctie wordt ingesteld op P/A/S en de ISO-waarde wordt
ingesteld op [AUTO], wordt de ISO-waarde automatisch ingesteld tussen ISO 200
en ISO 1600.
De [AUTO]-instelling is niet beschikbaar in de belichtingsfunctie M. Als u de
belichtingsfunctie M wijzigt met de [AUTO]-instelling, dan wordt deze
overgeschakeld op [200]. Stel de ISO in in overeenstemming met uw opname-
omstandigheden.
1 Druk op de ISO-knop om het ISO-
scherm weer te geven.
ISO-knop
2 Selecteer op de controller met v/V de gewenste waarde.
Hoe hoger het getal, des te hoger het ruisniveau is.
De opnamefunctie gebruiken
95
NL
De kleurtinten (Witbalans) instellen
De kleurtint van het onderwerp verandert naarmate de aard van de lichtbron
verandert. De onderstaande tabel geeft de veranderingen in kleurtint aan
gebaseerd op diverse lichtbronnen in vergelijking met een onderwerp dat er
wit uitziet in het zonlicht.
Witbalans is een functie waarmee de kleurtint wordt aangepast tot ongeveer
wat u ziet. Gebruik deze functie als de kleurtint van het beeld er niet uitziet
zoals u verwachtte, of als u doelbewust de kleurtint wilt veranderen voor
een fotografische uitdrukking.
Opmerkingen
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt
[Witbalans] vastgezet op AWB (Autom.witbalans) en kunt u de andere functies niet
selecteren.
De camera kan geen nauwkeurige witbalans vaststellen als de enige beschikbare
lichtbron een kwik- of een natriumlamp is vanwege de kenmerken van de lichtbron.
Gebruik in zulke gevallen de flitser.
Fn-knop t AWB (Witbalans) t Kies de gewenste instelling
Wanneer [AWB] niet is geselecteerd, kunt u de kleurtint fijnregelen met
b/B op de controller. Met een aanpassing naar + wordt het beeld roder en
met een aanpassing naar – wordt het beeld blauwer.
Weer/lichtbron
Daglicht Bewolkt Fluorescerend Lamplicht
Eigenschappen
van het licht
Wit Blauwachtig Groengetint Roodachtig
De witbalans aanpassen zodat deze bij een bepaalde
lichtbron past (Automatisch/vooringestelde witbalans)
NL
96
Gebruik de bracketfunctie van de witbalans als u de gewenste kleurtint
niet in de geselecteerde optie kunt krijgen (blz. 102).
U kunt de waarde van de gewenste waarde aanpassen door [5500K]
(Kleurtemperatuur) of [0] (Kleurfilter) te selecteren.
Door (Eigen inst.) te selecteren, kunt u uw instelling opslaan
(blz. 97).
Fn-knop t AWB (Witbalans) t [5500K] (Kleurtemperatuur) of
[0] (Kleurfilter)
Selecteer de waarde met b/B om de kleurtemperatuur in te stellen.
Selecteer de compensatierichting met b/B om de kleurfilter in te stellen.
Opmerking
De waarden zijn anders onder tl-licht/natrium- of kwiklampen omdat kleurmeters
zijn ontworpen voor filmcamera's. We raden u aan om uw eigen witbalans te
gebruiken of een testopname te maken.
AWB
(Autom.witbalans)
De camera neemt automatisch een lichtbron waar en past de
kleurtinten erop aan.
(Daglicht) Bij de selectie van een optie die geschikt is voor een bepaalde
lichtbron, worden de kleurtinten aangepast aan de lichtbron
(vooringestelde witbalans).
(Schaduw)
(Bewolkt)
(Gloeilamp)
(TL-licht)
(Flitslicht)
Opnametechnieken
De kleurtemperatuur en een filtereffect instellen
(Kleurtemperatuur/kleurfilter)
De opnamefunctie gebruiken
97
NL
*1 De waarde is de waarde van de kleurtemperatuur die op dat moment is
geselecteerd.
*2 De waarde is de waarde van de kleurfilter die op dat moment is geselecteerd.
In een scène waarin het omgevingslicht bestaat uit meerdere soorten
lichtbronnen, adviseren wij u een eigen witbalans te gebruiken om de witte
kleuren nauwkeurig te reproduceren.
5500K*
1
(Kleurtemperatuur)
Hiermee wordt de witbalans aan de hand van de
kleurtemperatuur ingesteld. Hoe hoger het getal is, des te
roder het beeld wordt, en hoe lager het getal is, des te blauwer
het beeld wordt.
0*
2
(Kleurfilter) Zo komt het effect van CC (Color Compensation)-filters voor
fotografie tot stand.
De kleur kan, gebaseerd op de ingestelde kleurtemperatuur
als standaard, worden gecompenseerd naar G (Green) of M
(Magenta).
De kleurtinten opslaan (Eigen witbalans)
1 Fn-knop t AWB (Witbalans) t (Eigen inst.)
2 Selecteer [ SET] met b/B op de controller, en druk
vervolgens op het midden van de controller.
3 Houd de camera zo dat het witte gebied het AF-gebied in het
midden volledig bedekt en druk vervolgens op de ontspanknop.
De sluiter klikt en de geijkte waarden (kleurtemperatuur en kleurfilter)
worden weergegeven.
4 Druk op het midden van de controller.
De monitor keert terug naar het scherm met opname-informatie waarbij de in
het geheugen opgeslagen eigen ingestelde instelling voor witbalans blijft
behouden.
De eigen witbalansinstelling die met deze bediening werd opgeslagen, blijft
beschikbaar totdat er een nieuwe instelling wordt opgeslagen.
NL
98
Opmerking
De mededeling "Fout eigen witbalans" geeft aan dat de waarde buiten het verwachte
bereik ligt. (Als de flitser wordt gebruikt op een onderwerp dat erg dichtbij is, of als
zich een onderwerp met een felle kleur in het scherpstelkader bevindt.) Als u deze
waarde opslaat, wordt de -indicator geel in de opname-informatie op de LCD-
monitor. U kunt op dit moment wel opnemen, maar wij adviseren u de witbalans
nogmaals in te stellen om een nauwkeurigere witbalanswaarde te verkrijgen.
De eigen witbalansinstelling oproepen
Fn-knop t AWB (Witbalans) t (Eigen inst.)
Opmerking
Als de flitser afgaat wanneer op de ontspanknop wordt gedrukt, wordt een eigen
witbalansinstelling opgeslagen waarbij rekening wordt gehouden met het flitslicht.
Gebruik bij latere opnamen ook de flitser.
De opnamefunctie gebruiken
99
NL
De transportfunctie selecteren
Deze camera heeft zeven transportfuncties, waaronder enkelvoudig
transport en continutransport. Kies naar wens een transportfunctie.
Deze functie is voor normaal opnemen.
-knop t (Enkelbeeldopname)
Opmerking
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op (Sportactie) in de
scènekeuzefunctie, kunt u niet een enkele opname maken.
De camera legt de beelden doorlopend vast op de volgende snelheden*.
* Onze meetomstandigheden. De snelheid van een continuopname is
langzamer, afhankelijk van de opnameomstandigheden.
Het maximale aantal opeenvolgende opnamen
Het aantal beelden dat continu opgenomen kan worden, is beperkt.
Enkele opnamen nemen
Continu opnemen
Maximaal 5 beelden per
seconde
Maximaal 3 beelden per
seconde
1 -knop t (Continuopname) t Kies de gewenste
stand
2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
De camera blijft opnemen als u de ontspanknop ingedrukt houdt.
Fijn 32 beelden
Standaard 116 beelden
RAW & JPEG 7 beelden
RAW 14 beelden
NL
100
Ononderbroken opnamen maken bij hogere snelheden
De camera maakt ononderbroken opnamen met maximaal zeven beelden per
seconde. De belichting en scherpstelling worden ingesteld bij de eerste opname.
-knop t (Snelh.v. continutr.)
Opmerkingen
U kunt geen continuopnamen maken wanneer "0" knippert in de zoeker. Wacht tot
de indicator verdwijnt.
U kunt geen ononderbroken opnamen maken bij een andere scènekeuze dan
(Sportactie).
De 10-seconden zelfontspanner is handig wanneer de fotograaf zelf op de
foto moet staan en de 2-seconden zelfontspanner is handig om
camerabewegingen te verminderen.
De zelfontspanner annuleren
Druk op de -knop.
Opmerking
Wanneer u op de ontspanknop drukt zonder in de zoeker te kijken, gebruikt u het
zoekerkapje (blz. 24).
De zelfontspanner gebruiken
1 -knop t (Zelfontspanner) t Selecteer de gewenste
instelling
Het cijfer achter is het huidige aantal geselecteerde seconden.
2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
Als de zelfontspanner is geselecteerd, geven geluidsignalen en het lampje
van de zelfontspanner de status ervan aan. Vlak voor de opname knippert
het lampje van de zelfontspanner snel en klinkt het geluidsignaal.
De opnamefunctie gebruiken
101
NL
Met bracketopnamen kunt u diverse beelden opnemen, ieder met een
andere belichtingsgraad. Specificeer de afwijkingswaarde (stappen) van de
basisbelichting en de camera maakt automatisch drie opnamen bij een
wisselende belichting. Houd de ontspanknop ingedrukt totdat het opnemen
stopt.
Wanneer er wordt geflitst, wordt met de flitsbracketopname de hoeveelheid
flitslicht gevarieerd. Druk de ontspanknop in voor elke opname.
Opmerkingen
De belichting wordt verschoven door aanpassing van de sluitertijd als het instelwiel
is ingesteld op M.
Bij aanpassing van de belichting, wordt de belichting verschoven aan de hand van de
gecompenseerde waarde.
De bracket kan niet worden gebruikt wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op
AUTO of de scènekeuzefunctie.
Beelden opnemen met verschoven belichting
(Belichtingsbracket)
1 -knop t (Bracket: continu) t Kies de gewenste
bracketstap
2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
De basisbelichting wordt ingesteld bij het eerste beeld van de bracketopname.
Basisbelichting
– richting + richting
NL
102
EV-schaalverdeling bij bracketopname
* Omgevingslicht: elk licht, behalve het flitslicht, dat de scène belicht
gedurende een lange tijd, zoals natuurlijk licht, een gloeilamp of een tl-buis.
Bij bracketopnamen wordt hetzelfde aantal aanduidingen als het aantal
opneembare beelden weergegeven op de EV-schaalverdeling. Bij
flitsbracketopnamen worden de aanduidingen echter niet in de zoeker
weergegeven.
Nadat de bracketopname is begonnen, gaan de aanduidingen van de reeds
gemaakte opnamen één voor één uit.
Op basis van de geselecteerde witbalans en kleurtemperatuur/kleurfilter
worden drie beelden vastgelegd met een wisselende witbalans.
* Mired: een eenheid die de kleuromzettingskwaliteit aangeeft voor
kleurtemperatuurfilters.
Omgevingslichtbracket*
Stappen van 0,3, drie
opnamen
Belichtingscompensatie 0
Flits-bracketopname
Stappen van 0,7, drie
opnamen
Flitscompensatie –1,0
LCD-monitor
(standaardweergave)
Aangegeven in de bovenste
regel.
Aangegeven onder de
schaalverdeling.
Zoeker
LCD-monitor (Stand
handmatige
scherpstellingscontrole
Live View)
Opnemen met witbalansverschuiving (Witbalansbracket)
1 -knop t (Witbalansbracket) t Kies de
gewenste instelling
Wanneer Lo is geselecteerd, wordt het verschoven met 10 mired* en
wanneer Hi is geselecteerd wordt het verschoven met 20 mired.
2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp.
De opnamefunctie gebruiken
103
NL
U kunt een opname maken met de knoppen SHUTTER en 2SEC (de
ontspanknop wordt na 2 seconden losgelaten) op de RMT-DSLR1-
draadloze afstandsbediening (los verkrijgbaar). Raadpleeg ook de
gebruiksaanwijzing van de draadloze afstandsbediening.
Opmerking
Wanneer u op de ontspanknop drukt zonder in de zoeker te kijken, gebruikt u het
zoekerkapje (blz. 24).
Opnamen maken met de draadloze afstandsbediening
1 -knop t (Afstandsbediening)
2 Stel scherp op het onderwerp, richt de zender van de draadloze
afstandsbediening op de sensor van de afstandsbediening en
maak de opname.
NL
104
De weergavefuncties gebruiken
Beelden weergeven
Het laatst opgenomen beeld wordt weergegeven op de LCD-monitor.
Terugkeren naar de opnamestand
Druk nogmaals op de -knop.
Overschakelen op het scherm voor opnamegegevens
Druk op de DISP-knop.
Telkens wanneer u op de DISP-knop drukt, verandert het scherm als volgt.
De beeldrichting kiezen bij de weergave van een beeld dat is opgenomen
in de portretpositie
MENU knop t 1 t [Beeldrotatie] t Selecteer de gewenste
instelling
Opmerking
Wanneer u het beeld weergeeft op een tv of computer, wordt het weergegeven in de
portretpositie, zelfs als [Handm.roteren] is geselecteerd.
1 Druk op de -knop.
-knop
2 Selecteer op de controller een beeld met b/B.
Zonder opname-
informatie
Histogram-
weergave
Met opname-
informatie
De weergavefuncties gebruiken
105
NL
Terugkeren naar het normale weergavescherm
Druk op de -knop.
Opmerking
Als u geroteerde beelden naar een computer kopieert, kunnen de geroteerde beelden
met het softwareprogramma "PMB" op de cd-rom (bijgeleverd) correct worden
weergegeven. Het is echter mogelijk dat de beelden niet worden geroteerd,
afhankelijk van het softwareprogramma.
Een beeld kan worden vergroot om het beter te kunnen bekijken. Dit is
handig om de scherpstelling van een opgenomen beeld te bekijken.
Een beeld roteren
1 Geef het beeld weer dat u wilt
roteren en druk vervolgens op de
-knop.
-knop
2 Druk op het midden van de controller.
Het beeld wordt linksom geroteerd. Herhaal stap 2 als u nog een rotatie wilt
uitvoeren.
Nadat u het beeld hebt geroteerd, wordt het weergegeven in de geroteerde
positie, zelfs wanneer u de voeding uitschakelt.
Beelden vergroten
1 Geef het beeld weer dat u wilt
roteren en druk vervolgens op de
-knop.
-knop
NL
106
De vergrote weergave annuleren
Druk op de -knop om het beeld te laten terugkeren naar de normale
grootte.
Zoombereik
Het weergavezoombereik is als volgt.
2 U kunt in- en uitzoomen op het
beeld met de -knop of -knop.
Draaien aan het instelwiel schakelt het
beeld over op dezelfde
weergavevergroting. Als u meerdere
beelden opneemt met dezelfde
compositie, dan kunt u hun
scherptediepte vergelijken.
-knop
3 Selecteer het deel dat u wilt vergroten met v/V/b/B op de
controller.
Beeldgrootte Zoombereik
L Ongev. ×1,1 – ×14
M Ongev. ×1,1 – ×11
S Ongev. ×1,1 – ×7,2
Overschakelen op de beeldlijstweergave
1 Druk op de -knop.
Het scherm verandert in het
beeldindexscherm.
-knop
De weergavefuncties gebruiken
107
NL
Terugkeren naar het scherm met een enkel beeld
Druk op de -knop of het midden van de controller als u het gewenste
beeld kiest.
Een map selecteren
MENU-knop t 1 t [Diavoorstelling] t [OK]
De opgenomen beelden worden op volgorde weergegeven
(diavoorstelling). De diavoorstelling eindigt automatisch nadat alle beelden
zijn weergegeven.
U kunt volgende en vorige beelden bekijken met b/B op de controller.
De diavoorstelling pauzeren
Druk op het midden van de controller. Wanneer u opnieuw drukt, wordt de
diavoorstelling hervat.
De diavoorstelling middenin beëindigen
Druk op de MENU-knop.
2 Druk een aantal maal op de DISP-
knop om het gewenste
schermformaat te kiezen.
Achtereenvolgens worden de volgende
schermen weergegeven: 9 beelden t 4
beelden
DISP-knop
1Selecteer de mappenbalk met b/B op
de controller en druk vervolgens in het
midden.
2Selecteer de gewenste map met v/V en
druk vervolgens in het midden.
Mappenbalk
Beelden automatisch weergeven (Diavoorstelling)
NL
108
Het interval kiezen tussen de beelden in de diavoorstelling
MENU-knop t 1 t [Diavoorstelling] t [Interval] t
Selecteer het gewenste aantal seconden
Herhaaldelijk afspelen
MENU-knop t 1 t [Diavoorstelling] t [Herhalen] t
[Aan]
De weergavefuncties gebruiken
109
NL
De informatie over opgenomen beelden
controleren
Telkens wanneer u op de DISP-knop drukt, verandert het scherm als volgt
(blz. 104).
Basisopname-informatie
Scherm Indicatie
Geheugenkaart (18)
100-0003 Map - bestandsnummer
(135)
- Beveiligen (112)
DPOF3 DPOF ingesteld (142)
Beeldkwaliteit (119)
Beeldgrootte (118)/
Beeldverhouding (118)
Waarschuwing resterend
accuvermogen (14)
1/125 Sluitertijd (60)
F3.5 Diafragma (58)
ISO200 ISO-gevoeligheid (94)
2009 1 1
10:37AM
Opnamedatum
3/7 Bestandsnummer/totaal
aantal beelden
Waarschuwing Auto
HDR-beeld (90)
Scherm Indicatie
NL
110
A
B
Histogramweergave
Scherm Indicatie
Geheugenkaart (18)
100-0003 Map - bestandsnummer
(135)
- Beveiligen (112)
DPOF3 DPOF ingesteld (142)
Beeldkwaliteit (119)
Beeldgrootte (118)/
Beeldverhouding (118)
Waarschuwing resterend
accuvermogen (14)
Scherm Indicatie
Histogram (111)
P A S M
Functiekeuzeknop (47 –
67)
1/125 Sluitertijd (60)
F3.5 Diafragma (58)
ISO200 ISO-gevoeligheid (94)
–0.3 Belichtingscompensatie
(85)
–0.3 Flitscompensatie (86)
Lichtmeetfunctie (88)
35mm Brandpuntsafstand (148)
Instellingen (92)
AWB +1
5500K M1
Witbalans (Automatisch,
Vooringesteld,
Kleurtemperatuur,
Kleurfilter, Eigen) (95)
Dynamisch-
bereikoptimalisatie (89)/
Auto HDR/
Waarschuwing Auto
HDR-beeld (90)
2009 1 1
10:37AM
Opnamedatum
3/7 Bestandsnummer/totaal
aantal beelden
Scherm Indicatie
De weergavefuncties gebruiken
111
NL
Hoe u het histogram kunt controleren
Het histogram geeft de
luminantieverdeling weer die aangeeft
hoeveel pixels van een bepaalde
helderheid er voorkomen in het beeld.
Druk als u het histogram wilt weergeven,
op de DISP-knop (bladzijde 34 en 104).
Als het beeld een sterk belicht of zwak
belicht deel bevat, knippert dat deel van
het beeld in de histogramweergave
(luminantielimietwaarschuwing).
Door de belichtingscompensatie wordt
het histogram dienovereenkomstig
veranderd. De illustratie rechts is een
voorbeeld.
Een opname maken met de
belichtingscompensatie aan de positieve
zijde, verheldert het volledige beeld, zodat
het volledige histogram naar de heldere
zijde (rechterzijde) verschuift. Als u
opneemt met de belichtingscompensatie
toegepast aan de negatieve kant, zal het
histogram naar de andere kant verschuiven.
Beide uiteinden van het histogram geven
sterk en zwak belichte delen weer. Het is
onmogelijk om deze gebieden later met
een computer te herstellen. Pas zo nodig
de belichting aan en neem de opname
nogmaals.
Aantal pixels
Donker Licht
Luminantie
R (rood)
G (groen)
B (blauw)
Knipperend
NL
112
Beelden beveiligen (Beveiligen)
U kunt afbeeldingen beschermen tegen het per ongeluk wissen.
Geselecteerde beelden beveiligen/de beveiliging van
geselecteerde beelden annuleren
1 MENU-knop t 1 t [Beveiligen] t [Gemark.beelden]
2 Selecteer de beelden die u wilt
beveiligen met b/B op de
controller en druk dan op het
midden van de controller.
De markering - wordt op het
geselecteerde beeld afgebeeld.
Om de selectie ongedaan te maken,
drukt u opnieuw op het midden.
3 Als u nog andere beelden wilt beveiligen, herhaalt u stap 2.
4 Druk op de MENU-knop.
5 Selecteer [OK] met v en druk vervolgens op het midden van de
controller.
-
De weergavefuncties gebruiken
113
NL
Beelden wissen (Wissen)
Als u eenmaal een beeld hebt gewist, kunt u dit niet herstellen. Controleer
vooraf of u het beeld al dan niet wilt wissen.
Opmerking
Beveiligde beelden kunnen niet worden gewist.
Het beeld wissen dat wordt weergegeven
1 Geef het beeld weer dat u wilt
wissen en druk vervolgens op de
-knop.
-knop
2 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden
van de controller.
Hiermee worden de geselecteerde beelden gewist
1 MENU-knop t 1 t [Wissen] t [Gemark.beelden]
2 Selecteer met de controller de
beelden die u wilt wissen, en druk
dan op het midden van de
controller.
De markering wordt op het
geselecteerde beeld afgebeeld.
Totaal aantal
3 Als u nog andere beelden wilt wissen, herhaalt u stap 2.
4 Druk op de MENU-knop.
NL
114
MENU-knop t 1 t [Wissen] t [Alle beelden] t [Wissen]
Opmerking
Het kan lang duren voordat veel beelden gewist zijn als deze zijn geselecteerd met
[Alle beelden]. We raden u aan beelden te wissen op een computer of met de camera
de geheugenkaart te formatteren.
5 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden
van de controller.
Alle beelden in de map wissen
1 Druk op de -knop.
2 Selecteer de mappenbalk met b
op de controller.
Mappenbalk
3 Druk op het midden van de controller, en selecteer vervolgens
de map die u wilt wissen met v/V.
4 Druk op de -knop.
5 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden
van de controller.
Het in één keer verwijderen van alle afbeeldingen
De weergavefuncties gebruiken
115
NL
Beelden bekijken op een tv-scherm
Als u de beelden die u met de camera hebt gemaakt, op een tv wilt
bekijken, hebt u een HDMI-kabel (los verkrijgbaar) en een HD-tv met
HDMI-aansluiting nodig.
Opmerkingen
Gebruik een HDMI-kabel met het HDMI-logo.
Gebruik een HDMI-mini-aansluiting aan het ene uiteinde (voor de camera) en een
aansluiting die geschikt is voor de aansluiting op uw tv aan het andere uiteinde.
1 Schakel zowel de camera als de
tv uit, en sluit de camera en de tv
op elkaar aan.
2 Schakel de tv in en wijzig de ingang.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bijgeleverd bij de tv voor meer informatie.
3 Schakel de camera in.
De beelden die met de camera zijn
opgenomen, worden op het tv-scherm
afgebeeld.
Selecteer de gewenste beelden met b/B
op de controller.
De LCD-monitor op de camera wordt
niet ingeschakeld.
Controller
1 Naar de HDMI-
aansluiting
HDMI-kabel
(los verkrijgbaar)
2 Naar de
HDMI-aansluiting
NL
116
Als u uw camera met een HDMI-kabel aansluit op een Sony tv die compatibel is met
VIDEO-A, stelt de tv automatisch de juiste beeldkwaliteit in voor het weergeven van
stilstaande beelden. Raadpleeg de bedieningsinstructies van Sony's tv die compatibel
is met VIDEO-A voor meer informatie.
Sommige apparaten zullen mogelijk niet correct werken.
Sluit de uitgang van het apparaat niet aan op de HDMI-aansluiting op de camera. Dit
kan een storing veroorzaken.
Op "PhotoTV HD"
Deze camera is compatibel met de norm "PhotoTV HD".
Door apparaten die compatibel zijn met PhotoTV HD van Sony aan te
sluiten met een HDMI-kabel, kunt u genieten van een compleet nieuwe
wereld van foto's in adembenemende Full HD-kwaliteit.
"PhotoTV HD" biedt een zeer gedetailleerde, fotogetrouwe uitdrukking van
subtiele patronen en kleuren.
Uw camera in het buitenland gebruiken
De camera neemt automatisch het kleursysteem waar dat overeenkomt met
het aangesloten videoapparaat.
Over tv-kleursystemen
Als u beelden wilt bekijken op een televisiescherm, hebt u een televisie met
een video-ingangsaansluiting en een videokabel nodig. Het kleursysteem
van de tv moet overeenstemmen met dat van uw digitale fotocamera.
Raadpleeg de onderstaande lijsten voor het tv-kleursysteem van het land of
gebied waarin u de camera gebruikt.
NTSC-systeem
Bahama-eilanden, Bolivia, Canada, Chili, Colombia, Ecuador, Filippijnen, Jamaica,
Japan, Korea, Mexico, Midden-Amerika, Peru, Suriname, Taiwan, Venezuela,
Verenigde Staten, enz.
PAL-systeem
Australië, België, China, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Hongkong,
Italië, Koeweit, Maleisië, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen,
Portugal, Singapore, Slowakije, Spanje, Thailand, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk,
Zweden, Zwitserland, enz.
PAL-M-systeem
Brazilië
De weergavefuncties gebruiken
117
NL
PAL-N-systeem
Argentinië, Paraguay, Uruguay
SECAM-systeem
Bulgarije, Frankrijk, Guyana, Irak, Iran, Monaco, Oekraïne, Rusland, enz.
Wanneer u de camera met een HDMI-kabel aansluit op een tv die
"BRAVIA" Sync ondersteunt, kunt u de camera bedienen met de
afstandsbediening van de tv.
Onderdelen in het koppelingsmenu
Opmerkingen
De beschikbare bewerkingen zijn beperkt als de camera met een HDMI-kabel op een
tv is aangesloten.
Alleen op tv's die "BRAVIA" Sync ondersteunen, kunnen deze bewerkingen worden
gebruikt. Raadpleeg de bij de tv geleverde gebruiksaanwijzing voor meer informatie.
Als de camera onnodige bewerkingen uitvoert als reactie op de afstandsbediening
van de tv als de camera met een HDMI-aansluiting op een tv van een andere
fabrikant is aangesloten, stelt u [CTRL.VOOR HDMI] in het menu Instellingen
in op [Uit].
Gebruik van "BRAVIA" Sync
1 Sluit een tv die "BRAVIA" Sync ondersteunt, op de camera aan
(blz. 115).
Het ingangssignaal wordt automatisch omgeschakeld en het beeld dat met de
camera is opgenomen, verschijnt op het tv-scherm.
2 Druk op de LINK MENU-knop op de afstandsbediening van de tv.
3 U kunt de bedieningsknop op de afstandsbediening van de tv
gebruiken.
Diavoorstelling Hiermee speelt u beelden automatisch af (blz. 107).
Eén beeld afspelen U keert terug naar het scherm met een enkel beeld.
Beeldindex Hiermee schakelt u naar het beeldindexscherm.
Wissen Hiermee selecteert u de methode voor verwijdering van
beelden voor één beeld of alle beelden (blz. 113).
NL
118
Uw instellingen wijzigen
De beeldgrootte en de beeldkwaliteit instellen
MENU-knop t 1 t [Beeldgrootte] t Selecteer de
gewenste grootte
[Beeldverhoud.]: [3:2]
[Beeldverhoud.]: [16:9]
Opmerking
Wanneer u een RAW-beeld selecteert met [Kwaliteit], komt de beeldgrootte van het RAW-
beeld overeen met L. De beeldgrootte wordt niet weergegeven op de LCD-monitor.
MENU-knop t 1 t [Beeldverhoud.] t Selecteer de
gewenste beeldverhouding
Beeldgrootte
L:14M 4592 × 3056 pixels
M:7.4M 3344 × 2224 pixels
S:3.5M 2288 × 1520 pixels
L:12M 4592 × 2576 pixels
M:6.3M 3344 × 1872 pixels
S:2.9M 2288 × 1280 pixels
Beeldverhoud.
3:2 Een normale beeldverhouding.
16:9 Een HDTV-verhouding.
Uw instellingen wijzigen
119
NL
MENU knop t 1 t [Kwaliteit] t Selecteer de gewenste
instelling
Opmerking
Zie bladzijde 25 voor meer informatie over het aantal beelden dat kan worden
opgenomen wanneer de beeldkwaliteit wordt veranderd.
Over RAW-beelden
U hebt het softwareprogramma "Image Data Converter SR" nodig dat op de cd-rom
(bijgeleverd) staat om een RAW-beeld te kunnen openen dat op deze camera is
opgenomen. Met behulp van dit softwareprogramma kan een RAW-beeld worden
geopend en geconverteerd naar een veelgebruikt bestandsformaat, zoals JPEG of TIFF,
en kunnen de witbalans, de kleurverzadiging, het contrast, enz., worden veranderd.
Het RAW-beeld kan niet worden afgedrukt op een DPOF-printer of een PictBridge-
compatibele printer.
U kunt [Auto HDR] niet instellen op beelden in RAW-formaat.
Kwaliteit
(RAW) Bestandsformaat: RAW (Gegevens met het RAW-
compressieformaat.)
Bij deze bestandsindeling wordt geen digitale verwerking op
de beelden uitgevoerd. Selecteer dit formaat om beelden op
een computer te verwerken voor professionele doelen.
Het beeldformaat ligt vast op het maximale formaat. Het
beeldformaat wordt niet weergegeven op de LCD-monitor.
(RAW &
JPEG)
Bestandsformaat: RAW (Gegevens met het RAW-
compressieformaat.) + JPEG
Het RAW-beeld en het JPEG-beeld worden tegelijkertijd
gemaakt. Dit is handig wanneer u twee beeldbestanden nodig
hebt: een JPEG-bestand om weer te geven en een RAW-
bestand om te bewerken.
De beeldkwaliteit is vastgelegd op [Fijn] en de beeldgrootte
is vastgelegd op [L].
(Fijn) Bestandsformaat: JPEG
Het beeld wordt bij de opname gecomprimeerd in het JPEG-
bestandsformaat. Omdat de compressieverhouding van
(Standaard) hoger is dan die van (Fijn), is de
bestandsgrootte van kleiner dan die van .
Hierdoor kunnen meer bestanden worden opgenomen op een
geheugenkaart, maar zal de beeldkwaliteit lager zijn.
(Standaard)
NL
120
De methode voor opnemen op een
geheugenkaart instellen
MENU knop t 2 t [Bestandsnummer] t Selecteer de
gewenste instelling
De opgenomen beelden worden opgeslagen in de automatisch gemaakte
mappen in de map DCIM op de geheugenkaart.
MENU knop t 2 t [Mapnaam] t Selecteer de gewenste
instelling
De methode kiezen waarmee bestandsnummers worden
toegekend aan beelden
Serie De camera zet de nummers niet op volgorde terug en kent
opeenvolgende nummers aan bestanden toe totdat het
nummer "9999" wordt bereikt.
Terugstellen In de volgende gevallen worden door de camera nummers
teruggezet op de beginwaarde en vanaf "0001" aan bestanden
toegekend. Als de opnamemap een bestand bevat, wordt een
nummer hoger dan het hoogste reeds toegekende nummer
toegewezen.
Als het mapformaat is gewijzigd.
Als alle beelden in de map zijn gewist.
Als de geheugenkaart is vervangen.
Als de geheugenkaart is geformatteerd.
Het formaat van de mapnaam selecteren
Standaardform. Het formaat van de mapnaam is als volgt: mapnummer +
MSDCF.
Voorbeeld: 100MSDCF
Datumformaat Het formaat van de mapnaam is als volgt: mapnummer + J
(laatste cijfer)/MM/DD.
Voorbeeld: 10090405 (Mapnaam: 100, datum: 04/05/2009)
Uw instellingen wijzigen
121
NL
U kunt op de geheugenkaart een map maken voor het opnemen van
afbeeldingen.
Een nieuwe map wordt aangemaakt met een nummer dat een eenheid hoger
is dan het hoogste nummer dat reeds in gebruik is, en de map wordt de
huidige opnamemap.
MENU-knop t 2 t [Nieuwe map]
Als het standaardformaat voor de mapnaam is geselecteerd en er twee of
meer mappen bestaan, kunt u de opnamemap selecteren die moet worden
gebruikt om opgenomen beelden in op te slaan.
MENU-knop t 2 t [Map kiezen] t Selecteer de gewenste
map
Opmerking
U kunt de map niet selecteren wanneer u de instelling [Datumformaat] selecteert.
Vergeet niet dat het formatteren alle gegevens op de geheugenkaart
onherstelbaar zal wissen, inclusief de beveiligde beelden.
MENU-knop t 1 t [Formatteren] t [OK]
Opmerkingen
Tijdens het formatteren brandt het toegangslampje. Terwijl het lampje brandt, mag u
de geheugenkaart niet verwijderen.
Formatteer de geheugenkaart in de camera. Als u de geheugenkaart op een computer
formatteert, is het mogelijk dat niet in deze camera gebruikt kan worden, afhankelijk
van het type formattering dat is uitgevoerd.
Formatteren kan afhankelijk van de geheugenkaart een aantal minuten in beslag
nemen.
Een nieuwe map maken
De opnamemap selecteren
De geheugenkaart formatteren
NL
122
De instelling voor ruisonderdrukking
wijzigen
De ruisonderdrukking wordt ingeschakeld voor de duur dat de sluiter open
is als u de sluitertijd instelt op een seconde of langer (opname met lange
belichting).
Dit gebeurt om de korrelige ruis die typisch is voor een lange belichting, te
verminderen. Er wordt een bericht weergegeven als de ruisonderdrukking
in voortgang is, en u kunt dan geen nieuwe foto's nemen. Selecteer [Aan]
om de prioriteit voor de beeldkwaliteit aan te geven. Selecteer [Uit] om de
prioriteit voor de opnametiming aan te geven.
MENU-knop t 2 t [NR lang-belicht] t [Uit]
Opmerkingen
De ruisonderdrukking wordt niet uitgevoerd bij continue opnamen of continue
bracket-opnamen, zelfs wanneer deze functie is ingesteld op [Aan].
Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, kunt
u de ruisonderdrukking niet uitschakelen.
Als er opnamen worden gemaakt met de ISO-gevoeligheid ingesteld op
1600, verlaagt de camera ruis die opvalt als de gevoeligheid van de camera
hoger is.
Selecteer [Hoog] om de prioriteit voor de beeldkwaliteit aan te geven.
Selecteer [Normaal] om de prioriteit voor de opnametiming aan te geven.
MENU-knop t 2 t [NR bij hoge-ISO] t Selecteer de
gewenste instelling
Opmerking
[Normaal] wordt automatisch geselecteerd voor continue opnamen of continu
bracketopnamen, zelfs als u de instelling [Hoog] kiest.
Ruisonderdrukking uitschakelen tijdens opnamen met een
lange belichtingstijd
De ruisonderdrukking instellen bij instellingen met een
hoge ISO-gevoeligheid
Uw instellingen wijzigen
123
NL
De functie van de AEL-knop wijzigen
De functie van de AEL-knop kan worden geselecteerd uit de volgende twee
functies:
Behoud de vergrendelde belichtingswaarde door op de AEL-knop te
drukken terwijl de knop ingedrukt wordt gehouden ([AEL-vergrendel]).
Behoud de vergrendelde belichtingswaarde door op de AEL-knop te
drukken tot de knop nogmaals wordt ingedrukt ([AEL-wisselen]).
MENU knop t 1 t [AEL-knop] t Selecteer de gewenste
instelling
Opmerkingen
Terwijl de belichtingswaarde vergrendeld is, wordt afgebeeld op de LCD-
monitor en in de zoeker. Zorg ervoor dat u de instelling niet terugzet.
De instellingen "AF vastzetten" en "AF/MF wisselen" beïnvloeden de handmatige
verschuiving (blz. 65) in de handmatige belichtingsfunctie.
De bediening van de AEL-knop wijzigen
NL
124
Andere instellingen wijzigen
U kunt het geluid selecteren dat wordt voortgebracht wanneer de sluiter
wordt vergrendeld, tijdens het aftellen van de zelfontspanner, enz.
MENU knop t 2 t [Audiosignalen] t Selecteer de
gewenste instelling
U kunt het Help-scherm dat wordt weergegeven tijdens de bediening van
de camera, uitschakelen. Dit is handig wanneer u de volgende bewerking
snel wilt uitvoeren.
MENU-knop t 1 t [Help-scherm] t [Uit]
U kunt verschillende tijdsintervallen voor de camera instellen om over te
schakelen naar de stroombesparing (Stroombesparing). Door de
ontspanknop halverwege in te drukken, keert de camera terug naar de
opnamefunctie.
MENU-knop t 1 t [Stroombesp.(OVF)] t Selecteer de
gewenste tijd
Opmerkingen
Ongeacht de instelling die u hier hebt geselecteerd, gaat de camera na 30 minuten
naar de spaarstand wanneer de camera op een tv is aangesloten, of de
transportfunctie wordt ingesteld op (Afstandsbediening).
Stel [Stroombesp. (LV)] in wanneer u de handmatige scherpstellingscontrole Live
View gebruikt.
MENU-knop t 1 t [ Taal] t Selecteer de taal
Het geluid aan-/uitzetten
Het Help-scherm verwijderen
De tijdsduur instellen waarna de camera in de spaarstand
moet worden gezet
De taal selecteren
Uw instellingen wijzigen
125
NL
De LCD-monitor instellen
MENU-knop t 1 t [LCD-helderheid] t Selecteer de
gewenste instelling
U kunt het opgenomen beeld direct na de opname ervan controleren op de
LCD-monitor. U kunt de weergaveduur veranderen.
MENU knop t 1 t [Autom.weergave] t Selecteer de
gewenste instelling
Opmerking
In de automatische weergave wordt het beeld niet in de verticale positie
weergegeven, zelfs niet als [Beeldrotatie] wordt ingesteld op [Autom.roteren]
(blz. 104).
De helderheid van de LCD-monitor handmatig instellen
De weergegeven tijd van het beeld direct na de opname
ervan instellen (Automatische weergave)
NL
126
In de standaardinstelling wordt, terwijl u in de zoeker kijkt, de LCD-
monitor uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu leegloopt.
Selecteer [Uit] als u wilt dat de LCD-monitor aangezet wordt als u in de
zoeker kijkt.
MENU-knop t 1 t [Autom.uitsch.] t [Uit]
U kunt selecteren of de rasterlijn al dan niet wordt weergegeven in de stand
handmatige scherpstellingscontrole Live View (blz. 75).
MENU knop t 1 t [Stramienlijn] t Selecteer de gewenste
instelling
De LCD-monitor aanhouden terwijl u in de zoeker kijkt
De stramienlijn in-/uitschakelen
Uw instellingen wijzigen
127
NL
De versie van de camera controleren
Hiermee geeft u de versie van uw camera weer. Controleer de versie
wanneer er een firmware-update uitkomt.
MENU-knop t 3 t [Versie]
Opmerking
Een update kan alleen worden uitgevoerd wanneer het accuniveau (drie
resterende accupictogrammen) of meer is. We raden u aan de accu voldoende op te
laden of een AC-PW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar) te gebruiken.
De versie weergeven
NL
128
Op de standaardinstellingen terugstellen
U kunt de belangrijkste instellingen van de camera terugstellen.
MENU-knop t 3 t [Terugstellen] t [OK]
De volgende items kunnen worden teruggezet.
Menu Opname
Onderdelen Terugstellen op
Belichtingscompensatie (85) ±0.0
Opname-informatie (35) Grafische weergave
Weergavescherm (104) Enkelbeeldweergavescherm (met
opname-informatie)
Transportfunctie (99) Enkelbeeldopname
Flitsfunctie (80) Invulflits (verschilt naargelang de
ingebouwde flitser open is of niet)
Autom. scherpst. (72) AF-A
AF-gebied (73) Breed
ISO (94) AUTO
Lichtmeetfunctie (88) Meervelds
Flitscompens. (86) ±0.0
Witbalans (95) AWB (automatische witbalans)
Kleurtemperatuur/Kleurfilter (96) 5500K, Kleurfilter 0
Eigen witbalans (97) 5500K
DRO/Auto HDR (89) DRO Automatisch
Instellingen (92) Standaard
Onderdelen Terugstellen op
Beeldgrootte (118) L:14M
Beeldverhoud. (118) 3:2
Kwaliteit (119) Fijn
Flitsregeling (87) ADI-flits
AF-hulplicht (82) Automatisch
SteadyShot (45) Aan
Kleurenruimte (93) sRGB
NR lang-belicht (122) Aan
Uw instellingen wijzigen
129
NL
Menu Eigen Instellingen
Menu Weergave
Menu Instellingen
NR bij hoge-ISO (122) Normaal
Onderdelen Terugstellen op
Eye-Start AF (70) Aan
AEL-knop (123) AEL-vergrendel
Rode-ogen-verm. (82) Uit
Autom.weergave (125) 2 sec.
Autom.uitsch. (126) Aan
Stramienlijn (126) Aan
Onderdelen Terugstellen op
Printen opgeven – Datum afdruk. (143) Uit
Diavoorstelling – Interval (107) 3 sec.
Diavoorstelling – Herhalen (107) Uit
Beeldrotatie (104) Autom.roteren
Onderdelen Terugstellen op
LCD-helderheid (125) ±0
Stroombesp. (LV) (124) 20 sec.
Stroombesp.(OVF) (124) 10 sec.
CTRL.VOOR HDMI (117) Aan
Help-scherm (124) Aan
Bestandsnummer (120) Serie
Mapnaam (120) Standaardform.
USB-verbinding (131, 144) Massaopslag
Audiosignalen (124) Aan
Onderdelen Terugstellen op
NL
130
Beelden bekijken op uw computer
Met uw computer
In dit deel wordt beschreven hoe u beelden op een geheugenkaart kunt
kopiëren naar een computer die is aangesloten met een USB-kabel.
Een computer die op de camera wordt aangesloten dient aan de volgende
vereisten te voldoen om beelden te importeren.
x Windows
Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*
1
SP3/
Windows Vista*
2
SP2/Windows 7
De juiste werking kan niet worden gegarandeerd in een
computeromgeving die is opgewaardeerd tot een van de bovenstaande
besturingssystemen of in een computeromgeving met meerdere
besturingssystemen (multi-boot).
*1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund.
*2 Starterseditie wordt niet ondersteund.
USB-aansluiting: Standaard geleverd
x Macintosh
Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Mac OS X (v10.4, 10.5, 10.6)
USB-aansluiting: Standaard geleverd
Opmerkingen over het aansluiten van uw camera op een computer
Een behoorlijke werking kanniet worden gegarandeerd voor alle bovenstaande
aanbevolen computeromgevingen.
Als u twee of meer USB-apparaten tegelijkertijd op een computer aansluit, is het
mogelijk dat sommige apparaten, waaronder ook uw camera, niet zullen werken
afhankelijk van het type USB-apparaat dat is aangesloten.
Bij gebruik van een USB-hub of een verlengkabel kan er geen juiste werking worden
gegarandeerd.
Deze camera is compatibel met Hi-Speed USB (USB 2.0-compatibel), zodat
wanneer u uw camera aansluit op een computer via een USB-interface die ook
compatibel is met Hi-Speed USB (USB 2.0-compatibel), u gebruik kunt maken van
geavanceerde gegevensoverdracht (snelle overdracht).
Wanneer de computer ontwaakt uit de waak- of slaapstand, is het mogelijk dat de
communicatie tussen uw camera en uw computer zich niet op hetzelfde moment herstelt.
Aanbevolen computeromgeving
Beelden bekijken op uw computer
131
NL
Fase 1: De camera en de computer op elkaar aansluiten
1 Plaats een geheugenkaart met de opgenomen beelden in de
camera.
2 Selecteer met de geheugenkaartschakelaar het type
geheugenkaart waarvan u beelden wilt kopiëren.
3 Plaats een voldoende opgeladen accu in de camera of sluit de
camera aan op een stopcontact met behulp van de
netspanningsadapter (los verkrijgbaar).
Als u beelden naar de computer kopieert terwijl de accu onvoldoende is
opgeladen, kan het kopiëren mislukken of kunnen de beeldgegevens
beschadigd raken wanneer de accu voortijdig leeg raakt.
4 Schakel de camera en de computer in.
5 Controleer of [USB-verbinding] in 2 is ingesteld op
[Massaopslag].
6 Sluit de camera en de computer
op elkaar aan.
De wizard Automatische weergave wordt
op het bureaublad weergegeven.
1 Naar de USB-aansluiting
USB-kabel
2 Naar de
USB-aansluiting
NL
132
Voor Windows
Dit gedeelte beschrijft een voorbeeld van het kopiëren van beelden naar de
map "Documenten" (voor Windows XP: "Mijn documenten").
Wanneer u de bijgeleverde "PMB"-software gebruikt, kunt u gemakkelijk
beelden kopiëren (blz. 137).
Fase 2: Beelden kopiëren naar een computer
1 Klik op [Map openen en
bestanden weergeven] (voor
Windows XP: [Map openen en
bestanden weergeven] t [OK])
als het wizardscherm automatisch
verschijnt op het bureaublad.
Als het wizardscherm niet verschijnt,
klikt u op [Computer] (voor Windows
XP: [Deze computer]) t
[Verwisselbare schijf].
2 Dubbelklik op [DCIM].
3 Dubbelklik op de map waarin de
beeldbestanden die u wilt
kopiëren, zijn opgeslagen.
Geef daarna het menu weer door
met de rechtermuisknop op een
beeldbestand te klikken en klik op
[Kopiëren].
Zie bladzijde 135 voor verdere
informatie over de opslagbestemming
van de beeldbestanden.
Beelden bekijken op uw computer
133
NL
Voor Macintosh
4 Dubbelklik op de map
[Documenten]. Klik daarna met
de rechtermuisknop op het
venster "Documenten" om het
menu weer te geven en klik op
[Plakken].
De beeldbestanden worden gekopieerd
naar de map "Documenten".
Als in de bestemmingsmap al een beeld
met dezelfde bestandsnaam zit, wordt
een bevestigingsmelding voor het
overschrijven afgebeeld. Wanneer u het
bestaande beeld overschrijft met een
nieuw beeld, wordt het oorspronkelijke
bestand gewist. Als u het beeldbestand
naar de computer wilt kopiëren zonder
een bestaand, gelijknamig beeldbestand
te overschrijven, verandert u eerst de
bestandsnaam in een andere naam en
kopieert u daarna het beeldbestand. Als
u de bestandsnaam echter verandert, zal
dat beeld mogelijk niet meer kunnen
worden weergeven met de camera
(blz. 135).
1 Dubbelklik op het nieuw herkende pictogram t [DCIM] t de
map waarin de beelden die u wilt kopiëren, zijn opgeslagen.
2 Sleep de beeldbestanden naar het pictogram van de vaste
schijf.
De beeldbestanden worden naar de vaste schijf gekopieerd.
NL
134
Voor Windows
1Klik op [start] t [Documenten] (Voor Windows XP: [Mijn
documenten]).
Wanneer u RAW-beelden wilt bekijken, hebt u de bijgeleverde software "Image
Data Converter SR" nodig (blz. 140).
2Dubbelklik op het gewenste beeldbestand.
Het beeld wordt weergegeven.
Voor Macintosh
Dubbelklik op het pictogram van de vaste schijf t het gewenste
beeldbestand om het te openen.
Voer vooraf elke procedure voor Windows of Macintosh die hieronder
wordt vermeld, uit wanneer u:
De USB-kabel loskoppelt.
De geheugenkaart verwijdert.
De camera uitschakelt.
x Voor Windows
Dubbelklik op in de taakbalk en klik vervolgens op (USB-apparaat
voor massaopslag) t [Stoppen]. Controleer of het juiste apparaat wordt
aangegeven in het bevestigingsvenster en klik op [OK].
Het apparaat wordt ontkoppeld.
x Voor Macintosh
Sleep het pictogram van de schijf of van de geheugenkaart naar
het pictogram "Prullenbak".
De camera is losgekoppeld van de computer.
Beelden bekijken op uw computer
De USB-verbinding verwijderen
Beelden bekijken op uw computer
135
NL
De beeldbestanden die met de camera zijn opgenomen, worden
gegroepeerd in mappen op de geheugenkaart.
Voorbeeld: mappen weergeven in Windows Vista
Dit gedeelte beschrijft als voorbeeld de bediening op een Windows-
computer. Als de bestandsnaam niet is veranderd, kunt u stap 1 overslaan.
Wanneer u de bijgeleverde "PMB"-software gebruikt, kunt u gemakkelijk
beelden kopiëren (blz. 137).
Opslagbestemmingen beeldbestanden en bestandsnamen
AMappen met beeldgegevens die met deze
camera zijn opgenomen. (De eerste drie
cijfers staan voor het mapnummer.)
BU kunt een map maken in het datumformaat
(blz. 120).
U kunt geen beelden opnemen/weergeven in
de map "MISC".
De naam van beeldbestanden is als volgt
opgebouwd. ssss (bestandsnummer)
staat voor elk willekeurig nummer binnen het
bereik van 0001 tot 9999. Het numerieke deel
van de naam van een bestand met RAW-
gegevens en het bijbehorende JPEG-bestand
zijn hetzelfde.
– JPEG-bestanden: DSC0ssss.JPG
– JPEG-bestanden (Adobe RGB):
_DSCssss.JPG
– RAW-gegevensbestanden (anders dan
Adobe RGB): DSC0ssss.ARW
– RAW-gegevensbestanden (Adobe RGB):
_DSCssss.ARW
Het is mogelijk dat de extensie niet wordt
afgebeeld, afhankelijk van de computer.
Beelden die op een computer zijn opgeslagen, kopiëren
naar een geheugenkaart en de beelden weergeven
NL
136
Opmerkingen
Afhankelijk van het beeldformaat kan het onmogelijk zijn bepaalde beelden weer te geven.
Wanneer een beeldbestand is bewerkt door een computer of wanneer het
beeldbestand werd opgenomen op een ander model dan dat van uw camera, kan het
weergeven van het beeldbestand op uw camera niet gegarandeerd worden.
Als er geen map is, maakt u eerst een nieuwe map aan met uw camera (blz. 121) en
kopieert u daarna het beeldbestand.
1 Klik met de rechtermuisknop op
het beeldbestand en klik daarna
op [Naam wijzigen]. Verander de
bestandsnaam in
"DSC0ssss".
Geef een nummer op van 0001 tot 9999
voor ssss.
Als de bevestigingsmelding voor
overschrijven wordt afgebeeld, moet u
een ander nummer invoeren.
De bestandsextensie kan worden
afgebeeld, afhankelijk van de instelling
van de computer. De extensie van
beelden is JPG. U mag de
bestandsextensie niet veranderen.
2 Kopieer het beeldbestand naar de
map op de geheugenkaart volgens
de onderstaande procedure.
1 Klik met de rechtermuisknop op het
beeldbestand en klik daarna op
[Kopiëren].
2 Dubbelklik op [Verwisselbare schijf]
in [Computer] (voor Windows XP:
[Deze computer]).
3 Klik met de rechtermuisknop op de
map [sssMSDCF] in de map
[DCIM] en klik dan op [Plakken].
sss staat voor elk willekeurig
nummer tussen 100 en 999.
Beelden bekijken op uw computer
137
NL
De software gebruiken
Om beelden te gebruiken die met de camera zijn opgenomen, is de
volgende software voorzien:
Sony Image Data Suite
"Image Data Converter SR"
"Image Data Lightbox SR"
Sony Picture Utility
"PMB" (Picture Motion Browser)
Opmerking
"PMB" is niet compatibel met Macintosh-computers.
Aanbevolen computeromgeving
x Windows
Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "Image Data Converter SR
Ver.3"/"Image Data Lightbox SR"
Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*
1
SP3/
Windows Vista*
2
SP2/Windows 7*
2
*1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund.
*2 Starterseditie wordt niet ondersteund.
CPU/geheugen: Pentium 4 of sneller wordt aanbevolen, RAM 1 GB of
meer wordt aanbevolen.
Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer
Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "PMB"
Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*
1
SP3/
Windows Vista*
2
SP2/Windows 7*
2
*1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund. Windows
Image Mastering API (IMAPI) Ver. 2.0 of hoger is vereist als u een disk
wilt aanmaken. U kunt alleen het IMAPI-installatieprogramma
downloaden, als u een internetverbinding hebt.
*2 Starterseditie wordt niet ondersteund.
CPU/geheugen: Pentium III 500 MHz of sneller, 256 MB RAM of meer
(aanbevolen: Pentium III 800 MHz of sneller en 512 MB RAM of meer)
Vaste schijf: vrije schijfruimte benodigd voor installatie—500 MB of meer
Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer
NL
138
x Macintosh
Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "Image Data Converter SR
Ver.3"/"Image Data Lightbox SR"
Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Mac OS X (v10.4, 10.5)
CPU: Power PC G4/G5-serie (1,0 GHz of sneller aanbevolen)/Intel Core
Solo/Core Duo/Core 2 Duo of sneller
Geheugen: 1 GB of meer wordt aanbevolen.
Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer
x Windows
Meld aan als beheerder.
De software installeren
1 Schakel de computer in en plaats
de cd-rom (bijgeleverd) in het cd-
rom-station.
Het scherm met het installatiemenu wordt
weergegeven.
Als het niet verschijnt, dubbelklikt u op
[Computer] (Voor Windows XP: [Deze
computer]) t (SONYPICTUTIL)
t [Install.exe].
Onder Windows Vista is het mogelijk
dat het AutoPlay-scherm verschijnt.
Selecteer "Install.exe uitvoeren" en
volg de instructies die op het scherm
verschijnen om door te gaan met de
installatie.
2 Klik op [Installeren].
Controleer of zowel "Sony Image Data Suite" en "Sony Picture Utility" zijn
aangevinkt en volg de instructies op het scherm.
Beelden bekijken op uw computer
139
NL
x Macintosh
Meld aan als beheerder.
Opmerking
Wanneer het bericht ter bevestiging voor opnieuw opstarten verschijnt, start u de
computer opnieuw op aan de hand van de aanwijzingen op het scherm.
3 Verwijder de cd-rom nadat de installatie is voltooid.
De volgende software is geïnstalleerd en er verschijnen pictogrammen op het
bureaublad.
Sony Image Data Suite
"Image Data Converter SR"
"Image Data Lightbox SR"
Sony Picture Utility
"PMB"
"Gids voor PMB"
1 Schakel uw Macintosh -computer in en plaats de cd-rom
(bijgeleverd) in het cd-rom-station.
2 Dubbelklik op het pictogram van de cd-rom.
3 Kopieer het bestand [IDS_INST.pkg] in de map [MAC] naar het
pictogram van de vaste schijf.
4 Dubbelklik op het bestand [IDS_INST.pkg] in de
kopieerbestemmingsmap.
Volg de aanwijzingen op het scherm om het installeren te voltooien.
NL
140
Opmerking
Als u een beeld opslaat als RAW-gegevens, wordt het beeld opgeslagen in het
ARW2.1-formaat.
Met "Image Data Converter SR" kunt u:
Beelden, opgenomen in het RAW-formaat, bewerken door verschillende
correcties toe te passen, zoals tooncurve en beeldscherpte.
Beelden aanpassen met witbalans, belichting en instellingen enzovoort.
De weergegeven beelden opslaan en op een computer bewerken. U kunt
het beeld opslaan als RAW-bestand of in de algemene bestandsindeling.
Meer informatie over "Image Data Converter SR" vindt u in de Help.
Klik om de Help te starten op [start] t [Alle programma's] t [Sony
Image Data Suite] t [Help] t [Image Data Converter SR Ver.3].
De informatie over ondersteuning voor de "Sony Image Data Suite" (alleen
in het Engels):
http://www.sony.co.jp/ids-se/
Met "Image Data Lightbox SR" kunt u:
RAW/JPEG-beelden die met deze camera zijn opgenomen, weergeven en
vergelijken.
De beelden een beoordeling geven op een schaal van 5.
Instellen van kleurlabels enzovoort.
Geef een beeld weer met "Image Data Converter SR" en breng
aanpassingen in het beeld aan.
Meer informatie over "Image Data Lightbox SR" vindt u in de Help.
Klik voor het opstarten van de Help vanuit het menu start op [start] t
[Alle programma's] t [Sony Image Data Suite] t [Help] t [Image Data
Lightbox SR].
"Image Data Converter SR" gebruiken
"Image Data Lightbox SR" gebruiken
Beelden bekijken op uw computer
141
NL
Opmerking
"PMB" is niet compatibel met Macintosh-computers.
Druk stilstaande beelden af met de datum of sla ze met datum op.
U kunt een gegevensschijf maken met een cd- of dvd-brander.
Meer informatie over "PMB", vindt u in de "Gids voor PMB".
Om "Gids voor PMB" te starten, dubbelklikt u tweemaal op de
snelkoppeling van (Gids voor PMB) op het bureaublad. Als u opstart
vanuit het menu Start, klikt u op [start] t [Alle programma's] t [Sony
Picture Utility] t [Help] t [Gids voor PMB].
De informatie over ondersteuning voor de "PMB" (alleen in het Engels):
http://www.sony.co.jp/pmb-se/
Opmerking
Het bevestigingsbericht van het informatiehulpprogramma verschijnt op het bericht
wanneer u "PMB" voor de eerste keer opstart. Selecteer [start]. Deze functie brengt u
op de hoogte van de laatste nieuwtjes, zoals software-updates. U kunt de instelling
op een later tijdstip wijzigen.
"PMB" gebruiken
Met "PMB" kunt u:
Beelden importeren die met de camera
zijn opgenomen en ze op de computer
weergeven.
De beelden op de computer op een
kalender ordenen op opnamedatum
voor weergave.
Beelden bewerken (rode-ogen-
vermindering, enz.), afdrukken en als e-
mailbijlage versturen, de opnamedatum
veranderen en nog veel meer.
NL
142
Beelden afdrukken
DPOF opgeven
Met behulp van de camera kunt u aangeven welke beelden u in welke
aantallen wilt afdrukken, voordat u de beelden afdrukt in een winkel of op
uw printer. Volg de onderstaande procedure.
De beelden blijven nadat u ze hebt afgedrukt als DPOF gemarkeerd. We
raden u aan om ze na het afdrukken op te heffen.
Opmerkingen
U kunt geen DPOF-markering instellen op RAW-gegevensbestanden.
U kunt ieder aantal tot maximaal 9 opgeven.
DPOF opgeven/opheffen op geselecteerde beelden
1 MENU-knop t 1 t [Printen opgeven] t [DPOF
instellen] t [Gemark.beelden] t [OK]
2 Selecteer op de controller een beeld met b/B.
3 Selecteer met het midden van de controller het aantal pagina's.
Stel het aantal in op "0" in om de DPOF-markering op te heffen.
4 Druk op de MENU-knop.
5 Selecteer [OK] met v op de controller, en druk vervolgens op
het midden van de controller.
Beelden afdrukken
143
NL
U kunt beelden van een datum voorzien als u ze afdrukt. De positie van de
datum (binnen of buiten het beeld, tekengrootte, enz.) is afhankelijk van uw
printer.
MENU-knop t 1 t [Printen opgeven] t [Datum afdruk.]
t [Aan]
Opmerking
Het is van uw printer afhankelijk of deze functie beschikbaar is.
Beelden van een datum voorzien
NL
144
Beelden afdrukken door de camera aan te
sluiten op een printer die compatibel is
met PictBridge
Opmerking
U kunt geen RAW-beelden afdrukken.
Opmerking
Wij adviseren u de netspanningsadapter (los verkrijgbaar) te gebruiken om te
voorkomen dat tijdens het afdrukken de accu leeg raakt.
Zelfs als u geen computer hebt, kunt u de
beelden die u hebt opgenomen met uw
camera afdrukken door de camera
rechtstreeks aan te sluiten op een
PictBridge-compatibele printer.
"PictBridge" is op de CIPA-standaard
gebaseerd. (CIPA: Camera & Imaging
Products Association)
Fase 1: de camera aansluiten op de printer
1 MENU-knop t 2 t [USB-verbinding] t [PTP]
2 Zet de camera uit en selecteer met de
geheugenkaartschakelaar het type geheugenkaart waarvan u
beelden wilt afdrukken.
Beelden afdrukken
145
NL
Het afdrukken annuleren
Als u tijdens het afdrukken op het midden van de controller drukt, wordt het
afdrukken geannuleerd. Koppel de USB-kabel los of schakel de camera uit.
Als u weer wilt afdrukken, volgt u bovenstaande procedure (Fasen 1 en 2).
3 Sluit de camera aan op de printer.
4 Schakel de camera en de printer in.
Het scherm wordt weergegeven waarin u de beelden kunt selecteren die u wilt
afdrukken.
Fase 2: afdrukken
1 Selecteer met de b/B op de controller de beelden die u wilt
afdrukken, en druk dan op het midden van de controller.
Om te annuleren, drukt u opnieuw op het midden.
2 Selecteer [OK] in het menu en druk vervolgens op het midden
van de controller.
Het beeld wordt afgedrukt.
Druk op het midden van de controller nadat op het scherm is aangegeven
dat de afdruk klaar is.
3 Herhaal stap 1 en 2 als u andere beelden wilt afdrukken.
2 Naar de
USB-aansluiting
USB-kabel
1
Naar de USB-
aansluiting
NL
146
Overige
Technische gegevens
Camera
[Systeem]
Type camera
Digitale
spiegelreflexcamera met
ingebouwde flitser en
verwisselbare lenzen
Lens Alle α-lenzen
[Beeldsensor]
Beeldformaat
23,4×15,6 mm (APS-C-
formaat) CMOS-
beeldsensor
Totaal aantal pixels van beeldsensor
Ong. 14 600 000 pixels
Effectief aantal pixels van de camera
Ong. 14 200 000 pixels
[SteadyShot]
Systeem Beeldsensor-
verschuivingsmechanisme
[Stofpreventie]
Systeem Antistatische laag op
laagdoorlaatfilter en
beeldsensorverschuivings-
mechanisme
[Automatische-
scherpstellingssysteem]
Systeem Waarnemingssysteem voor
TTL-fase, CCD-
lijnsensoren (9 punten,
8 lijnen met
middenkruisdraadsensor)
Gevoeligheidsbereik
0 tot 18 EV (bij ISO 100-
conversie)
AF-hulplicht
Ong. 1 tot 5 m
[Handmatige scherpstellingscontrole
Live View]
Beeldformaat
Beeldsensor voor het
maken van opnamen
Kaderbereik 100%
[Zoeker]
Type Reflexzoeker met penta-
Dach-spiegel
Kaderbereik 95%
Vergroting 0,83 × met 50 mm lens op
oneindig, –1 m
–1
(dioptrie)
Oogafstand Ongeveer 16,5 mm vanaf
de oogschelp, 10,9 mm
vanaf het oogschelpframe
bij –1 m
–1
Dioptrie-instelling
–2,5 tot +1,0 m
–1
[Belichtingsregeling]
Lichtmeetcel
SPC
Lichtmeetmethode
40 velden in
honingraatmotief
Lichtmeetbereik
1 tot 20 EV (3 tot 20 EV
met Spot-meting), (bij ISO
100-conversie met F1,4-
lens)
ISO-gevoeligheid (aanbevolen
belichtingsindex)
AUTO, ISO 200 tot 12800
Belichtingscorrectie
±2,0 EV (1/3 EV stap)
Overige
147
NL
[Sluiter]
Type Elektronisch gestuurd,
verticale beweging, spleet-
type
Sluitertijdbereik
1/4000 seconde tot 30
seconden, tijd, (1/3 EV stap)
Flitssynchronisatiesnelheid
1/160 seconde
[Ingebouwde flitser]
Richtgetal van de flitser
GN12 (in meters bij ISO
100-conversie)
Heroplaadtijd
Ong. 4 seconden
Flitsbereik Dekking 18 mm lens
(brandpuntsafstand die de
lens aangeeft)
Flitscompensatie
±2,0 EV (1/3 EV stap)
[Opnamemedium]
"Memory Stick PRO Duo",
"Memory Stick PRO-HG
Duo", SD-geheugenkaart,
SDHC-geheugenkaart
[LCD-monitor]
LCD-scherm
6,7 cm (type 2,7) TFT-
aansturing
Totaal aantal pixels
230 400 (960 × 240) pixels
[Ingangs-/uitgangsaansluitingen]
USB miniB
HDMI HDMI type C mini-stekker
[Stroomvoorziening, algemeen]
Lege accu Oplaadbare accu NP-
FM500H
[Overige]
PictBridge Compatibel
Exif Print Compatibel
PRINT Image Matching III
Compatibel
Afmetingen Ong. 137 × 104 × 81 mm
(B/H/D, exclusief
uitstekende delen)
Gewicht Ong. 520 g (zonder
batterijen, geheugenkaart
en body-accessoires)
Bedrijfstemperatuur
0 tot 40°C
Bestandsindeling
Overeenkomstig JPEG
(DCF Ver. 2.0, Exif Ver.
2.21, MPF Baseline),
geschikt voor DPOF
USB-communicatie
Hi-Speed USB (USB 2.0-
compatibel)
BC-VM10 Acculader
Ingangsspanning
100 V - 240 V
wisselstroom, 50/60 Hz,
9 W
Uitgangsspanning
8,4 V gelijkstroom, 0,75 A
Bedrijfstemperatuur
0 tot 40°C
Opslagtemperatuur
–20 tot +60°C
Maximale afmetingen
Ong. 70 × 25 × 95 mm
(B/H/D)
Gewicht Ong. 90 g
NL
148
Oplaadbare accu NP-FM500H
Gebruikte batterij
Lithium-ionbatterij
Maximale spanning
8,4 V gelijkstroom
Nominale spanning
7,2 V gelijkstroom
Maximale laadstroom
2,0 A
Maximale laadspanning
8,4 V gelijkstroom
Capaciteit
Standaard 11,8 Wh (1 650 mAh)
Minimum 11,5 Wh (1 600 mAh)
Maximale afmetingen
Ong. 38,2 × 20,5 × 55,6
mm (B/H/D)
Gewicht Ong. 78 g
Wijzigingen in ontwerp en technische
gegevens zijn voorbehouden zonder
voorafgaande kennisgeving.
Over de brandpuntsafstand
De beeldhoek van deze camera is
kleiner dan die van een camera voor
35mm-film. U krijgt (bij benadering)
een vergelijkbare brandpuntsafstand
van een camera met 35mm-film, en
neemt onder dezelfde beeldhoek op,
door de brandpuntsafstand van uw
lens met de helft te verhogen.
Wanneer u bijvoorbeeld een 50mm-
lens gebruikt, krijgt u bij benadering
hetzelfde resultaat als met een 75mm-
lens op een camera met 35mm-film.
Opmerkingen over de compatibiliteit
van beeldgegevens
Deze camera voldoet aan de
universele DCF (Design rule for
Camera File system)-norm zoals
vastgesteld door JEITA (Japan
Electronics and Information
Technology Industries
Association).
Er worden geen garanties gegeven
dat beelden, welke met deze camera
zijn opgenomen, kunnen worden
weergegeven op andere apparatuur,
of dat beelden die met andere
apparatuur zijn opgenomen of
bewerkt, kunnen worden
weergegeven op deze camera.
Handelsmerken
is een handelsmerk van Sony
Corporation.
"Memory Stick", , "Memory
Stick PRO", ,
"Memory Stick Duo",
, "Memory Stick
PRO Duo", ,
"Memory Stick PRO-HG Duo",
, "Memory
Stick Micro", "MagicGate" en
zijn handelsmerken
van Sony Corporation.
"InfoLITHIUM" is een
handelsmerk van Sony Corporation.
"PhotoTV HD" is een handelsmerk
van Sony Corporation.
Microsoft, Windows, en Windows
Vista zijn gedeponeerde
handelsmerken of handelsmerken
van Microsoft Corporation in de
Verenigde Staten en/of andere
landen.
Overige
149
NL
HDMI, het HDMI-logo en High-
Definition Multimedia Interface
zijn handelsmerken of
gedeponeerde handelsmerken van
HDMI Licensing LLC.
Macintosh en Mac OS zijn
handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van Apple Inc.
PowerPC is een gedeponeerd
handelsmerk van IBM Corporation
in de Verenigde Staten.
Het logo SDHC is een
handelsmerk.
MultiMediaCard is een
handelsmerk van MultiMediaCard
Association.
Intel, Intel Core, MMX, en Pentium
zijn handelsmerken of
gedeponeerde handelsmerken van
Intel Corporation.
Adobe is een gedeponeerd
handelsmerk of een handelsmerk
van Adobe Systems Incorporated in
de Verenigde Staten en/of andere
landen.
Alle andere in deze
gebruiksaanwijzing vermelde
systeem- en productnamen zijn
doorgaans handelsmerken of wettig
gedeponeerde handelsmerken van
de betreffende ontwikkelaars of
fabrikanten. In deze
gebruiksaanwijzing zijn de
aanduidingen ™ en ® echter in alle
voorkomende gevallen weggelaten.
NL
150
Problemen oplossen
Indien u problemen ondervindt met de camera, probeer dan de volgende
oplossingen. Controleer de punten op blz. 150 t/m 158. Neem contact op
met uw Sony-dealer of de plaatselijke technische dienst van Sony.
De accu kan niet worden geplaatst.
Gebruik bij het plaatsen van de accu de punt van de accu om de
vergrendelingshendel te verschuiven (blz. 13).
Controleer het modelnummer van de accu (blz. 10, 14).
De indicator resterend accuvermogen is onjuist of voldoende resterend
accuvermogen wordt aangegeven, maar de accu raakt te snel leeg.
Dit doet zich voor wanneer u de camera op een zeer warme of koude plaats
gebruikt (blz. 162).
De accu is leeg. Plaats een opgeladen accu (blz. 11).
De accu is niet meer bruikbaar (blz. 15). Vervang de accu door een nieuwe.
De camera kan niet worden ingeschakeld.
Plaats de accu correct (blz. 13).
De accu is leeg. Plaats een opgeladen accu (blz. 11).
De accu is niet meer bruikbaar (blz. 15). Vervang de accu door een nieuwe.
1
Controleer de volgende items.
2
Verwijder de accu en plaats deze weer na circa één minuut, en
schakel de camera in.
3
Zet de instellingen terug (blz. 128).
4
Neem contact op met uw Sony-dealer of de plaatselijke technische
dienst van Sony.
Accu en spanning
Overige
151
NL
De camera schakelt plotseling uit.
Als de camera gedurende een bepaalde tijdsduur niet wordt bediend, wordt
de camera in de spaarstand gezet en nagenoeg uitgeschakeld. Om de
spaarstand te annuleren, bedient u de camera, bijvoorbeeld door de
ontspanknop tot halverwege in te drukken (blz. 124).
Het CHARGE-lampje knippert tijdens het opladen van de accu.
Verwijder de accu en plaats deze correct in de acculader.
Laad de accu op onder een temperatuur tussen de 10 en 30°C.
Nadat de camera is ingeschakeld, wordt niets afgebeeld op de
LCD-monitor.
Als de camera gedurende een bepaalde tijdsduur niet wordt bediend, wordt
de camera in de spaarstand gezet en nagenoeg uitgeschakeld. Om de
spaarstand te annuleren, bedient u de camera, bijvoorbeeld door de
ontspanknop tot halverwege in te drukken (blz. 124).
Het beeld is niet scherp in de zoeker.
Stel de dioptrie goed in met behulp van het dioptrie-instelwiel (blz. 23).
De sluiter wordt niet ontspannen.
U gebruikt een geheugenkaart met een schrijfbeveiligingsschakelaar die is
ingesteld in de LOCK-stand. Zet de schrijfbeveiligingsschakelaar in de
stand voor opnemen.
De schakelaar van de geheugenkaart staat in de verkeerde positie. Zet deze
in de juiste positie (blz. 18).
Controleer de resterende opslagcapaciteit van de geheugenkaart (blz. 25).
U kunt tijdens het opladen van de ingebouwde flitser geen beelden
opnemen (blz. 80).
De sluiter kan niet worden ontspannen als het onderwerp niet is
scherpgesteld.
De lens zit niet goed vast. Zet de lens goed vast (blz. 16).
Zet de belichtingsfunctie op M als er een astronomische telescoop, enz. op
de camera is aangesloten, en neem de opname.
Beelden opnemen
NL
152
Voor het onderwerp is mogelijk speciale scherpstelling vereist (blz. 69).
Gebruik de scherpstelvergrendeling of de handmatige
scherpstellingsfunctie (blz.71, 74).
Het opnemen duurt erg lang.
De ruisonderdrukkingsfunctie wordt ingeschakeld (blz. 122). Dit is
normaal.
De opnamestand is ingesteld op het RAW-formaat (blz. 119). Omdat een
RAW-gegevensbestand groot is, kost opnemen in de RAW-modus meer
tijd.
De Auto HDR is bezig met de verwerking van een beeld (blz. 89).
Het beeld is onscherp.
Het onderwerp bevindt zich te dichtbij. Controleer de minimale
brandpuntsafstand van de lens.
U bent opnamen aan het maken in de handmatige scherpstelfunctie, zet de
opnamefunctieschakelaar op AF (automatische scherpstelling) (blz. 68).
Wanneer de Schakelaar scherpstellingsfunctie op de lens aanwezig is, stelt
u deze in op AF.
Er is onvoldoende omgevingslicht.
Eye-Start AF werkt niet.
Stel [Eye-Start AF] in op [Aan] (blz. 70).
Druk de ontspanknop tot halverwege in.
De flitser werkt niet.
De flitserfunctie is ingesteld op [Autom.flitsen]. Als u er zeker van wilt zijn
dat de flitser altijd afgaat, stelt u de flitserfunctie in op [Invulflits] (blz. 80).
Het duurt te lang voordat de flitser opnieuw is opgeladen.
De flitser is binnen een korte tijd meerdere keren afgegaan. Als de flitser
meerdere keren achter elkaar is afgegaan, kan het opladen langer duren dan
gebruikelijk om oververhitting van de camera te voorkomen.
Een foto die met de flitser is gemaakt, is te donker.
Als het onderwerp zich buiten het flitserbereik (de afstand die door het
flitslicht kan worden bereikt) bevindt, zullen de beelden donker zijn omdat
het flitslicht het onderwerp niet bereikt. Als de ISO-gevoeligheid wordt
veranderd, verandert tevens het flitserbereik (blz. 82).
Overige
153
NL
De datum en tijd worden onjuist opgenomen.
Stel de datum en tijd in (blz. 21).
De diafragmawaarde en/of de sluitertijd knipperen wanneer u de
ontspanknop half indrukt.
Aangezien het onderwerp te helder of te donker is, liggen deze waarden
buiten het beschikbare instelbereik van de camera. Maak de instellingen
opnieuw.
Het beeld is wittig (Schittering).
Er verschijnt een lichtwaas op het beeld (Schaduwbeeld).
De foto werd genomen onder een sterke lichtbron waarbij buitensporig veel
licht op de lens is gevallen. Bevestig een zonnekap (los verkrijgbaar).
De hoeken van de foto zijn te donker.
Als een filter of lenskap wordt gebruikt, haalt u deze eraf en maakt u de
opname opnieuw. Afhankelijk van de dikte van het filter en een onjuiste
bevestiging van de lenskap, kan het filter of de lenskap gedeeltelijk
zichtbaar zijn in het beeld. De optische eigenschappen van bepaalde lenzen
kunnen ertoe leiden dat de rand van het beeld te donker lijkt (onvoldoende
licht).
De ogen van het onderwerp zijn rood.
Schakel de functie rode-ogen-effectvermindering in (blz. 82).
Ga dicht bij het onderwerp staan en neem het binnen het flitserbereik op
met de flitser (blz. 82).
Punten verschijnen en blijven op de LCD-monitor.
Dit is normaal. Deze punten worden niet opgenomen (blz. 5).
Het beeld is wazig.
De foto werd opgenomen op een donkere locatie zonder gebruik te maken
van de flitser, waardoor camerabewegingen werden gemaakt. Het gebruik
van een statief of de flitser wordt aanbevolen (blz. 46, 80).
De EV-schaalverdeling b B knippert op de LCD-monitor of in de zoeker.
Het onderwerp is te helder of te donker voor het lichtmeetbereik van de
camera.
NL
154
De camera kan geen beelden weergeven.
De map-/bestandsnaam is veranderd op de computer (blz. 135).
Wanneer een beeldbestand is bewerkt door een computer of wanneer het
beeldbestand werd opgenomen op een ander model dan dat van uw camera,
kan het weergeven van het beeldbestand op uw camera niet gegarandeerd
worden.
De camera staat in de USB-functie. Verwijder de USB-verbinding
(blz. 134).
De camera kan geen beeld wissen.
Annuleer de beveiliging (blz. 112).
U hebt per ongeluk een beeld gewist.
Als u eenmaal een beeld hebt gewist, kunt u dit niet herstellen. We raden u
aan om de beelden te beveiligen die u niet wilt wissen (blz. 112).
U kunt geen DPOF-markering instellen.
U kunt geen DPOF-markeringen instellen op RAW-beelden.
U weet niet of het besturingssysteem van uw computer compatibel is met
de camera.
Controleer "Aanbevolen computeromgeving" (blz. 130, 137).
Uw computer herkent uw camera niet.
Controleer of de camera aan staat.
Als de accu bijna leeg is, plaatst u een opgeladen accu (blz. 11) of sluit u de
netspanningsadapter (los verkrijgbaar) aan.
Gebruik de USB-kabel (bijgeleverd) (blz. 131).
Koppel de USB-kabel los en sluit deze daarna weer stevig aan.
Stel [USB-verbinding] in op [Massaopslag] (blz. 131).
Koppel alle apparatuur los van de USB-aansluitingen van uw computer,
behalve de camera, het toetsenbord en de muis.
Beelden weergeven
Beelden wissen/bewerken
Computers
Overige
155
NL
Sluit de camera rechtstreeks aan op de computer en niet via een USB-hub of
ander apparaat (blz. 130).
U kunt geen beelden kopiëren.
Breng de USB-verbinding tot stand door de camera op de juiste wijze aan te
sluiten op de computer (blz. 131).
Volg de betreffende kopieerprocedure voor uw besturingssysteem
(blz. 132).
Het kan voorkomen dat u de beeldbestanden van een geheugenkaart die op
een computer is geformatteerd, niet naar een computer kunt kopiëren. Maak
een opname met een geheugenkaart die op uw camera is geformatteerd
(blz. 121).
Het beeld kan niet worden weergegeven op een computer.
Als u "PMB" gebruikt, raadpleeg dan de "Gids voor PMB".
Raadpleeg de fabrikant van de computer of de software.
Nadat u een USB-verbinding hebt gemaakt, wordt "PMB" niet automatisch
gestart.
Breng de USB-verbinding tot stand nadat de computer is opgestart
(blz. 131).
Kan geen geheugenkaart plaatsen.
De richting waarin de geheugenkaart is geplaatst, is verkeerd. Plaats het in
de juiste richting (blz. 18).
Kan niet opnemen op een geheugenkaart.
De geheugenkaart is vol. Wis overbodige beelden (blz. 113).
Er is een onbruikbare geheugenkaart geplaatst (blz. 19).
U hebt per ongeluk een geheugenkaart geformatteerd.
Alle gegevens op de geheugenkaart zijn gewist door het formatteren. U
kunt deze niet meer herstellen.
Geheugenkaart
NL
156
"De "Memory Stick PRO Duo" wordt niet herkend door een computer met
een "Memory Stick"-sleuf.
Sluit de camera op uw computer aan als de "Memory Stick PRO Duo" niet
door de "Memory Stick"-sleuf van uw computer wordt ondersteund
(blz. 131). De computer herkent de "Memory Stick PRO Duo".
Zie ook "PictBridge-compatibele printer" (direct hieronder) samen met de
volgende punten.
De kleuren van het beeld zijn vreemd.
Bij het afdrukken van beelden die opgenomen zijn in de Adobe RGB-
modus op een printer met sRGB-ondersteuning, die niet compatibel is met
Adobe RGB (DCF2.0/Exif2.21), worden de beelden op een lager
intensiteitsniveau afgedrukt (blz. 93).
Bij de afdruk van de beelden worden beide randen afgesneden.
Afhankelijk van uw printer, kunnen de randen links, rechts, boven of onder
van het beeld worden afgesneden. Vooral wanneer u een beeld afdrukt dat
is opgenomen met de beeldverhouding [16:9], kan het zijn dat de zijkanten
van het beeld worden afgesneden.
Wanneer u beelden afdrukt met uw eigen printer, moet u de instellingen
voor bijsnijden of randloos annuleren. Vraag de fabrikant van de printer of
de printer deze functies heeft.
Wanneer u beelden laat afdrukken bij een digitale afdrukservice, vraag hen
dan of ze de beelden kunnen afdrukken zonder beide randen af te snijden.
Kan de beelden niet afdrukken met de datum.
Met "PMB", kunt u beelden afdrukken met een datum (blz. 141).
Deze camera heeft geen functie voor het plaatsen van datums op beelden.
Omdat de beelden die met de camera zijn opgenomen, informatie over de
opnamedatum bevatten, kunt u beelden afdrukken met de datum op het
beeld als de printer of de software Exif-informatie kan herkennen.
Raadpleeg de fabrikant van de printer of de software voor meer informatie
over de compatibiliteit met Exif-informatie.
Wanneer u beelden laat afdrukken in een winkel, kunnen de beelden op
aanvraag ook worden afgedrukt met de datum.
Afdrukken
Overige
157
NL
Raadpleeg voor meer informatie de bij de printer geleverde
gebruiksaanwijzing of de printerfabrikant.
Het is niet mogelijk een verbinding tot stand te brengen.
De camera kan niet rechtstreeks op een printer worden aangesloten die niet
compatibel is met de PictBridge-standaard. Vraag de fabrikant van de
printer of uw printer compatibel is met PictBridge.
Stel [USB-verbinding] in op [PTP] (blz. 144).
Koppel de USB-kabel los en sluit deze weer aan. Bij het verschijnen van
een foutmelding op de printer, moet u de gebruikshandleiding bijgeleverd
bij de printer raadplegen.
Kan geen beelden afdrukken.
Controleer of de camera en de printer op de juiste wijze met behulp van de
USB-kabel zijn aangesloten.
RAW-beelden kunnen niet worden afgedrukt.
Het is mogelijk dat beelden die zijn opgenomen met een andere camera dan
deze, of beelden die op een computer zijn bewerkt, niet kunnen worden
afgedrukt.
Het beeld kan niet op het ingestelde formaat worden afgedrukt.
Koppel de USB-kabel los en sluit deze telkens opnieuw aan wanneer het
papierformaat is veranderd nadat de printer op de camera is aangesloten.
De camera kan niet worden bediend nadat het afdrukken is geannuleerd.
Wacht enige tijd terwijl de printer het annuleren uitvoert. Dit kan,
afhankelijk van de printer, enige tijd duren.
De lens raakt beslagen.
Er is condensvorming opgetreden. Schakel de camera uit en laat deze
gedurende ongeveer een uur liggen voordat u deze weer gebruikt (blz. 162).
PictBridge-compatibele printer
Overige
NL
158
De mededeling "Datum en tijd instellen?" wordt afgebeeld wanneer u de
camera inschakelt.
De camera is met een zwakke of zonder accu een tijdlang niet gebruikt.
Laad de accu op en stel de datum opnieuw in (bladzijde 21, 163). Als de
datuminstelling telkens wordt teruggesteld wanneer de accu wordt
opgeladen, moet u contact opnemen met uw Sony-handelaar of plaatselijk,
erkend Sony-servicecentrum.
Het aantal opneembare beelden neemt niet af of neemt met twee tegelijk
af.
Dit komt doordat de compressieverhouding en de beeldgrootte na
compressie veranderen afhankelijk van het beeld als u een JPEG-beeld
opneemt (blz. 119).
De instelling wordt teruggesteld zonder dat de terugstelbediening wordt
uitgevoerd.
De accu werd verwijderd terwijl de stroomschakelaar was ingesteld op ON.
Wanneer u de accu verwijdert, zorgt u ervoor dat de camera is
uitgeschakeld en controleert u of het toegangslampje niet brandt (bladzijde
13, 31).
De camera werk niet goed.
Schakel de camera uit. Haal de accu uit de camera en plaats hem weer terug.
Als er een netspanningsadapter (los verkrijgbaar) wordt gebruikt, koppelt u
het netsnoer los. Als de camera heet is, laat u deze afkoelen voordat u deze
corrigerende handeling uitvoert. Neem contact op met uw Sony-handelaar
of plaatselijk, erkende Sony-servicecentrum als de camera niet werkt na
deze oplossingen te hebben uitgevoerd.
De vijf staafjes van de SteadyShot-schaalverdeling knipperen.
De SteadyShot-functie werkt niet. U kunt doorgaan met opnemen, maar de
SteadyShot-functie zal niet werken. Schakel de camera uit en weer in. Als
de SteadyShot-schaalverdeling blijft knipperen, neemt u contact op met uw
Sony-handelaar of plaatselijk, erkend Sony-servicecentrum.
"--E-" wordt op het scherm weergegeven.
Verwijder de geheugenkaart en plaats deze terug. Als de indicatie niet
verdwijnt na deze procedure, moet u de geheugenkaart formatteren.
Overige
159
NL
Waarschuwings-
mededelingen
Als een van de volgende berichten
verschijnt, voert u de onderstaande
instructies uit.
Accu is ongeschikt. Gebruik het
juiste type.
U gebruikt een incompatibele
accu (blz. 14).
Datum en tijd instellen?
Stel de datum en tijd in. Laad de
interne oplaadbare accu op, als u
de camera lange tijd niet hebt
gebruikt (blz. 21, 163).
Onvoldoende acculading.
U hebt geprobeerd [Reinigen] uit
te voeren terwijl er onvoldoende
lading in de accu zat. Laad de
accu op of gebruik de
netspanningsadapter (los
verkrijgbaar).
Kan “Memory Stick” niet
gebruiken. Formatteren?
Kan SD-geheugenkaart niet
gebruiken. Formatteren?
De geheugenkaart is
geformatteerd op een computer en
de bestandsindeling is gewijzigd.
Selecteer [OK] en formatteer de
geheugenkaart. U kunt de
geheugenkaart daarna opnieuw
gebruiken, maar alle eerder
opgenomen gegevens op de
geheugenkaart worden gewist.
Het kan enige tijd duren voordat
het formatteren klaar is.
Als de mededeling nog steeds
wordt afgebeeld, moet u de
geheugenkaart vervangen.
Kaartfout
Er is een incompatibele
geheugenkaart geplaatst of het
formatteren is mislukt.
Plaats “Memory Stick” opnieuw.
Plaats SD-geheugenkaart
opnieuw.
De geplaatste geheugenkaart kan
niet worden gebruikt in uw
camera.
De geheugenkaart is beschadigd.
Het contactgedeelte van de
geheugenkaart is vuil.
SD-geheugenkaart vergrendeld.
U gebruikt een geheugenkaart
met een
schrijfbeveiligingsschakelaar die
is ingesteld in de LOCK-stand.
Zet de
schrijfbeveiligingsschakelaar in
de stand voor opnemen.
Deze “Memory Stick” word niet
ondersteund. Gebruik een
ondersteunde "Memory Stick".
Gebruik een "Memory Stick" die
op deze camera beschikbaar is
(blz. 19).
NL
160
Op deze “Memory Stick” kunt u
mogelijk niet normaal opnemen of
afspelen.
U kunt deze kaart beter niet
gebruiken omdat deze niet
geschikt is voor de “Memory
Stick”-standaard. Vraag de
fabrikant van de kaart om advies.
Geen “Memory Stick” geplaatst.
Sluiter vergrd.
Geen SD-geheugenkaart
geplaatst. Sluiter vergrd.
Er is geen geheugenkaart
geplaatst. Plaats een
geheugenkaart.
Bezig...
Wanneer ruisonderdrukking van
lange belichting wordt
uitgevoerd gedurende dezelfde
tijdsduur dat de sluiter geopend
was. Tijdens de
ruisonderdrukking kunt u niet
verdergaan met opnemen.
Beeldweergave onmogelijk.
Het is mogelijk dat beelden die
zijn opgenomen met een andere
camera of beelden die zijn
gewijzigd op een computer, niet
kunnen worden weergegeven.
Er is geen lens bevestigd. De
sluiter is vergrendeld.
De lens is niet goed of niet
bevestigd.
Als u de camera op een
sterrentelescoop of iets dergelijks
bevestigt, stelt u deze in op M.
Geen beelden
Er staat geen beeld op de
geheugenkaart.
Beeld is beveiligd
U hebt geprobeerd beveiligde
beelden te wissen.
Afdrukken onmogelijk.
U hebt geprobeerd RAW-
beelden te markeren met een
DPOF-markering.
Bezig initialiseren USB-
verbinding.
Een USB-verbinding is tot stand
gebracht. Koppel de USB-kabel
niet los.
Controleer het aangesloten
apparaat.
Er kan geen PictBridge-
verbinding worden gemaakt.
Koppel de USB-kabel los en
sluit deze daarna weer aan.
Camera te warm. Laat camera
afkoelen.
De camera is heet geworden omdat
u continu aan het opnemen bent
geweest.
Schakel de camera uit. Laat de
camera afkoelen en wacht totdat de
camera weer klaar is om op te
nemen.
Overige
161
NL
De temperatuur van de camera
loopt op in de stand voor de
handmatige
scherpstellingscontrole Live
View. Als u van plan bent de
camera te blijven gebruiken,
kunt u dat pas doen wanneer de
temperatuur is gedaald.
Camerafout
Systeemfout.
Schakel de camera uit, haal de
accu eruit en plaats de accu weer
terug in de camera. Als deze
mededeling vaak verschijnt,
neemt u contact op met uw
Sony-handelaar of een
plaatselijk, erkend Sony-
servicecentrum.
Beeldvergroting onmogelijk.
Beeldrotatie onmogelijk.
Beelden die met andere camera's
zijn opgenomen, zullen mogelijk
niet kunnen worden vergroot of
geroteerd.
Geen beelden veranderd
U hebt geprobeerd DPOF op te
geven zonder beelden aan te
duiden.
Kan geen mappen meer maken
De map met een naam dit begint
met "999" bestaat op de
geheugenkaart. Als dat het geval
is, kunt u geen mappen maken.
Afdrukken geannulleerd.
De afdrukopdracht werd
geannuleerd. Koppel de USB-
kabel los of schakel de camera
uit.
Ongeldige bediening
U hebt geprobeerd RAW-
beelden te markeren op het
PictBridge-scherm.
Printerfout
Controleer de printer.
Controleer of het beeld dat u wilt
afdrukken beschadigd is.
Printer bezet
Controleer de printer.
NL
162
Voorzorgsmaatregelen
Bewaar/gebruik de camera
niet op de volgende plaatsen
Op een buitengewoon hete, droge
of vochtige plaats
Op plaatsen zoals een in de zon
geparkeerde auto, kan de
camerabehuizing door de hitte
vervormen, waardoor een storing
kan optreden.
In direct zonlicht of nabij een
verwarmingsbron
De camerabehuizing kan
verkleuren of vervormen, waardoor
een storing kan optreden.
Op plaatsen onderhevig aan
trillingen
In de buurt van een sterk
magnetisch veld
Op zanderige of stoffige plaatsen
Wees voorzichtig dat geen zand of
stof in de camera kan
binnendringen. Hierdoor kan in de
camera een storing optreden en in
bepaalde gevallen kan deze storing
niet worden verholpen.
De camera opbergen
Zorg ervoor dat de lensdop of
lensvattingdop bevestigd is als u de
camera niet gebruikt. Wanneer u de
lensvattingdop bevestigt,
verwijdert u al het stof van de dop
voordat u deze op de camera
bevestigt. Wanneer u de lens DT
18 – 55 mm F3.5 – 5.6 SAM
aanschaft, dient u ook de
achterlensdop ALC-R55 aan te
schaffen.
Bedrijfstemperatuur
Deze camera is ontworpen voor
gebruik bij een temperatuur tussen 0
en 40°C. Het maken van opnamen op
extreem koude of warme plaatsen met
temperaturen die buiten het
bovenstaande bereik vallen, is niet
aan te bevelen.
Condensvorming
Als de camera rechtstreeks vanuit een
koude naar een warme omgeving
wordt overgebracht, kan vocht
condenseren binnenin of op de
buitenkant van de camera. Deze
vochtcondensatie kan een storing in
de camera veroorzaken.
Hoe condensvorming te voorkomen
Wanneer u de camera vanuit een
koude naar een warme omgeving
overbrengt, verpakt u de camera in
een goed gesloten plastic zak en laat u
deze gedurende ongeveer een uur
wennen aan de nieuwe
omgevingsomstandigheden.
Wanneer er condensvorming
optreedt
Schakel de camera uit en wacht
ongeveer een uur om het vocht te
laten verdampen. Als u probeert om
opnamen te maken terwijl er nog
vocht in de lens aanwezig is, zullen
de opgenomen beelden niet helder
zijn.
Overige
163
NL
Interne oplaadbare batterij
Deze camera is uitgerust met een
interne, oplaadbare batterij om de
datum en tijd alsmede andere
instellingen bij te houden, ongeacht
of de camera is ingeschakeld of niet.
Deze interne batterij wordt tijdens het
gebruik van de camera voortdurend
opgeladen. Als u de camera echter
alleen korte perioden gebruikt, loopt
de batterij geleidelijk leeg, en als u de
camera ongeveer 3 maanden in het
geheel niet gebruikt, loopt de batterij
helemaal leeg. In dat geval moet u de
oplaadbare batterij opladen voordat u
de camera gaat gebruiken.
Zelfs als u de oplaadbare batterij niet
oplaadt, kunt u de camera toch
gebruiken zolang u de datum en tijd
niet opneemt. Als de camera de
instellingen iedere keer dat u de
interne oplaadbare batterij oplaadt,
opnieuw instelt op de
standaardinstellingen, is de interne
oplaadbare batterij misschien niet
meer bruikbaar. Neem contact op met
uw Sony-dealer of de plaatselijke
technische dienst van Sony.
Oplaadprocedure voor de interne,
oplaadbare batterij
Plaats een opgeladen accu in de
camera of sluit de camera aan op een
stopcontact met behulp van de
netspanningsadapter (los
verkrijgbaar) en laat de camera 24 uur
of langer uitgeschakeld liggen.
Opmerkingen over opnemen/
weergeven
Maak een proefopname om te
controleren of de camera juist werkt
voordat u eenmalige gebeurtenissen
opneemt.
Deze camera is noch tegen stof,
noch tegen opspattend water
bestendig, en is niet waterdicht.
Kijk niet in de zon of een sterke
lichtbron door een verwijderde lens
of de zoeker. Dit kan leiden tot
onherstelbare beschadiging van uw
ogen. Of het kan een storing van de
camera veroorzaken.
Gebruik de camera niet in de buurt
van een plaats waar sterke
radiogolven worden gegenereerd of
straling wordt uitgestraald. Het is
mogelijk dat de camera dan niet
goed kan opnemen of weergeven.
Als u de camera in zanderige of
stoffige plaatsen gebruikt, kunnen
storingen optreden.
Als er condens op de camera is
gevormd, moet u deze verwijderen
voordat u de camera gebruikt
(blz. 162).
Niet met de camera schudden of er
tegenaan stoten. Dit kan niet alleen
leiden tot storingen en de
onmogelijkheid om beelden op te
nemen, maar kan ook de
geheugenkaart onbruikbaar maken
en beeldgegevens vervormen,
beschadigen of verloren doen gaan.
Maak het venster van de flitser
schoon voordat u deze gebruikt. De
hitte die vrijkomt bij het afgaan van
de flitser kan eventueel vuil op het
venster van de flitser doen
NL
164
verbranden of vastbakken waardoor
onvoldoende licht het onderwerp
bereikt.
Houd de camera, bijgeleverde
accessoires, enz. buiten het bereik
van kinderen. Ze kunnen een
geheugenkaart enzovoort inslikken.
Als dit probleem zich voordoet,
moet u onmiddellijk een arts
raadplegen.
Index
165
NL
Index
Index
A
Aantal opneembare beelden
......................................... 25, 26
Accu..................................... 11, 13
Accu opladen ............................. 11
Adobe RGB................................ 93
AEL-knop ................................ 123
AE-vergrendeling....................... 84
Afdrukken ........................ 142, 144
AF-gebied .................................. 73
AF-hulplicht............................... 82
Afstandsbediening ................... 103
Audiosignalen .......................... 124
Auto HDR .................................. 90
Autom. scherpst. ........................ 72
Autom. uitsch........................... 126
Autom.weergave...................... 125
Automatisch flitsen.................... 80
Automatisch programma............ 57
Automatisch scherpstellen ......... 68
B
Beelden bekijken op een tv-scherm
............................................. 115
Beeldgrootte............................. 118
Beeldindex ............................... 106
Beeldkwaliteit .......................... 119
Beeldrotatie.............................. 104
Beeldverhoud........................... 118
Belichting................................... 56
Belichtingscorrectie ...................85
Belichtingsfunctie ......................56
Bestandsnummer......................120
Beveiligen ................................112
Bracket .....................................101
Brandpuntsafstand....................148
BULB-opname...........................66
C
Camerabeweging verminderen
...............................................44
Centrumgericht...........................88
Compressieverhouding.............119
Condensvorming ......................162
Continu opnemen .......................99
Continubracket.........................101
Continue AF...............................72
Contrast...................................... 92
Controller ...................................40
CTRL.VOOR HDMI ...............117
D
Datum afdruk. ..........................143
Datum/tijd inst............................21
DC IN-aansluiting......................33
De klok instellen ........................21
Diafragma.............................56, 58
Diafragmavoorkeur .................... 58
Diavoorstelling.........................107
Dioptrie-instelling ......................22
NL
166
DPOF instellen .........................142
Draadloze afstandsbediening
..............................................103
Draadloze flitser .........................83
Dyn.-bereikoptim........................89
E
Een beeld weergeven................104
Eigen witbalans ..........................97
Eindsynchron..............................80
Enkelvoudige AF........................72
EV-schaalverdeling ......64, 85, 102
Eye-Start AF...............................70
F
Flits-bracketopname .................101
Flitscompensatie.........................86
Flitser uit...............................47, 80
Flitsfunctie..................................80
Flitsregeling................................87
Fn-knop.......................................40
Formatteren...............................121
G
Geheugenkaartschakelaar...........18
H
Handmatige belichting................63
Handmatige scherpstelling .........74
Handmatige scherpstelling Live
View .......................................74
Handmatige verschuiving...........65
Help-scherm .............................124
Histogram ................................ 111
Hoeveelheid belichting.............. 56
Hoge-snelheidssynchronisatiestand
............................................... 39
I
Image Data Converter SR........ 140
Image Data Lightbox SR ......... 140
Instellingen ................................ 92
Invulflits..................................... 80
ISO-gevoeligheid....................... 94
J
JPEG ........................................ 119
K
Kleurenruimte............................ 93
Kleurfilter .................................. 96
Kleurtemperatuur....................... 96
Kwaliteit .................................. 119
L
Landschap.................................. 51
Langz.flitssync........................... 80
LCD-helderheid ....................... 125
LCD-monitor ............... 34, 78, 109
Lens............................................ 16
Lichtmeetfunctie........................ 88
Lichtmeting met 40 velden in
honingraatmotief.................. 146
M
Macro......................................... 52
Index
167
NL
Map kiezen............................... 121
Mapnaam ................................. 120
Meervelds................................... 88
"Memory Stick Duo" ................. 18
"Memory Stick PRO Duo"......... 18
Menu .......................................... 42
N
Nachtportret ............................... 55
Nieuwe map ............................. 121
NR bij hoge-ISO ...................... 122
NR lang-belicht........................ 122
O
Omgevingslicht........................ 102
Oogschelp .................................. 24
Opnemen.................................... 47
P
PictBridge ................................ 144
PMB ......................................... 141
Portret......................................... 50
R
RAW ................................ 119, 140
Reinigen..................................... 28
Rode-ogen-verm. ....................... 82
Roteren..................................... 105
Ruisonderdrukking................... 122
S
Scènekeuzefunctie ..................... 49
Scherpstelfunctie........................ 72
Scherpstellen ..............................68
Scherpstellingsindicator............. 69
Scherpstelvergrendeling.............71
Scherpte...................................... 92
Schouderriem .............................23
SD-geheugenkaart......................18
Sluitertijd..............................56, 60
Sluitertijdvoorkeur ..................... 60
Sportactie ...................................53
Spot ............................................88
SteadyShot-functie.....................45
Stofpreventiefunctie...................28
Stroombesp...............................124
T
Taal...........................................124
Technische gegevens................146
Terugstellen..............................128
Tot halverwege indrukken .........48
Transportfunctie.........................99
U
USB-verbinding .......................131
V
Velddiepte..................................56
Vergroot beeld..........................105
Versie .......................................127
Verzadiging................................ 92
Vooringestelde witbalans........... 95
W
Wissen......................................113
NL
168
Witbalans....................................95
Witbalansbracket ......................102
Z
Zelfontspanner..........................100
Zoeker...................................22, 39
Zoekerkapje ................................24
Zoekersensors...........................126
Zonsondergang ...........................54

Documenttranscriptie

Nederlands WAARSCHUWING Om het gevaar van brand of elektrische schokken te verkleinen, mag het apparaat niet worden blootgesteld aan regen of vocht. BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES BEWAAR DEZE INSTRUCTIES GEVAAR OM DE KANS OP BRAND EN ELEKTRISCHE SCHOKKEN TE VERKLEINEN, HOUDT U ZICH NAUWGEZET AAN DEZE INSTRUCTIES. Als de vorm van de stekker niet past in het stopcontact, gebruikt u een stekkeradapter van de juiste vorm voor het stopcontact. LET OP Accu Bij onjuist gebruik van de accu, kan de accu barsten, brand veroorzaken en chemische brandwonden tot gevolg hebben. Houd rekening met de volgende voorzorgsmaatregelen. • Demonteer de accu niet. • Plet de accu niet en stel deze niet bloot aan schokken of stoten, laat deze niet vallen en ga er niet op staan. • Veroorzaak geen kortsluiting en zorg dat er geen metalen voorwerpen in aanraking komen met de aansluitpunten. • Stel de accu niet bloot aan hoge temperaturen boven 60 °C, zoals direct zonlicht of in een auto die in de zon geparkeerd staat. • Verbrand de accu niet en gooi deze niet in het vuur. • Gebruik geen beschadigde of lekkende lithiumion batterijen. • Laad de accu op met een echte Sonyacculader of een apparaat waarmee de accu kan worden opgeladen. • Houd de accu buiten het bereik van kleine kinderen. • Houd de accu droog. • Vervang de accu alleen door hetzelfde accutype of een vergelijkbaar accutype dat door Sony wordt aanbevolen. • Gooi de gebruikte accu zo snel mogelijk weg volgens de instructies. 2 NL Acculader Zelfs als het CHARGE-lampje niet brandt, is de acculader niet losgekoppeld van de wisselstroombron zolang de stekker ervan in het stopcontact zit. Als zich een probleem voordoet tijdens het gebruik van de acculader, onderbreekt u de stroomvoorziening onmiddellijk door de stekker uit het stopcontact te trekken. Verwijdering van oude elektrische en elektronische apparaten (Toepasbaar in de Europese Unie en andere Europese landen met gescheiden ophaalsystemen) Voor klanten in Europa Kennisgeving voor klanten in de landen waar EU-richtlijnen van toepassing zijn De fabrikant van dit product is Sony Corporation, 1-7-1 Konan Minato-ku Tokyo, 108-0075 Japan. De geautoriseerde vertegenwoordiger voor EMC en productveiligheid is Sony Deutschland GmbH, Hedelfinger Strasse 61, 70327 Stuttgart, Duitsland. Voor kwesties met betrekking tot service of garantie kunt u het adres in de afzonderlijke service- en garantiedocumenten gebruiken. Het symbool op het product of op de verpakking wijst erop dat dit product niet als huishoudelijk afval mag worden behandeld. Het moet echter naar een plaats worden gebracht waar elektrische en elektronische apparatuur wordt gerecycled. Als u ervoor zorgt dat dit product op de correcte manier wordt verwijderd, voorkomt u voor mens en milieu negatieve gevolgen die zich zouden kunnen voordoen in geval van verkeerde afvalbehandeling. De recycling van materialen draagt bij tot het vrijwaren van natuurlijke bronnen. Voor meer details in verband met het recyclen van dit product, neemt u contact op met de gemeentelijke instanties, het bedrijf of de dienst belast met de verwijdering van huishoudafval of de winkel waar u het product hebt gekocht. NL 3NL Verwijdering van oude batterijen (in de Europese Unie en andere Europese landen met afzonderlijke inzamelingssystemen) Dit product is getest en voldoet aan de beperkingen die zijn uiteengezet in de EMC-richtlijn voor het gebruik van een verbindingskabel van minder dan 3 meter. Let op De elektromagnetische velden bij de specifieke frequenties kunnen het beeld en het geluid van dit apparaat beïnvloeden. Dit symbool op de batterij of verpakking wijst erop dat de meegeleverde batterij van dit product niet als huishoudelijk afval behandeld mag worden. Op sommige batterijen kan dit symbool voorkomen in combinatie met een chemisch symbool. De chemische symbolen voor kwik (Hg) of lood (Pb) worden toegevoegd als de batterij meer dan 0,0005 % kwik of 0,004 % lood bevat. Door deze batterijen op juiste wijze af te voeren, voorkomt u voor mens en milieu negatieve gevolgen die zich zouden kunnen voordoen in geval van verkeerde afvalbehandeling. Het recycleren van materialen draagt bij tot het vrijwaren van natuurlijke bronnen. In het geval dat de producten om redenen van veiligheid, prestaties dan wel in verband met data-integriteit een permanente verbinding met batterij vereisen, dient deze batterij enkel door gekwalificeerd servicepersoneel vervangen te worden. Om ervoor te zorgen dat de batterij op een juiste wijze zal worden behandeld, dient het product aan het eind van zijn levenscyclus overhandigd te worden aan het desbetreffende inzamelingspunt voor de recyclage van elektrisch en elektronisch materiaal. Voor alle andere batterijen verwijzen we u naar het gedeelte over hoe de batterij veilig uit het product te verwijderen. Overhandig de batterij bij het desbetreffende inzamelingspunt voor de recyclage van batterijen. Voor meer details in verband met het recyclen van dit product of batterij, neemt u contact op met de gemeentelijke instanties, het bedrijf of de dienst belast met de verwijdering van huishoudafval of de winkel waar u het product hebt gekocht. 4 NL Kennisgeving Als de gegevensoverdracht halverwege wordt onderbroken (mislukt) door statische elektriciteit of elektromagnetische storing, moet u de toepassing opnieuw starten of de verbindingskabel (USB, enzovoort) loskoppelen en opnieuw aansluiten. Opmerkingen over het gebruik van de camera Opnamefuncties In de Live View-stand voor handmatige scherpstellingscontrole kan het opgenomen beeld verschillen van het beeld dat u met de LCD monitor zag. Geen compensatie voor de inhoud van de opnamen Voor mislukte opnamen door een gebrekkige werking van uw camera, een geheugenkaart, enz. kan geen schadevergoeding worden geëist. Aanbeveling reservekopie Om mogelijk verlies van beeldgegevens te voorkomen, dient u altijd een (reserve) kopie van de gegevens op een ander medium te maken. Opmerkingen over de LCD-monitor en lens • De LCD-monitor is vervaardigd met gebruikmaking van uiterst nauwkeurige precisietechnologie zodat meer dan 99,99% van de pixels effectief kan worden gebruikt. Het is echter mogelijk dat enkele kleine zwarte punten en/of oplichtende punten (wit, rood, blauw of groen) permanent op de LCD-monitor zichtbaar zijn. Dit is een normaal gevolg van het productieproces en heeft geen enkele invloed op de beelden. Dit is normaal. Als u de camera op een koude plaats inschakelt, kan de LCDmonitor tijdelijk donker zijn. Als de camera is opgewarmd, zal de LCDmonitor normaal werken. • Duw niet op de LCD-monitor. De kleuren op de LCD-monitor kunnen veranderen waardoor zich een storing kan voordoen. Waarschuwing over copyright Televisieprogramma's, films, videobanden en ander materiaal kunnen beschermd zijn door auteursrechten. Het zonder toestemming opnemen van dergelijk materiaal kan in strijd zijn met de wetten op de auteursrechten. De afbeeldingen die in deze gebruiksaanwijzing worden gebruikt De foto's die in deze gebruiksaanwijzing als voorbeelden worden gebruikt, zijn gereproduceerde beelden die niet daadwerkelijk met deze camera zijn opgenomen. Informatie over de gegevensspecificaties die in deze gebruiksaanwijzing worden beschreven De gegevens over prestaties en specificaties worden gedefinieerd onder de volgende omstandigheden, behalve voor zover beschreven in deze gebruiksaanwijzing: bij een standaardomgevingstemperatuur van 25ºC, en met een volledig opgeladen accu. Zwarte, witte, rode, blauwe en groene punten • Stel de camera niet bloot aan direct zonlicht. Als het zonlicht wordt weerkaatst op een voorwerp in de buurt, kan brand ontstaan. Als u de camera toch in direct zonlicht moet plaatsen, bevestigt u de lensdop. • Op een koude plaats kunnen beelden een schaduw vormen op de LCD-monitor. 5NL Inhoud Opmerkingen over het gebruik van de camera .................. 5 De camera voorbereiden De bijgeleverde accessoires controleren ......................... 10 De accu voorbereiden ...................................................... 11 Een lens bevestigen ......................................................... 16 Een geheugenkaart plaatsen ............................................ 18 De camera voorbereiden .................................................. 21 De bijgeleverde accessoires gebruiken ............................ 23 Controleren hoeveel beelden kunnen worden opgenomen ........ 25 Reiniging ......................................................................... 27 Voordat u het toestel bedient Plaats van de onderdelen en schermindicators ................ 30 Voorzijde .................................................................... 30 Achterzijde ................................................................. 31 Bovenzijde .................................................................. 32 Zijkanten/onderkant ................................................... 33 De opname-informatie wisselen (DISP) .................... 34 LCD-monitor (Grafische weergave) .......................... 35 LCD-monitor (Standaardweergave) ........................... 37 Zoeker ........................................................................ 39 Een functie/instelling selecteren ...................................... 40 Een functie selecteren met de Fn (Functie)-knop ...... 41 De functies die met de Fn (Functie)-knop geselecteerd kunnen worden .................................................. 42 De functies die met de MENU-knop geselecteerd kunnen worden ............................................................... 42 Beelden opnemen Beelden zonder camerabeweging vastleggen .................. 44 Correcte houding ........................................................ 44 De SteadyShot-functie gebruiken .............................. 45 Een statief gebruiken .................................................. 46 / De automatische instelling gebruiken voor een opname ........................................................................ 47 Een opname maken met een voor het onderwerp geschikte instelling (Scènekeuzefunctie) ................................... 49 Portretfoto's nemen ............................................... 50 Landschapsfoto's nemen ....................................... 51 Foto's maken van een klein onderwerp ................ 52 Foto's maken van een bewegend onderwerp ........ 53 Foto's nemen van een zonsondergang ................. 54 Nachtfoto's maken ............................................... 55 6 NL Maak de afbeelding zoals u die wilt maken (Belichtingsfunctie)..................................................... 56 De geprogrammeerde automatische opnamefunctie gebruiken ........................................................... 57 Een opname maken door de wazigheid van de achtergrond te regelen (Diafragmavoorkeur) ...... 58 Het vastleggen van een bewegend onderwerp met verschillende uitdrukkingen (Sluitertijdvoorkeur) ............................................................................ 60 Een opname maken waarbij de belichting handmatig is gewijzigd (Handmatige belichting) ............... 63 Een opname maken met een naijlend effect met een lange belichtingstijd (BULB) ............................ 66 De opnamefunctie gebruiken De scherpstelmethode selecteren ..................................... 68 Automatisch scherpstellen gebruiken ........................ 68 Een opname nemen met uw gewenste compositie (Scherpstelvergrendeling) .................................. 71 De scherpstelmethode kiezen die geschikt is voor de beweging van het onderwerp (Automatische scherpstelfunctie) .............................................. 72 Het scherpstelveld (AF-gebied) kiezen ...................... 73 De scherpstelling handmatig wijzigen (Handmatige scherpstelling) ................................................... 74 Opnamen maken met de handmatige scherpstellingscontrole Live View ................................................................... 75 De opname-informatie wisselen (DISP) .................... 77 LCD-monitor .............................................................. 78 De flitser gebruiken ......................................................... 80 Een draadloze-flitsopname maken ............................. 83 De helderheid van het beeld wijzigen (Belichting, flitscompensatie, meting) ........................................... 84 Een opname maken met een vastgelegde helderheid (AE-vergrendeling) ........................................... 84 Helderheidscompensatie voor het hele beeld gebruiken (Belichtingscompensatie) .................................. 85 De hoeveelheid flitslicht aanpassen (Flitscompensatie) ............................................................................ 86 De flitsregeling selecteren om de hoeveelheid flitslicht in te stellen (Flitsregeling) .................................... 87 7NL De methode selecteren voor lichtmeting van het onderwerp (Lichtmeetfunctie) ........................... 88 Automatisch de helderheid en het contrast compenseren (Dynamisch Bereik) ................................................... 89 De helderheid van het beeld corrigeren (Dynamischbereikoptimalisatie) ........................................... 89 Automatisch compenseren met rijke gradatie (Automatisch Hoog Dynamisch Bereik) ........... 90 Beeldverwerking .............................................................. 92 De door u gewenste beeldverwerking kiezen (Instellingen) ...................................................... 92 Het bereik van de gereproduceerde kleuren wijzigen (Kleurenruimte).................................................. 93 Instelling ISO ................................................................... 94 De kleurtinten (Witbalans) instellen ................................ 95 De witbalans aanpassen zodat deze bij een bepaalde lichtbron past (Automatisch/vooringestelde witbalans) .......................................................... 95 De kleurtemperatuur en een filtereffect instellen (Kleurtemperatuur/kleurfilter) ........................... 96 De kleurtinten opslaan (Eigen witbalans) .................. 97 De transportfunctie selecteren ............................ 99 Enkele opnamen nemen ............................................. 99 Continu opnemen ....................................................... 99 De zelfontspanner gebruiken .................................... 100 Beelden opnemen met verschoven belichting (Belichtingsbracket) ........................................ 101 Opnemen met witbalansverschuiving (Witbalansbracket) .......................................... 102 Opnamen maken met de draadloze afstandsbediening .......................................................................... 103 Beelden weergeven ........................................................ 104 De weergavefuncties De informatie over opgenomen beelden controleren ....... 109 Beelden beveiligen (Beveiligen) ................................... 112 gebruiken Beelden wissen (Wissen) ............................................... 113 Beelden bekijken op een tv-scherm ............................... 115 8 NL Uw instellingen wijzigen De beeldgrootte en de beeldkwaliteit instellen .............. 118 De methode voor opnemen op een geheugenkaart instellen ................................................................................... 120 De instelling voor ruisonderdrukking wijzigen ............. 122 De functie van de AEL-knop wijzigen .......................... 123 Andere instellingen wijzigen ......................................... 124 De LCD-monitor instellen ............................................. 125 De versie van de camera controleren ............................. 127 Op de standaardinstellingen terugstellen ....................... 128 Beelden bekijken Met uw computer ........................................................... 130 op uw computer De software gebruiken ................................................... 137 Beelden afdrukken DPOF opgeven .............................................................. 142 Beelden afdrukken door de camera aan te sluiten op een printer die compatibel is met PictBridge .................. 144 Overige Technische gegevens ..................................................... 146 Problemen oplossen ....................................................... 150 Waarschuwingsmededelingen ....................................... 159 Voorzorgsmaatregelen ................................................... 162 Index ............................................................................. 165 9NL De camera voorbereiden De bijgeleverde accessoires controleren Het cijfer tussen haakjes geeft het aantal stuks aan. • BC-VM10 Acculader (1)/ Netsnoer (1) • Oplaadbare accu NP-FM500H (1) • USB-kabel (1) • Schouderriem (1) • Zoekerkapje (1) • Lensvattingdop (1) (bevestigd op de camera) • Oogschelp (1) (bevestigd op de camera) • Cd-rom (toepassingssoftware voor α camera) (1) 10 NL • Gebruiksaanwijzing (deze gebruiksaanwijzing) (1) De accu voorbereiden Zorg ervoor dat u de NP-FM500H "InfoLITHIUM"-accu (bijgeleverd) oplaadt als u de camera voor het eerst gebruikt. De camera voorbereiden De accu opladen De "InfoLITHIUM"-accu kan zelfs worden opgeladen als deze niet volledig leeg is. Hij kan tevens worden gebruikt als hij niet volledig is opgeladen. 1 Plaats de accu in de acculader. Duw de accu erin totdat deze vastklikt. 2 Sluit het netsnoer aan. Lampje aan: Opladen Lampje uit: Klaar (normale lading) Eén uur nadat het lampje uit is gegaan: volledig opgeladen CHARGE-lamp Naar een stopcontact Over de oplaadtijd • De vereiste tijd voor het opladen van een volledig lege accu (bijgeleverd) bij een temperatuur van 25°C is als volgt. Volledige lading Normale lading Ong. 235 min. Ong. 175 min. • Afhankelijk van de resterende accucapaciteit of de oplaadomstandigheden kan de oplaadtijd langer of korter zijn. 11NL • We raden u aan om de accu op te laden bij een omgevingstemperatuur van 10 tot 30°C. Bij hogere of lagere temperatuur kan het zijn dat u de accu niet efficiënt kunt opladen. Opmerkingen • Sluit de acculader op het dichtstbijzijnde stopcontact aan. • Als het opladen klaar is, trekt u de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en haalt u de accu uit de acculader. De levensduur van de accu kan korter worden als u deze opgeladen in de acculader laat zitten. • Laad geen andere accu dan de accu van de "InfoLITHIUM" M-reeks op in de acculader (bijgeleverd) met uw camera. Als u andere accu's dan de bijgeleverde accu probeert op te laden, kunnen deze gaan lekken, oververhit raken of exploderen, waardoor gevaar van letsel als gevolg van elektrocutie en brandwonden ontstaat. • Als het CHARGE-lampje knippert, kan dit een accufout aangeven of het feit dat een andere accu dan het opgegeven type is geplaatst. Controleer of de geplaatste accu van het opgegeven type is. Als de accu van het opgegeven type is, verwijdert u de accu, vervangt u deze door een nieuwe of een andere, en controleert u of de acculader nu wel goed werkt. Als de acculader nu wel goed werkt, kan een accufout zijn opgetreden. • Als de acculader vuil is, is het mogelijk dat de accu niet goed wordt opgeladen. Maak de acculader schoon met een droge doek, enz. De camera in het buitenland gebruiken — Stroomvoorziening U kunt de camera, de acculader en de AC-PW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar) in elk land of gebied gebruiken met een stroomvoorziening van 100 V tot 240 V wisselstroom van 50/60 Hz. Opmerking • Gebruik geen elektronische transformator (reistrafo), omdat hierdoor een storing kan optreden. 12 NL De opgeladen accu in de camera plaatsen 1 Open het accuklepje terwijl u de De camera voorbereiden hendel van het accuklepje verschuift. 2 Verschuif de vergrendelingshendel met de punt van de accu en stop de accu helemaal in de camera. Vergrendelingshendel 3 Sluit het accuklepje. De accu verwijderen Schakel de camera uit, en verschuif de vergrendelingshendel in de richting van de pijl. Wees voorzichtig dat de accu niet valt. Vergrendelingshendel 13NL Het accuklepje verwijderen Het accuklepje kan worden verwijderd zodat de VG-B50AM Verticale Handgreep (los verkrijgbaar) kan worden bevestigd. Duw de hendel in de richting van de pijl en schuif deze weg zodat u het klepje kunt verwijderen. Plaats de verdikking in het gat, trek de hendel naar beneden en bevestig het klepje door het naar binnen te schuiven. De resterende acculading controleren Controleer het niveau aan de hand van de volgende indicators en percentages die op de LCD-monitor worden weergegeven. "Accu leeg" Accuniveau Hoog Laag U kunt geen foto's meer maken. Wat is een "InfoLITHIUM"-accu? Een "InfoLITHIUM"-accu is een lithium-ionbatterij die functies bevat voor het uitwisselen van informatie met betrekking tot de gebruiksomstandigheden van uw camera. Wanneer u de "InfoLITHIUM"accu gebruikt, wordt de resterende accuduur weergegeven in percentages op basis van de gebruiksomstandigheden van uw camera. Opmerkingen • Het weergegeven niveau zal in bepaalde omstandigheden mogelijk niet correct zijn. • Laat de accu niet nat worden. De accu is niet waterdicht. • Laat de accu niet liggen op zeer warme plaatsen, zoals in een voertuig of in direct zonlicht. Verkrijgbare accu's Gebruik alleen een NP-FM500H-accu. N.B. De typen NP-FM55H, NPFM50 en NP-FM30 kunnen niet worden gebruikt. 14 NL Levensduur van de accu • De levensduur van de accu is beperkt. De capaciteit van de accu neemt geleidelijk af naarmate u deze meer gebruikt en de tijd verstrijkt. Als de gebruiksduur van de accu aanzienlijk korter lijkt te worden, is de meest waarschijnlijke oorzaak dat het einde van de levensduur van de accu is bereikt. Koop een nieuwe accu. • De levensduur van de accu wordt bepaald door de manier waarop deze wordt bewaard en door de omstandigheden en omgeving waarin de accu wordt gebruikt. De camera voorbereiden Doeltreffend gebruik van de accu • Bij lage temperaturen verminderen de prestaties van de accu. Dus de tijd dat de accu kan worden gebruikt is korter in een koude omgeving en de snelheid van continuopnamen neemt af. Het verdient aanbeveling de accu in een van de zakken van uw kleding te bewaren om deze op te warmen, en deze in de camera te plaatsen vlak voordat u begint met opnemen. • De accu raakt snel leeg als u vaak flitst, vaak continue opnamen maakt of de camera regelmatig in- en uitschakelt. • Wanneer u de Live View-functie voor handmatige scherpstellingscontrole gebruikt, is er minder tijd beschikbaar dan wanneer u opnamen maakt met alleen de zoeker. Hoe u de accu moet bewaren Om de levensduur van de accu te verlengen als de accu gedurende een lange tijd niet gebruikt wordt, laadt u deze eenmaal per jaar volledig op en verbruikt u de lading volledig met uw camera, voordat u de accu weer bewaart op een droge, koele plaats. 15NL Een lens bevestigen 1 Haal de lensvattingdop van de camera en haal de verpakkingsklep van de achterzijde van de lens. • Als u de lens verwisselt, doe dit dan snel en op een stofvrije plaats om ervoor te zorgen dat er geen stof of vuil in de camera binnendringt. Lensvattingdop Verpakkingsklep 2 Lijn eerst de oranje uitlijnmarkeringen op de lens en de camera op elkaar uit. Oranje indexmarkeringen 3 Draai vervolgens de lens rechtsom tot deze met een klik wordt vergrendeld. • Het is belangrijk dat u de lens recht op de camera zet. Opmerkingen • Bij het bevestigen van de lens, mag u de lensontgrendelingsknop niet indrukken. • Oefen bij het bevestigen van de lens geen grote kracht uit. 16 NL De lens verwijderen 1 Druk de lensontgrendelingsknop helemaal in en draai de lens linksom tot aan de aanslag. 2 Plaats de verpakkingsklep weer op de lens en bevestig de lensvattingdop op de camera. • Verwijder eerst stof voordat u deze bevestigt. • Bij de DT 18-55 mm F3,5-5,6 SAM-lens De camera voorbereiden Lensontgrendelingsknop wordt geen achterlensdop geleverd. Wanneer u de lens wilt bewaren zonder deze aan de camera te bevestigen, dient u de achterlensdop ALC-R55 aan te schaffen. Opmerking over verwisseling van de lens Als bij de verwisseling van de lens stof of vuil de camera binnendringt en op het oppervlak komt van de beeldsensor (het onderdeel dat werkt als de film), kan dit afhankelijk van de opnameomstandigheden zichtbaar zijn in het beeld. De camera is uitgerust met een stofpreventiefunctie om te voorkomen dat stof op de beeldsensor komt. Toch moet u de lens snel en op een stofvrije plaats verwisselen als u een lens bevestigt/verwijdert. Als er stof of vuil op de beeldsensor terechtkomt Reinig de beeldsensor in [Reinigen] van het menu Instellingen (blz. 28). 17NL Een geheugenkaart plaatsen Alleen "Memory Stick PRO Duo", "Memory Stick PRO-HG Duo", SDgeheugenkaarten en SDHC-geheugenkaarten kunnen met deze camera worden gebruikt. Een MultiMediaCard kan niet met deze camera worden gebruikt. In deze gebruiksaanwijzing worden de "Memory Stick PRO Duo" en "Memory Stick PRO-HG Duo" "Memory Stick PRO Duo" genoemd en worden de SD-geheugenkaart en SDHC-geheugenkaart "SD-geheugenkaart" genoemd. 1 Open de klep van het geheugenkaartcompartiment. 2 Plaats de "Memory Stick PRO Duo" of een SD-geheugenkaart. Bovenkant (SD-geheugenkaart) Aansluitingszijde • Plaats de geheugenkaart totdat deze vastklikt, zoals afgebeeld. Bovenkant ("Memory Stick PRO Duo") Aansluitingszijde 3 Selecteer met de geheugenkaartschakelaar het type geheugenkaart dat u wilt gebruiken. 18 NL 4 Sluit het deksel van het geheugenkaartcompartiment. De geheugenkaart verwijderen De camera voorbereiden Controleer of het toegangslampje uit is en open vervolgens de klep van het geheugenkaartcompartiment en druk één keer op de geheugenkaart. Toegangslampje Opmerkingen over het gebruik van geheugenkaarten • Zorg dat u de geheugenkaart nergens tegen aan stoot, niet verbuigt en niet laat vallen. • Gebruik of bewaar de geheugenkaart niet in de volgende omstandigheden: – Plaatsen met een hoge temperatuur, zoals in een hete auto die in de zon is geparkeerd. – Plaatsen die zijn blootgesteld aan direct zonlicht. – Op vochtige plaatsen of plaatsen waar zich corrosieve stoffen bevinden. • De geheugenkaart kan als deze zopas lang is gebruikt, heet zijn. Wees voorzichtig als u de kaart vastpakt. • Verwijder de geheugenkaart of de accu niet als het toegangslampje aan is en schakel in dat geval ook de camera niet uit. De gegevens kunnen beschadigd worden. • Er kunnen gegevens beschadigd raken als u een geheugenkaart dicht bij magnetisch materiaal legt of als u de geheugenkaart gebruikt in een omgeving die vatbaar is voor statische elektriciteit of elektrische ruis. • We raden u aan om belangrijke gegevens op te slaan op bijvoorbeeld de harde schijf van een computer. • Wanneer u de geheugenkaart draagt of bewaart, plaatst u deze terug in het doosje dat erbij geleverd werd. • Stel de geheugenkaart niet bloot aan water. • Raak de aansluitingen van de geheugenkaart niet aan met uw hand of een metalen voorwerp. 19NL • Wanneer de schrijfbeveiligingsschakelaar van een geheugenkaart is ingesteld op de LOCK-positie, kunt u geen bewerkingen uitvoeren, zoals het opnemen of verwijderen van beelden. • De "Memory Stick PRO Duo" met een capaciteit tot 32 GB en de SDgeheugenkaarten met een capaciteit tot 32 GB werken gegarandeerd goed met deze camera. • Wij kunnen de juiste werking van geheugenkaarten die op een computer zijn geformatteerd niet garanderen in deze camera. Het is belangrijk dat u de geheugenkaarten formatteert met behulp van de camera. • De lees-/schrijfsnelheid van de gegevens verschilt afhankelijk van de combinatie van de geheugenkaarten en de gebruikte apparatuur. • Druk niet hard wanneer u in het aantekeningenvak schrijft. • Bevestig geen etiket op de geheugenkaarten zelf. • Demonteer of wijzig de geheugenkaarten niet. • Laat de geheugenkaarten niet liggen binnen het bereik van kleine kinderen. Zij kunnen deze per ongeluk inslikken. Opmerkingen over het gebruik van de "Memory Stick" in de camera De typen "Memory Stick" die in deze camera kunnen worden gebruikt, worden in de onderstaande tabel vermeld. Er kan echter niet worden gegarandeerd dat alle functies van de "Memory Stick PRO Duo" correct werken. "Memory Stick PRO Duo"* Beschikbaar bij uw camera "Memory Stick PRO-HG Duo"* "Memory Stick Duo" Niet beschikbaar bij uw camera "Memory Stick" en "Memory Stick PRO" Niet beschikbaar bij uw camera * Deze is uitgerust met de functie MagicGate. MagicGate is technologie ter bescherming van het auteursrecht op basis van versleuteling. Het opnemen/afspelen van gegevens waarvoor functies van MagicGate zijn vereist, is met deze camera niet mogelijk. * Ondersteunt snelle gegevensoverdracht op basis van een parallelle interface. 20 NL De camera voorbereiden De datum instellen De camera voorbereiden Als u de camera voor het eerst inschakelt, wordt het scherm voor de instelling van de Datum/tijd weergegeven. 1 Zet de stroomschakelaar op ON om de camera in te schakelen. • Om de camera uit te schakelen, zet u deze op OFF. 2 Controleer op de LCD-monitor of [OK] is geselecteerd en druk vervolgens op het midden van de controller. 3 Selecteer ieder onderdeel met b/B, en stel de numerieke waarde in met v/V. • Bij het wijzigen van de volgorde van [JJJJ/MM/DD], selecteert u eerst [JJJJ/ MM/DD] met b/B, en wijzigt u het vervolgens met v/V. 4 Herhaal stap 3 om andere onderdelen in te stellen, en druk dan op het midden van de controller. 21NL 5 Controleer op de LCD-monitor of [OK] is geselecteerd en druk vervolgens op het midden van de controller. De bewerking voor de instelling van de datum en tijd annuleren Druk op de MENU-knop. De datum/tijd opnieuw instellen MENU-knop t 1 t [Datum/tijd inst] De scherpte van de zoeker (dioptrie-instelling) instellen Stel de dioptrie af op uw gezichtsvermogen door het dioptrieinstelwiel te draaien totdat de display in de zoeker scherp te zien is. • Als u de camera op een lamp richt, kunt u de dioptrie gemakkelijk instellen. • Wanneer de indicatoren niet duidelijk te zien zijn, ook niet als u de dioptrie aanpast, kunt u het beste een dioptrische aanpassing gebruiken (los verkrijgbaar). Wanneer u het dioptrie-instelwiel moeilijk kunt draaien Plaats uw vingers onder de oogschelp en schuif deze naar boven om de oogschelp te verwijderen, stel dan de dioptrie in. 22 NL De bijgeleverde accessoires gebruiken De schouderriem bevestigen Bevestig beide uiteinden van de riem aan de camera. De camera voorbereiden In dit deel wordt beschreven hoe u de schouderriem, het zoekerkapje en de oogschelp kunt gebruiken. De overige accessoires worden beschreven op de volgende pagina's. • Oplaadbare accu (blz. 11) • Acculader, netsnoer (blz. 11) • USB-kabel (blz. 131, 144) • Cd-rom (blz. 138) Zoekerkapje • U kunt ook het zoekerkapje (blz. 24) aan de riem vastmaken. 23NL Het zoekerkapje en de oogschelp gebruiken U kunt voorkomen dat er licht door de zoeker binnenvalt en de belichting verstoort. Bevestig het zoekerkapje als de sluiter wordt ontspannen zonder gebruikmaking van de zoeker, zoals bij een zelfontspanneropname. 1 Schuif voorzichtig de oogschelp van de camera af door de beide onderuiteinden omhoog te duwen. • Steek uw vingers onder de oogschelp en schuif de oogschelp omhoog. • Verwijder en bevestig de oogschelp zoals aangegeven in de illustratie als u de zoekerloep FDAM1AM (los verkrijgbaar), de hoekzoeker FDA-A1AM (los verkrijgbaar) of de vergrotende zoeker FDA-ME1AM (los verkrijgbaar) op de camera wilt bevestigen. 2 Schuif het zoekerkapje over de zoeker. Opmerkingen • Wanneer u opnamen maakt met het zoekerkapje, kunnen de sensoren van het zoekerkapje niet worden geactiveerd. Schakel, wanneer u het zoekerkapje gebruikt, zowel [Eye-Start AF] (blz. 70) als [Autom.uitsch.] (blz. 126) uit. • U kunt de LCD-monitor uitschakelen met de DISP-knop (Weergave). 24 NL Controleren hoeveel beelden kunnen worden opgenomen Opmerkingen • Wanneer "0" (het aantal opneembare beelden) geel knippert, is de geheugenkaart vol. Vervang de geheugenkaart door een andere of wis beelden op de huidige geheugenkaart (blz. 113). • Wanneer "NO CARD" (het aantal opneembare beelden) geel knippert, betekent dit dat er geen geheugenkaart is geplaatst. Plaats een geheugenkaart. De camera voorbereiden Nadat u een geheugenkaart in de camera hebt geplaatst en de stroomschakelaar hebt ingesteld op ON, wordt het aantal beelden dat kan worden opgenomen (als u blijft opnemen met de huidige instellingen) afgebeeld op de LCD-monitor. Het aantal beelden dat op een geheugenkaart kan worden opgenomen De onderstaande tabel laat zien hoeveel beelden bij benadering kunnen worden opgenomen op een geheugenkaart die met deze camera is geformatteerd. De waarden zijn gedefinieerd aan de hand van tests met standaardgeheugenkaarten van Sony. De waarden kunnen variëren afhankelijk van de opnameomstandigheden. Beeldgrootte: L 14M Beeldverhoud.: 3:2* "Memory Stick PRO Duo" Capaciteit Formaat Standaard (Eenheden: beelden) 2GB 4GB 8GB 16GB 32GB 7188 451 893 1796 3642 Fijn 319 633 1273 2582 5096 RAW & JPEG 92 184 370 752 1485 RAW 131 260 523 1062 2097 25NL SD-geheugenkaart Capaciteit Formaat Standaard (Eenheden: beelden) 2GB 4GB 8GB 16GB 32GB 442 890 1793 3642 7188 Fijn 313 631 1271 2582 5096 RAW & JPEG 90 183 370 752 1485 RAW 128 259 522 1062 2097 * U kunt meer beelden opnemen dan is aangegeven in de bovenstaande tabel als u de [Beeldverhoud.] instelt op [16:9]. Het aantal is echter hetzelfde als dat van de beeldverhouding [3:2] bij een instelling op [RAW]. Het aantal beelden dat kan worden opgenomen bij gebruik van een accu Het aantal beelden dat u bij benadering kunt opnemen is 1050 als u de camera gebruikt met de accu (bijgeleverd) op volle capaciteit. Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden kunnen de werkelijke aantallen lager uitvallen dan hier aangegeven. • Het aantal wordt berekend aan de hand van een volle accu en voor de volgende omstandigheden: – Bij een omgevingstemperatuur van 25°C. – [Kwaliteit] is ingesteld op [Fijn]. – [Autom. scherpst.] is ingesteld op (Automatische AF). – Als u iedere 30 seconden eenmaal opneemt. – Als de flitser iedere twee keer eenmaal afgaat. – Als de camera na elke tien opnamen eenmaal wordt uit- en ingeschakeld. • De meetmethode is gebaseerd op de CIPA-norm. (CIPA: Camera & Imaging Products Association) 26 NL Reiniging De camera reinigen De camera voorbereiden • Raak de binnenkant van de camera, zoals de lenscontactpunten of de spiegel, niet aan. Stof op of bij de spiegel zal misschien een nadelige invloed hebben op de werking van het automatischescherpstelsysteem, blaas daarom het stof weg met een in de handel verkrijgbaar blaasborsteltje*. Meer informatie over het reinigen van de beeldsensor vindt u op de volgende bladzijde. * Gebruik geen spuitbusluchtblazer. Hierdoor kan een storing optreden. • Maak de buitenkant van de camera schoon met een zachte doek bevochtigd met water en veeg het oppervlak daarna droog met een droge doek. Gebruik de onderstaande middelen niet, omdat deze de afwerking of het camerabehuizing kunnen beschadigen. – Chemische stoffen, zoals thinner, wasbenzine, alcohol, wegwerpreinigingsdoeken, insectenspray, zonnebrandcrème, insecticiden, enz. – Raak de camera niet aan als bovenstaande middelen op uw handen zit. – Laat de camera niet langdurig in contact met rubber of vinyl. Reiniging van de lens • Gebruik geen reinigingsvloeistof die organische oplosmiddelen bevat, zoals thinner of benzine. • Reinig het lensoppervlak met een in de handel verkrijgbaar blaasborsteltje. Als het vuil vast zit op het oppervlak, veegt u dit eraf met een zachte doek of tissue dat licht bevochtigd is met lensreinigingsvloeistof. Veeg met spiraalbewegingen vanuit het midden naar de rand. Spuit de lensreinigingsvloeistof niet rechtstreeks op het lensoppervlak. 27NL De beeldsensor reinigen Als stof of vuil in de camera binnendringt en op de beeldsensor (het onderdeel dat werkt als de film) terechtkomt, kan dit afhankelijk van de opnameomstandigheden zichtbaar zijn in het beeld. Als er stof op de beeldsensor zit, gebruikt u een in de handel verkrijgbare blazer en reinigt u de beeldsensor aan de hand van de onderstaande stappen. U kunt de beeldsensor gemakkelijk reinigen met alleen een blazer en de stofpreventiefunctie. Opmerkingen • Het reinigen kan alleen worden uitgevoerd wanneer het batterijniveau (drie resterende batterijpictogrammen) of meer is. Als de acculading te laag wordt tijdens het reinigen, kan de sluiter beschadigd raken. Het reinigen moet snel worden voltooid. Het gebruik van een AC-PW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar) wordt aanbevolen. • Gebruik geen spuitbusluchtblazer omdat deze waterdruppels in het camerahuis kan verspreiden. 1 Controleer of de accu volledig is opgeladen (blz. 14). 2 Druk op de MENU-knop, selecteer vervolgens controller. 3 met b/B op de MENU-knop 3 Selecteer [Reinigen] met v/V en druk vervolgens op het midden van de controller. De melding "Na het reinigen, camera uitschakelen. Doorgaan?" verschijnt. 4 Selecteer [OK] met v en druk op het midden van de controller. Nadat de beeldsensor gedurende een korte tijd heeft getrild, wordt de spiegel die ervoor zit, opgetild. 28 NL 5 Haal de lens van de camera af (blz. 17). 6 Gebruik de blazer om het De camera voorbereiden oppervlak van de beeldsensor en het omliggende gebied te reinigen. • Raak de beeldsensor niet aan met de punt van de blazer. Voer het reinigen snel uit. • Houd de camera met de lensvatting omlaag gericht om te voorkomen dat stof weer neerdwarrelt binnenin het camerahuis. • Bij het reinigen van de beeldsensor mag u de punt van het blaasborsteltje niet in de ruimte achter de lensvattingopening steken. 7 Bevestig de lens en zet de camera uit. Opmerking • De camera begint te piepen als de acculading laag wordt tijdens het reinigen. Stop onmiddellijk met reinigen en zet de camera uit. 29NL Voordat u het toestel bedient Plaats van de onderdelen en schermindicators Nadere bijzonderheden over de bediening vindt u op de tussen haakjes vermelde bladzijden. Voorzijde A Ontspanknop (47) L Lensontgrendelingsknop (17) B Stroomschakelaar (21) M Schakelaar C Instelwiel (59) D Zelfontspannerlampje (100) E Sensor afstandsbediening F Lenscontactpunten* G Spiegel* H Lensvattingopening I Ingebouwde flits* (80) J Functiekeuzeknop (47 – 67) K Pop-upknop voor de flits (80) 30 NL scherpstellingsfunctie (68, 74) * Raak deze onderdelen niet rechtstreeks aan. Achterzijde B Sensoren van het zoekerkapje (70, 126) C Zoeker* (22, 39) D MENU-knop (42) E DISP-knop (Beeld) (34, 77, 104) F LCD-monitor (35, 104, 109) G H (Weergave)-knop (104) (Wissen)-knop (113) I Voor opname: (Belichting)- knop (85) Voor weergave: (Uitzoom)knop (105)/ (Index)-knop (106) J Voor opname: AEL-knop (AE- vergrendeling) (65, 84) Voor weergave/Stand handmatige scherpstellingscontrole Live View: (Inzoom)-knop (75, 105) Voordat u het toestel bedient A Dioptrie-instelwiel (22) K Voor opname: Fn-knop (Functie) (41, 42) Voor weergave: (Beeld roteren)-knop (105) L Toegangslampje (19) M Controller (v/V/b/B) (40) N Controller (Enter) (40)/AF- knop (73) * Raak deze onderdelen niet rechtstreeks aan. 31NL Bovenzijde A Accessoireschoen (83) B Positiemarkering beeldsensor (70) C MF CHECK LIVE VIEW (Handmatige scherpstellingscontrole Live View)-knop (75) D ISO-knop (94) E (Transporteren)-knop (99) F D-RANGE-knop (Dynamisch bereik) (89) 32 NL Zijkanten/onderkant B (USB)-aansluiting (131, 144) C REMOTE-aansluiting • Sluit de afstandsbediening RMS1AM/RM-L1AM (los verkrijgbaar) aan op de camera door de stekker van de afstandsbediening in de REMOTE-aansluiting te steken waarbij u de stekkergeleider op één lijn brengt met die van de REMOTE-aansluiting. D Bevestigingsogen voor de Voordat u het toestel bedient A HDMI -aansluiting (115) H "Memory Stick PRO Duo"- insteeksleuf (18) I Deksel geheugenkaart J Accuklepje (13) K Schroefgat voor statief • Gebruik een statief met een schroeflengte van minder dan 5,5 mm. U kunt de camera niet stevig bevestigen op een statief waarvan de schroef langer is dan 5,5 mm. Bovendien kan de camera hierdoor beschadigd worden. schouderriem (23) E DC IN-aansluiting • Zet de camera uit als u de ACPW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar) aansluit en sluit de netspanningsadapter vervolgens aan op de DC INaansluiting van de camera. F Geheugenkaartschakelaar G SD-insteeksleuf geheugenkaart (18) 33NL De opname-informatie wisselen (DISP) Schakel tussen de Grafische weergave en de standaardweergave door op de DISPknop te drukken. Als u de camera naar de verticale positie draait, wordt de opname-informatie automatisch geroteerd overeenkomstig de positie van de camera. Raadpleeg bladzijde 77 voor details over DISP-knop de schermstatus in de stand Live View voor handmatige scherpstellingscontrole. Grafische weergave (standaardinstelling) Standaardweergave Geen opname-informatie 34 NL LCD-monitor (Grafische weergave) In de grafische weergave worden de sluitertijd en de diafragmawaarde grafisch weergegeven en wordt duidelijk geïllustreerd hoe de belichting werkt. In de stand AUTO of Scèneselectie zullen sommige items misschien niet weergegeven worden. Nadere bijzonderheden over de bediening vindt u op de tussen haakjes vermelde bladzijden. Scherm Scherm Indicatie Belichtingscompensatie (85)/Gemetenhandmatig (64) Indicatie P A S M Functiekeuzeknop (47 – 67) Voordat u het toestel bedient A EV-schaalverdeling (64, 102) Beeldkwaliteit (119) C Beeldgrootte (118)/ Beeldverhouding (118) Geheugenkaart (18) 100 Resterend aantal opneembare beelden (25) Scherm Indicatie Flitsfunctie (80)/Rodeogen-effectvermindering (82) Transportfunctie (99) 100% Resterend accuvermogen (14) Scherpstellingsfunctie (72) B Scherm Indicatie ISO-gevoeligheid (94) Sluitertijdindicatie (60) Dynamischbereikoptimalisatie (89)/ Auto HDR (90) Diafragma-indicatie (58) 35NL LCD-monitor (Standaardweergave) Nadere bijzonderheden over de bediening vindt u op de tussen haakjes vermelde bladzijden. In AUTO of de scènekeuzefunctie Scherm Scherm Voordat u het toestel bedient A In de stand P/A/S/M Indicatie Transportfunctie (99) Indicatie P A S M Functiekeuzeknop (47 – 67) Scherpstellingsfunctie (72) Beeldkwaliteit (119) AF-gebied (73) AWB Beeldgrootte (118)/ Beeldverhouding (118) Geheugenkaart (18) 100 Resterend aantal opneembare beelden (25) 100% Resterend accuvermogen (14) B Scherm 7500K G9 Witbalans (Automatisch, Vooringesteld, Eigen, Kleurtemperatuur, Kleurfilter) (95) Dynamischbereikoptimalisatie (89)/ Auto HDR (90) Instellingen (92) Lichtmeetfunctie (88) Indicatie Flitsfunctie (80)/Rodeogen-effectvermindering (82) Belichtingscompensatie (85)/Gemetenhandmatig(64) Flitscompensatie (86) 37NL Scherm Indicatie EV-schaalverdeling (64, 102) ISO-gevoeligheid (94) C Scherm Indicatie 1/125 Sluitertijd (60) F2.8 Diafragma (58) +1.0 Belichting (85) AE-vergrendeling (84) SteadyShot (45) 38 NL Zoeker Scherm Scherm Indicatie AF-gebied (73) Scherm Waarschuwing camerabeweging (45) SteadyShotschaalverdeling (45) Opnameveld voor beeldverhouding 16:9 (118) Beeldverhouding 16:9 (118) Indicatie Flitscompensatie (86) Flitser opladen (80) WL Indicatie Breed AF-gebied (73) B Draadloze flitser (83) Hoge-snelheidssynchronisatiestand* Voordat u het toestel bedient A * U kunt met de HVL-F58AM/HVLF42AM-flitser (los verkrijgbaar) met een synchronisatiefunctie met hoge snelheid bij elke sluitertijd een flitsopname maken. Raadpleeg de bij de flitser geleverde gebruiksaanwijzing voor de bevestigingsinstructies van de flitser. Handmatige scherpstelling (74) z Scherpstellen 125 Sluitertijd (60) 5.6 Diafragma (58) EV-schaalverdeling (64, 102) AE-vergrendeling (84) 0 Waarschuwing "opname niet beschikbaar" (99) 39NL Een functie/instelling selecteren U kunt een functie voor het maken of weergeven van een opname selecteren met een van de knoppen, zoals de Fn (Functie)-knop of de MENU-knop. Wanneer u een bewerking start, wordt onderaan het scherm een bedieningsgids met de controllerfuncties weergegeven. : Druk op v/V/b/B op de controller om de cursor te bewegen. z: Druk op het midden van de controller om de selectie uit te voeren. In deze gebruiksaanwijzing wordt de procedure voor het met de controller selecteren van een functie uit de lijst die op het scherm wordt weergegeven als volgt beschreven (wij geven uitleg over de procedure met behulp van de standaardpictogrammen.): Voorbeeld: Fn-knop t AWB (Witbalans) t Kies de gewenste instelling De bedieningsgidslijst De bedieningsgids geeft andere dan controllerbewerkingen aan. De pictogramindicaties zijn als volgt: MENU-knop Keer terug met de MENU-knop (Wis)-knop (Inzoom)-knop (Uitzoom)-knop (Weergave)-knop Instelwiel 40 NL Een functie selecteren met de Fn (Functie)-knop Met deze knop worden functies ingesteld of uitgevoerd die vaak bij het maken van opnamen worden gebruikt 1 Druk op de Fn-knop. Voordat u het toestel bedient 2 Selecteer het item van uw keuze met v/V/b/B op de controller, start vervolgens de uitvoering door z in het midden in te drukken. Het instellingscherm verschijnt. 3 Gebruik de bedieningsgids om de gewenste functies te selecteren en uit te voeren. • Raadpleeg de overeenkomende pagina voor details over het instellen van elk onderdeel. Bedieningsgids De camera instellen direct vanuit het scherm met de opname-informatie Draai het instelwiel zonder op de midden z te drukken in stap 2. U kunt de camera instellen direct vanuit het scherm met de opname-informatie. 41NL De functies die met de Fn (Functie)-knop geselecteerd kunnen worden Transportfunc. (99) Flitsfunctie (80) Autom. scherpst. (72) AF-gebied (73) ISO-gevoeligheid (94) Lichtmeetfunctie (88) Flitscompens. (86) Witbalans (95) DRO/Auto HDR (89) Instellingen (92) De functies die met de MENU-knop geselecteerd kunnen worden U kunt de basisinstellingen instellen voor de camera als geheel of functies uitvoeren zoals opnemen, afspelen of andere bewerkingen. Menu Opname Beeldgrootte (118) Beeldverhoud. (118) Kwaliteit (119) 1 Flitsregeling (87) AF-hulplicht (82) SteadyShot (45) Kleurenruimte (93) Menu Eigen Instellingen Eye-Start AF (70) AEL-knop (84) Rode-ogen-verm. (82) 1 Autom.weergave (125) Autom.uitsch. (126) Stramienlijn (126) Menu Weergave Wissen (113) Formatteren (121) Diavoorstelling (107) 1 Beveiligen (112) Printen opgeven (142) Beeldrotatie (104) 42 NL NR lang-belicht (122) NR bij hoge-ISO (122) 2 Menu Instellingen LCD-helderheid (125) Datum/tijd inst (21) Stroombesp. (LV) (124) 1 Stroombesp.(OVF) (124) CTRL.VOOR HDMI (117) Taal (124) Help-scherm (124) Voordat u het toestel bedient Reinigen (28) 3 Versie (127) Terugstellen (128) Bestandsnummer (120) Mapnaam (120) Map kiezen (121) 2 Nieuwe map (121) USB-verbinding (131, 144) Audiosignalen (124) 43NL Beelden opnemen Beelden zonder camerabeweging vastleggen Er wordt van "camerabeweging" gesproken als de camera ongewild beweegt nadat de ontspanknop is ingedrukt, wat een wazig beeld tot gevolg heeft. Volg de onderstaande instructies om beweging van de camera te verminderen. Correcte houding Stabiliseer uw bovenlichaam en ga in een houding staan die voorkomt dat de camera beweegt. Bij gebruik van de zoeker In de stand handmatige scherpstellingscontrole Live View (blz. 75) Punt 1 Houd met één hand de camera vast, en ondersteun met de andere hand de lens. Punt 2 Ga stevig staan met uw beide voeten ter hoogte van uw schouders. 44 NL Punt 3 Houd uw ellebogen licht tegen uw lichaam gedrukt. Stabiliseer uw bovenlichaam door uw elleboog op uw knie te zetten als u in een knielende positie fotografeert. Camerabewegingswaarschuwing-indicator De (camerabewegingswaarschuwing)indicator knippert in de zoeker als de camera mogelijk gaat bewegen. In dit geval gebruikt u een statief of de flitser. Opmerking • De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt alleen weergegeven voor functies waarbij de sluitertijd automatisch wordt ingesteld. Voor de functies M/S wordt deze indicator niet weergegeven. Beelden opnemen (camerabewegingswaarschuwing)indicator De SteadyShot-functie gebruiken De SteadyShot-functie is in de standaardinstelling op [Aan] ingesteld. De SteadyShot-schaalverdelingsindicator De (SteadyShot-schaalverdeling)indicator geeft de status voor camerabeweging aan. Wacht tot de schaalverdeling omlaag gaat en begin dan met opnemen. (SteadyShot-schaalverdeling)indicator De SteadyShot-functie uitschakelen MENU-knop t 1 t [SteadyShot] t [Uit] 45NL Opmerking • Het is mogelijk dat de SteadyShot-functie niet optimaal werkt wanneer de camera nog maar net is ingeschakeld of wanneer de ontspanknop helemaal is ingedrukt zonder halverwege te stoppen. Een statief gebruiken We raden u aan om de camera in de volgende situaties op een statief te plaatsen. • Zonder flitser in donkere omstandigheden opnamen maken. • Opnemen met lange sluitertijden, dit wordt doorgaans gebruikt bij nachtopnamen. • Een opname maken van een onderwerp dat dichtbij is, zoals een macroopname. • Een opname maken met een telescooplens. Opmerking • Schakel bij gebruik van een statief de SteadyShot-functie uit omdat de SteadyShotfunctie dan mogelijk niet goed werkt. 46 NL / De automatische instelling gebruiken voor een opname In de stand "AUTO" kunt u gemakkelijk een foto maken van een willekeurig onderwerp onder willekeurige omstandigheden, omdat de camera een inschatting maakt van de situatie en de instellingen aanpast. Kies om op te nemen op plaatsen waar u geen flitser mag gebruiken. Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm weergegeven. U kunt het Help-scherm uitschakelen (blz. 124). stand of (Flitser uit). Beelden opnemen 1 Zet de functiekeuzeknop in de of 2 Houd de camera vast en kijk in de zoeker. Er wordt automatisch scherpgesteld op het onderwerp dat over het scherpstelgebied wordt gelegd (Eye-Start AF, blz. 70). 3 Plaats het AF-gebied over het onderwerp van uw keuze. • Als de (camerabewegingswaarschuwing)indicator knippert, maakt u rustig een foto van het onderwerp terwijl u de camera stabiel houdt of gebruikt u een statief. (camerabewegingswaarschuwing)-indicator AF-gebied 4 Bij gebruik van een zoomlens, draait u de zoomring en bepaalt u het beeld. Zoomring 47NL 5 Druk de ontspanknop tot halverwege in om scherp te stellen. Wanneer de scherpstelling is bevestigd, gaat z of (scherpstellingsindicator) branden (blz. 69). • Wacht totdat de (SteadyShotschaalverdelings)-indicator laag is, dan werkt de SteadyShot-functie beter. Scherpstellingsindicator (SteadyShot-schaalverdeling)indicator 6 Druk de ontspanknop helemaal in om het beeld op te nemen. Opmerking • Omdat de camera de automatische instelfunctie inschakelt, zijn veel functies niet beschikbaar, zoals belichtingscompensatie en de ISO-instelling. Als u verschillende instellingen wilt aanpassen, zet u de functiekeuzeknop op P en maakt u vervolgens een foto van uw onderwerp. 48 NL Een opname maken met een voor het onderwerp geschikte instelling (Scènekeuzefunctie) U kunt met de selectie van een juiste instelling voor het onderwerp of de opnamesituatie een foto maken met een geschikte instelling voor het onderwerp. Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm weergegeven. Beelden opnemen Opmerkingen • Omdat de camera de instellingen automatisch beoordeelt, zijn veel functies niet beschikbaar, zoals belichtingscompensatie en de ISO-instelling. • De flitser wordt voor elk van de scènekeuzefuncties ingesteld op (Autom.flitsen) of (Flitser uit). U kunt deze instellingen wijzigen (blz. 80). 49NL Portretfoto's nemen Deze functie is geschikt voor: z Foto's maken waarop het onderwerp scherp is tegen een onscherpe achtergrond. z Foto's maken waarop de huidtinten zacht zijn weergegeven. Zet de functiekeuzeknop in de stand (Portret). Opnametechnieken • Zet de lens in de telestand om de achtergrond waziger te maken. • U kunt een levendig beeld vastleggen door scherp te stellen op het oog dat dichter bij de lens is. • Gebruik de zonnekap (los verkrijgbaar) om onderwerpen met tegenlicht te fotograferen. • Gebruik de functie Rode-ogen-effectvermindering als de ogen van uw onderwerp rood worden door de flits (blz. 82). 50 NL Landschapsfoto's nemen Deze functie is geschikt voor: z Volledig scherpe foto's van het hele landschap in levendige kleuren. (Landschap). Opnametechniek Beelden opnemen Zet de functiekeuzeknop in de stand • Stel de lens in op groothoek om de weidsheid van de scène te accentueren. 51NL Foto's maken van een klein onderwerp Deze functie is geschikt voor: z Foto's maken van dichtbij, zoals van bloemen, insecten, gerechten of kleine voorwerpen. Zet de functiekeuzeknop in de stand (Macro). Opnametechnieken • Ga vlakbij het onderwerp staan en neem de opname op de minimumafstand van de lens. • U kunt met een macrolens (los verkrijgbaar) een onderwerp van dichterbij fotograferen. • Stel de flitsfunctie in op (Flitser uit) als u een onderwerp fotografeert binnen 1 meter. • De SteadyShot-functie is in de macrostand minder effectief. U bereikt betere resultaten met een statief. 52 NL Foto's maken van een bewegend onderwerp Deze functie is geschikt voor: z Foto's maken van bewegende onderwerpen buitenshuis of op plaatsen met veel licht. Beelden opnemen Zet de functiekeuzeknop in de stand (Sportactie). Opnametechnieken • De camera neemt continu beelden op zolang u de ontspanknop helemaal ingedrukt houdt. • Houd de ontspanknop tot het juiste moment half ingedrukt. 53NL Foto's nemen van een zonsondergang Deze functie is geschikt voor: z Prachtige foto's maken van het rode licht van de zonsondergang. Zet de functiekeuzeknop in de stand (Zonsondergang). Opnametechniek • In vergelijking met andere standen wordt hiermee een beeld vastgelegd waarin de rode kleur geaccentueerd is. Dit is ook geschikt voor het vastleggen van het prachtige rood van de zonsopkomst. 54 NL Nachtfoto's maken Deze functie is geschikt voor: z Het maken van portretten in nachtscènes. z Foto's maken van nachtscènes op afstand met behoud van de donkere atmosfeer van de omgeving. Stel de flitsfunctie in op mensen erop (blz. 80). (Nachtportret). (Flitser uit) als u een nachtfoto maakt zonder Beelden opnemen Zet de functiekeuzeknop in de stand Opnametechnieken • Let erop dat het onderwerp niet beweegt om te voorkomen dat het beeld wazig wordt. • De sluitertijd is langer, dus is het raadzaam een statief te gebruiken. Opmerking • Het is mogelijk dat de foto niet goed wordt gemaakt als u een volledig donkere nachtscène fotografeert. 55NL Maak de afbeelding zoals u die wilt maken (Belichtingsfunctie) Met een spiegelreflexcamera kunt u de sluitertijd (hoe lang de sluiter open is) en het diafragma (het veld dat scherp is: velddiepte) instellen om een verscheidenheid aan fotografische uitdrukkingen te benutten. De instelling van sluitertijd en diafragma creëert niet alleen de fotografische effecten van beweging en scherptediepte, maar het bepaalt eveneens de helderheid van een beeld door de hoeveelheid belichting (de hoeveelheid licht die de camera binnenkomt), de belangrijkste factor van fotograferen, te regelen. De helderheid van de foto veranderen aan de hand van de belichtingstijd Hoeveelheid belichting laag hoog De camera opent de sluiter korter bij een kortere sluitertijd. Daardoor heeft de camera minder tijd om licht binnen te laten, en dit heeft een donkerdere foto tot gevolg. U kunt het diafragma (het gat waardoor het licht binnenkomt) enigszins openen om de hoeveelheid licht te wijzigen die in één keer binnenkomt om een heldere foto te nemen. De helderheid van de foto, aangepast met de sluitertijd en het diafragma, wordt "belichting" genoemd. In dit deel laten we u zien hoe u de belichting kunt wijzigen en de verschillende foto-uitdrukkingen kunt benutten door beweging, scherptediepte en licht te gebruiken. Wanneer u de functiekeuzeknop draait, worden de uitleg van de geselecteerde functie en de opnamemethoden op het (Help-scherm)-scherm weergegeven. U kunt het Help-scherm uitschakelen (blz. 124). 56 NL De geprogrammeerde automatische opnamefunctie gebruiken Deze functie is geschikt voor: z Gebruik van de automatische belichting, terwijl uw eigen instellingen voor ISO-gevoeligheid, instellingen, dynamischbereikoptimalisatie enzovoort behouden blijven. 2 U kunt de opnamefuncties instellen op de gewenste Beelden opnemen 1 Zet de functiekeuzeknop in de stand P. instellingen (blz. 68 tot 103). • U kunt op de -knop drukken om de flitser te gebruiken. 3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. 57NL Een opname maken door de wazigheid van de achtergrond te regelen (Diafragmavoorkeur) Deze functie is geschikt voor: z Foto's waarop het onderwerp scherp is en alles voor en achter het onderwerp wazig is. Diafragmavergroting vernauwt het veld dat scherpgesteld is. (De velddiepte wordt oppervlakkiger.) z De scènediepte vastleggen. Diafragmaverkleining verbreedt het veld dat scherpgesteld is. (De velddiepte krijgt meer diepte.) 1 Zet de functiekeuzeknop in de stand A. 58 NL 2 De diafragmawaarde (F-waarde) kiezen met het instelwiel. Diafragma (F-waarde) 3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. De sluitertijd wordt automatisch aangepast om de juiste belichting te krijgen. • De sluitertijd knippert als de camera beoordeelt dat er geen juiste belichting wordt verkregen met de gekozen diafragmawaarde. Pas in zulke gevallen het diafragma weer aan. Beelden opnemen • Kleinere F-waarde: de voor- en achtergrond van het onderwerp zijn wazig. Grotere F-waarde: de voor- en achtergrond en het onderwerp zelf zijn allemaal scherp. • U kunt de wazigheid van een beeld niet in de zoeker controleren. Controleer het opgenomen beeld en pas het diafragma aan. Sluitertijd Opnametechnieken • De sluitertijd kan afhankelijk van de diafragmawaarde langer worden. Gebruik een statief als de sluitertijd langer wordt. • Maak de achtergrond minder scherp door een telelens te gebruiken die een lagere diafragmawaarde heeft (lichtgevoelige lens). Opmerking • Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. De diafragmawaarde bepaalt echter het flitserbereik. Controleer het bereik van de flitser (blz. 82) als u de flitser voor een opname gebruikt. 59NL Het vastleggen van een bewegend onderwerp met verschillende uitdrukkingen (Sluitertijdvoorkeur) Deze functie is geschikt voor: z Momentopnamen van een bewegend onderwerp. Gebruik een kortere sluitertijd om één moment van de beweging helder vast te leggen. z De beweging volgen om de dynamiek en vloeiing ervan uit te drukken. Gebruik een langere sluitertijd om het na-ijlende beeld van het bewegende onderwerp vast te leggen. 1 Zet de functiekeuzeknop in de stand S. 60 NL 2 Kies de sluitertijd met het instelwiel. Beelden opnemen Sluitertijd 3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. Het diafragma wordt automatisch aangepast om de juiste belichting te krijgen. • De sluitertijd knippert als de camera beoordeelt dat er geen juiste belichting wordt verkregen met de gekozen sluitertijd. Pas in zulke gevallen de sluitertijd weer aan. Diafragma (F-waarde) Opnametechnieken • Gebruik een statief als de sluitertijd langer wordt. • Kies een hogere ISO-gevoeligheid als u een binnenopname maakt van een sport. Opmerkingen • De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt niet weergegeven in de functie sluitertijdvoorkeur. • Hoe hoger de ISO-gevoeligheid, des te opvallender de ruis. • Als de sluitertijd een seconde of langer is, zal de ruisonderdrukking (NR langbelicht) na het opnemen worden uitgevoerd. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u niet verdergaan met opnemen. 61NL • Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. Als u echter de flitser gebruikt en het diafragma sluit (een hogere F-waarde instelt) door de sluitertijd langer te maken, zal het flitslicht onderwerpen op grote afstand niet bereiken. 62 NL Een opname maken waarbij de belichting handmatig is gewijzigd (Handmatige belichting) Deze functie is geschikt voor: z Foto's maken met de gewenste belichtingsinstelling door zowel de sluitertijd als het diafragma te wijzigen. Beelden opnemen 1 Zet de functiekeuzeknop in de stand M. 2 Draai het instelwiel om de sluitertijd te wijzigen, en draai het instelwiel terwijl u de -knop ingedrukt houdt om het diafragma te wijzigen. -knop Diafragma (F-waarde) Sluitertijd 63NL 3 Maak de foto nadat de belichting is ingesteld. • Controleer de belichtingswaarde op de EV-schaalverdeling (Gemetenhandmatig). Naar +: beelden worden helderder. Naar –: beelden worden donkerder. : Metered Manual (Handmatig gemeten) Wanneer de camera in de M-stand staat, wordt een onder- of overcompensatiewaarde weergegeven op basis van de juiste belichting met behulp van de index op de belichtingscompensatie-indicator. Standaardwaarde Opmerkingen • De (camerabewegingswaarschuwing)-indicator wordt niet weergegeven in de functie voor handmatige belichtingsinstelling. • Wanneer de functiekeuzeknop is ingesteld op M, dan wordt de ISO-instelling [AUTO] ingesteld op [200]. In de M-functie is de ISO-instelling [AUTO] niet beschikbaar. Stel indien nodig de ISO-gevoeligheid in (blz. 94). • Druk op de -knop wanneer u een opname met flits maakt. De diafragmawaarde bepaalt echter het flitserbereik. Controleer het bereik van de flitser (blz. 82) als u de flitser voor een opname gebruikt. De EV-schaalverdeling in M-functie De b B-pijl verschijnt als de ingestelde belichting buiten het bereik van de EVschaalverdeling ligt. De pijl begint te knipperen als het verschil toeneemt. LCD-monitor (standaardweergave) Standaardwaarde Zoeker Standaardwaarde 64 NL Handmatige verschuiving U kunt in de handmatige functie de combinatie van de sluitertijd en diafragmawaarde veranderen zonder de belichting te veranderen. Draai het instelwiel terwijl u de AELknop ingedrukt houdt om de combinatie van sluitertijd en diafragmawaarde te kiezen. AEL-knop Beelden opnemen 65NL Een opname maken met een naijlend effect met een lange belichtingstijd (BULB) Deze functie is geschikt voor: z Foto's maken van de lichtstaart van bijvoorbeeld vuurwerk. z Foto's maken van de lichtstaarten van sterren. 1 Zet de functiekeuzeknop in de stand M. 2 Draai het instelwiel naar links tot [BULB] wordt afgebeeld. BULB 66 NL 3 Draai terwijl u de -knop ingedrukt houdt het instelwiel om het diafragma (F-waarde) te wijzigen. -knop 4 Druk de ontspanknop tot halverwege in om de scherpstelling te wijzigen. Zolang u de ontspankop ingedrukt houdt, blijft de sluiter geopend. Opnametechnieken • Gebruik een statief. • Stel in de handmatige scherptefunctie de scherptediepte in op oneindig als u vuurwerk, enz. opneemt. • Gebruik de draadloze afstandsbediening (los verkrijgbaar) (blz. 103). Als u op de SHUTTER-knop op de draadloze afstandsbediening drukt, wordt BULB-opname geactiveerd. Als u er weer op drukt, wordt BULBopname gestopt. U hoeft de SHUTTER-knop op de draadloze afstandsbediening niet ingedrukt te houden. • U kunt met de afstandsbediening de sluiter openhouden als u een afstandsbediening gebruikt die is voorzien van een vergrendelingsfunctie voor de ontspanknop (los verkrijgbaar). Beelden opnemen 5 Houd de ontspanknop ingedrukt gedurende de gehele opname. Opmerkingen • Schakel de SteadyShot-functie uit bij gebruik van een statief (blz. 45). • Hoe langer de belichtingstijd, des te opvallender de ruis op het beeld. • Na het fotograferen wordt de ruisonderdrukking (NR lang-belicht) uitgevoerd met dezelfde tijdsduur dat de sluiter geopend was. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u niet verdergaan met opnemen. • Wanneer de Auto HDR-functie is geactiveerd, kunt u de sluitersnelheid niet op [BULB] zetten. • Als de Auto HDR-functie wordt gebruikt met de sluitersnelheid op [BULB], wordt de sluitersnelheid tijdelijk op 30 seconden gezet. 67NL De opnamefunctie gebruiken De scherpstelmethode selecteren Er zijn twee methoden om de scherptediepte te wijzigen: automatisch en handmatig scherpstellen. Afhankelijk van de lens kan de methode voor overschakeling tussen automatische en handmatige scherpstelling verschillend zijn. Type lens De lens is voorzien van een Schakelaar Scherpstellingsfunctie De lens is niet voorzien van een Schakelaar Scherpstellingsfunctie Te gebruiken schakelaar Lens (Zet de Schakelaar Scherpstellingsfunctie op de camera altijd op AF.) Camera Overschakelen naar automatische scherpstelling Zet de Schakelaar Scherpstellingsfunctie op de lens op AF. Overschakelen naar handmatige scherpstelling Zet de Schakelaar Scherpstellingsfunctie op de lens op MF. Zet de Schakelaar Scherpstellingsfunctie op de camera op AF. Zet de Schakelaar Scherpstellingsfunctie op de camera op MF. Automatisch scherpstellen gebruiken 1 Zet de Schakelaar scherpstellingsfunctie op de camera op AF. 2 Wanneer de lens is voorzien van de Schakelaar scherpstellingsfunctie, zet u deze op AF. 68 NL 3 Kijk in de zoeker. Er wordt automatisch scherpgesteld op het onderwerp dat over het scherpstelgebied wordt gelegd (Eye-Start AF, blz. 70). 4 Druk de ontspanknop half in om AF-gebiedssensor de scherpstelling te controleren en neem de opname. • De scherpstellingsindicator verandert in z of wanneer de scherpstelling is bevestigd (zie onder). • De sensor die voor scherpstelling wordt gebruikt in het AF-gebied licht rood op (blz. 73) AF-gebied Scherpstellingsindicator De opnamefunctie gebruiken Opnametechniek • Stel het [AF-gebied] in (blz. 73) om het gebied te kiezen dat wordt gebruikt voor de scherpstelling. Scherpstellingsindicator Scherpstellingsindicator Status z brandt Scherpstelling vergrendeld. Klaar om op te nemen. brandt Scherpstelling is bevestigd. Het scherpstelpunt beweegt doordat het een bewegend onderwerp volgt. Klaar om op te nemen. brandt Nog bezig met scherpstellen. U kunt de ontspanknop niet loslaten. z knippert Kan niet scherpstellen. De sluiter is vergrendeld. Onderwerpen waarvoor speciale scherpstelling nodig kan zijn Bij gebruik van de automatische scherpstelling is het moeilijk scherp te stellen op de volgende onderwerpen. In dergelijke gevallen gebruikt u de scherpstelvergrendelingsfunctie (blz. 71) of de handmatige scherpstelling (blz. 74). 69NL • Een onderwerp met weinig contrast, zoals een blauwe lucht of een witte muur. • Twee onderwerpen op verschillende afstanden die elkaar overlappen binnen het AF-gebied. • Een onderwerp dat bestaat uit zich herhalende patronen, zoals de gevel van een kantoorgebouw. • Een onderwerp dat zeer helder is of schittert, zoals de zon, de carrosserie van een auto of een wateroppervlak. • Het omgevingslicht is onvoldoende. De juiste afstand tot een onderwerp nauwkeurig meten De -markering op de bovenkant van de camera toont de locatie van de beeldsensor*. Wanneer u de exacte afstand meet tussen de camera en het onderwerp, raadpleeg dan de positie van de horizontale lijn. * De beeldsensor is het onderdeel van de camera dat fungeert als de film. Opmerking • Als het onderwerp dichterbij is dan de minimale opnameafstand van de gebruikte lens, kan de scherpstelling niet worden bevestigd. Zorg voor voldoende afstand tussen het onderwerp en de lens op de camera. De functie Eye-Start AF deactiveren MENU-knop t 1 t [Eye-Start AF] t [Uit] • Wanneer u de camera gebruikt met de FDA-M1AM Zoekerloep (los verkrijgbaar), de FDA-A1AM Hoekzoeker (los verkrijgbaar) of de FDAME1AM Vergrotende zoeker (los verkrijgbaar), schakel dan zowel [EyeStart AF] als [Autom.uitsch.] uit omdat de accessoires de sensoren van het zoekerkapje bedekken, die zich boven de zoeker bevinden. 70 NL Een opname nemen met uw gewenste compositie (Scherpstelvergrendeling) 1 Plaats het onderwerp binnen het AF-gebied en druk de ontspanknop tot halverwege in. De scherpstelling en belichting zijn vastgezet. 2 Houd de ontspanknop tot 3 Druk de ontspanknop helemaal in om het beeld op te nemen. De opnamefunctie gebruiken halverwege ingedrukt en plaats het onderwerp terug op de oorspronkelijke plaats om het beeld opnieuw samen te stellen. 71NL De scherpstelmethode kiezen die geschikt is voor de beweging van het onderwerp (Automatische scherpstelfunctie) Fn-knop t instelling (Autom. scherpst.) t Selecteer de gewenste (Enkelvoudige AF) AF) De camera voert de scherpstelling uit en de scherpstelling wordt vergrendeld wanneer u de ontspanknop half indrukt. (Automatische De [Autom. scherpst.] wordt overgeschakeld tussen enkelvoudige AF en continue AF, afhankelijk van de beweging van het onderwerp. Wanneer u de ontspanknop halverwege ingedrukt houdt als het onderwerp bewegingsloos is, wordt de scherpstelling vergrendeld. Als het onderwerp beweegt, gaat de camera verder met het scherpstellen. (Continue AF) De camera blijft scherpstellen zolang u de ontspanknop tot halverwege ingedrukt houdt. • De audiosignalen worden niet weergegeven wanneer op het onderwerp is scherpgesteld. • Scherpstelvergrendeling gebruiken is niet mogelijk. Opnametechnieken • Gebruik • Gebruik (Enkelvoudige AF) als het onderwerp stilstaat. (Continue AF) als het onderwerp in beweging is. Opmerking • (Automatische AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of in een van de volgende scènekeuzefuncties: (Portret), (Landschap), (Zonsondergang) of (Nachtportret). (Enkelvoudige AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op (Macro) in de scènekeuzefunctie. (Continue AF) wordt geselecteerd als de belichtingsfunctie is ingesteld op (Sportactie) in de scènekeuzefunctie. 72 NL Het scherpstelveld (AF-gebied) kiezen Kies het gewenste AF-gebied dat past bij de opnameomstandigheden of uw voorkeur. Het gebied dat voor de scherpstelling wordt gebruikt, licht kort op. AF-gebied Gebied Fn-knop t (AF-gebied) t Kies de gewenste instelling De camera bepaalt welk deel negen de negen AF-gebieden wordt gebruikt voor het scherpstellen. (Punt) De camera gebruikt uitsluitend het AF-gebied in het midden. (Lokaal) Kies met de controller uit de negen AF-gebieden het gebied waarvoor u de scherpstelling wilt activeren. Druk op de AFknop als u de AF-gebieden die zich in het middengebied bevinden, wilt selecteren. Opmerkingen • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt [AF-gebied] vastgezet op (Breed) en kunt u de andere instellingen niet selecteren. • Het is mogelijk dat het lokale AF-gebied niet oplicht bij continu opnemen of wanneer de ontspanknop helemaal wordt ingedrukt zonder halverwege te stoppen. De opnamefunctie gebruiken (Breed) 73NL De scherpstelling handmatig wijzigen (Handmatige scherpstelling) Als het moeilijk is om de juiste scherpte in de stand autofocus te krijgen, kunt u de scherpte handmatig aanpassen. 1 Zet de Schakelaar scherpstellingsfunctie op de lens op MF. 2 Wanneer de lens niet is voorzien van een Schakelaar scherpstellingsfunctie, stelt u de Schakelaar scherpstellingsfunctie op de camera op MF. 3 Draai de scherpstelring van de lens om goed scherp te stellen. Scherpstelring Opmerkingen • Wanneer het gaat om een onderwerp dat kan worden scherpgesteld in de automatische scherpstellingsfunctie, licht de z-indicator op nadat de scherpstelling is bevestigd. Wanneer het lokale AF-gebied wordt gebruikt, wordt het middenveld gebruikt, en wanneer het lokale AF-gebied wordt gebruikt, wordt het veld dat met de controller is gekozen, gebruikt. • Wanneer u een teleconvertor (los verkrijgbaar) enzovoort gebruikt, zal het draaien van de scherpstelring mogelijk niet vloeiend gaan. • Als de dioptrie niet goed wordt ingesteld, wordt de het beeld in de zoeker niet goed scherpgesteld (blz. 23). 74 NL Opnamen maken met de handmatige scherpstellingscontrole Live View U kunt de scherpstelling controleren door voor het maken van de opname het beeld op de LCD-monitor te vergroten door middel van de beeldsensor die wordt gebruikt voor het vastleggen. 1 Druk op de MF CHECK LIVE VIEW- MF CHECK LIVE VIEW-knop knop. 2 Vergroot het beeld door op de LCD-monitorweergave De opnamefunctie gebruiken De spiegel schuift omhoog en het beeld wordt weergegeven op de LCD-monitor in het 100-procent kaderbereik. • De aanduiding van de sluitersnelheid en het diafragma wordt vastgezet wanneer de handmatige scherpstellingscontrole Live View start. De camera meet het licht vlak voordat de opname wordt gemaakt opnieuw en de belichting wordt ingesteld. • Het beeld wordt weergegeven in de juiste helderheid, ongeacht de vastgestelde belichting. Er wordt geen rekening gehouden met de belichtingscompensatie in het weergegeven beeld, maar wel in het vastgelegde beeld. -knop -knop te drukken en selecteer met v/V/b/B op de controller het gedeelte dat u wilt vergroten. • Telkens wanneer u op de -knop drukt, verandert het zoombereik als volgt: Volledige display t Ong. ×7 t Ong. ×14 75NL 3 Bevestig de scherpstelling en pas deze aan. • U kunt de scherpstelling handmatig aanpassen in de stand handmatige scherpstellingscontrole Live View. • Als u op de AF-knop drukt in de stand Autofocus, wordt de automatische scherpstelling geactiveerd. De spiegel schuift omlaag in de stand Autofocus en de display wordt tijdelijk niet weergegeven. • Wanneer [AF-gebied] is ingesteld op (Lokaal), kunt u de automatische scherpstelling ook activeren met de controller. 4 Maak de opname door de ontspanknop helemaal in te drukken. • U kunt beelden vastleggen wanneer de zoom-schaalverdeling is ingesteld op ongeveer ×7 of ×14, maar het vastgelegde beeld vult de volledige display. • De handmatige scherpstellingscontrolefunctie Live View wordt vrijgegeven wanneer de opname is gemaakt. Opnametechnieken • Drukt u op de MF CHECK LIVE VIEW-knop wanneer de camera in de stand AE-vergrendeling staat, dan dan kunt u een versie van het beeld controleren waarin rekening wordt gehouden met de gecompenseerde belichting. Wanneer u vanaf dit punt begint met het maken van opnamen, begint de camera de belichting in de stand AE-vergrendeling. • U kunt een rasterlijn verwijderen (blz. 126). Opmerkingen • De camera stelt niet scherp op een onderwerp wanneer u de ontspanknop half indrukt. • Het beeld in de zoeker is niet zichtbaar in de stand handmatige scherpstellingscontrolefunctie Live View. • Wanneer wordt aangeduid, loopt de temperatuur van de camera op. Als u van plan bent door te gaan met het uitvoeren van de handmatige scherpstellingscontrole Live View, kunt u de camera pas weer gebruiken wanneer de temperatuur is afgenomen (blz. 161). • U wordt geadviseerd het zoekerkapje (blz. 24) te bevestigen. • Wanneer u doorlopende opnamen maakt of opnamen maakt met belichtings-bracket in de handmatige scherpstellingscontrolefunctie Live View vindt automatische scherpstelling plaats bij de eerste opname. 76 NL De opname-informatie wisselen (DISP) Telkens wanneer u op de DISP-knop drukt, verandert de stand Live View van het scherm als volgt. DISP-knop standaardweergave Opname-informatie aan Opname-informatie uit De opnamefunctie gebruiken 77NL LCD-monitor De status van het scherm in de stand voor de handmatige scherpstellingscontrole Live View is als volgt. Weergave opname-informatie A B Scherm Indicatie Scherm P A S M Functiekeuzeknop (47 – 67) Beeldkwaliteit (119) Waarschuwing voor oververhitting (161) Beeldgrootte (118)/ Beeldverhouding (118) Geheugenkaart (18) 100 Resterend aantal opneembare beelden (25) 100% Resterend accuvermogen (14) 78 NL Indicatie Spot-lichtmeetveld (88) AF-gebied (73) C Scherm Indicatie 1/125 Sluitertijd (60) F3.5 Diafragma (58) EV-schaalverdeling (64, 102) AE-vergrendeling (75) Waarschuwing camerabeweging (45) SteadyShot schaalverdeling (45) D Scherm Indicatie Transportfunctie (99) Flitsfunctie (80)/Rodeogen-effectvermindering (82) Scherpstellingsfunctie (72) AF-gebied (73) E Indicatie ISO-gevoeligheid (94) Lichtmeting (88) +2.0 AWB 7500K G9 Flitscompensatie (86) Witbalans (Automatisch, Vooringesteld, Eigen, Kleurtemperatuur, Kleurfilter) (95) Dynamischbereikoptimalisatie (89)/ Auto HDR (90) De opnamefunctie gebruiken Scherm Instellingen (92) 79NL De flitser gebruiken Met de flitser kunt u het onderwerp op donkere plaatsen helder vastleggen, en het voorkomt tevens camerabeweging. Wanneer u een opname tegen de zon in maakt, kunt u de flitser gebruiken om een helder beeld van het aan de achterzijde belichte onderwerp te krijgen. 1 Fn-knop t 2 Druk op de (Flitsfunctie) t Kies de gewenste instelling -knop. -knop De flitser komt omhoog. • Bij de functies AUTO of Scènekeuze komt de flitser automatisch omhoog als er onvoldoende licht is of als het onderwerp zich in tegenlicht bevindt. De ingebouwde flitser komt niet omhoog, zelfs niet als u op de knop drukt. 3 Nadat de flitser klaar is met laden, kunt u het onderwerp fotograferen. Knippert: De flitser wordt opgeladen. Als de indicator knippert, kunt u de sluiter niet ontspannen. Brandt: De flitser is opgeladen en klaar voor gebruik. • Als u de ontspanknop in de automatische scherpstelling bij weinig licht half indrukt, wordt mogelijk geflitst om het onderwerp te kunnen scherpstellen (AF-hulplicht). 80 NL (Flitser wordt opgeladen)-indicator (Flitser uit) De ingebouwde flitser gaat niet af, zelfs niet als deze uitklapt. Dit kan niet worden geselecteerd als de functiekeuzeknop is ingesteld op P, A, S of M. (Autom.flitsen) De flitser gaat af wanneer het donker is of wanneer de opname tegen licht wordt gemaakt. Dit kan niet worden geselecteerd als de functiekeuzeknop is ingesteld op P, A, S of M. (Invulflits) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst. (Langz.flitssync.) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst. U kunt met de langzame-flitssynchronisatieopname zowel een helder beeld van het onderwerp als van de achtergrond nemen door een langere sluitertijd te gebruiken. (Eindsynchron.) (Draadloos) Elke keer als u de ontspanknop indrukt, wordt er geflitst net voordat de belichting is voltooid. Opnametechnieken • De zonnekap (los verkrijgbaar) kan het licht van de flitser blokkeren. Verwijder de zonnekap als u de flitser gebruikt. • Houd bij het gebruik van de flitser een afstand van 1 m of meer van het onderwerp dat u wilt fotograferen. • Met langzame-flitssynchronisatie kunt u in het donker een helderdere afbeelding maken van mensen en achtergronden. • Met eindsynchronisatie kunt u een natuurlijke foto maken van het spoor van een bewegend onderwerp, zoals een fietser of een wandelaar. De opnamefunctie gebruiken Er wordt geflitst met een externe flitser (los verkrijgbaar) die niet op de camera is aangesloten en op afstand van de camera staat (draadloos flitsen). Opmerkingen • Houd de camera niet vast bij de flitserzender. • De opnamecondities die nodig zijn om te voorkomen dat er schaduwen op een foto verschijnen, verschillen afhankelijk van de lens. • Wanneer de belichtingsfunctie wordt ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, kunnen de opties (Langz.flitssync.), (Eindsynchron.) en (Draadloos) niet worden geselecteerd. 81NL Het flitserbereik Het bereik van de ingebouwde flitser is afhankelijk van de ISOgevoeligheid en de diafragmawaarde. Zie de volgende tabel. Diafragma ISO-instelling F2.8 F4.0 200 1–6m 1 – 4,3 m F5.6 1–3m 400 1,4 – 8,6 m 1–6m 1 – 4,3 m 800 2 – 12 m 1,4 – 8,6 m 1–6m Het AF-hulplicht • Het AF-hulplicht werkt niet als [Autom. scherpst.] is ingesteld op (Continue AF) of als het onderwerp in beweging is in (Automatische AF). (De indicator of licht op.) • Het AF-hulplicht zal mogelijk niet werken met een brandpuntsafstand van 300 mm of meer. • Wanneer een externe flits (los verkrijgbaar) wordt bevestigd, wordt het AF-hulplicht van de externe flits gebruikt. Het AF-hulplicht uitschakelen MENU-knop t 1 t [AF-hulplicht] t [Uit] De rode-ogen-vermindering gebruiken Met deze instelling kunt u het rode-ogeneffect verminderen door enkele keren een zwak flitslicht te laten afgaan alvorens de opname met de flitser te maken. MENU-knop t 82 NL 1 t [Rode-ogen-verm.] t [Aan] Een draadloze-flitsopname maken U kunt met een flitser die een draadloze opnamefunctie heeft (los verkrijgbaar) flitsen zonder snoer zelfs als de flitser niet op de camera is aangesloten. Door de plaats van de flitser te veranderen, kunt u een beeld vastleggen dat driedimensionaal lijkt te zijn door het contrast van licht en schaduw op het onderwerp te benadrukken. Raadpleeg voor het maken van afbeeldingen de bedieningsinstructies van uw flitser. 1 Sluit de draadloze flitser aan op de accessoireschoen en schakel zowel de camera als de flitser in. (Flitsfunctie) t (Draadloos) 3 Maak de draadloze flitser los van de accessoireschoen en klap de ingebouwde flitser open. • Als u een test van de flitser uitvoert, druk dan op de AEL-knop. Opmerkingen • De camera kan de draadloze belichtingsverhoudingscontrole niet uitvoeren. • Schakel de draadloze-flitserfunctie uit nadat u klaar bent met het maken van draadloze-flitsopnamen. Als de ingebouwde flitser wordt gebruikt terwijl de draadloze-flitserfunctie nog ingeschakeld is, worden de opnamen onnauwkeurig door de flitser belicht. • Als een andere fotograaf in de buurt een draadloos flitsapparaat gebruikt en het flitslicht van zijn/haar ingebouwde flitser uw flitsapparaat doet afgaan, kiest u een ander kanaal voor de externe flitser. Als u het kanaal van het externe flitsapparaat wilt veranderen, raadpleegt u de gebruiksaanwijzing die erbij werd geleverd. De opnamefunctie gebruiken 2 Fn-knop t Installatie van de AEL-knop Bij gebruik van de draadloze flitser adviseren wij u [AEL-knop] in te stellen op [AEL-vergrendel] in het -menu Custom (blz. 123). 83NL De helderheid van het beeld wijzigen (Belichting, flitscompensatie, meting) Een opname maken met een vastgelegde helderheid (AEvergrendeling) De belichting kan bij een opname in tegenlicht of bij een raam ongeschikt zijn voor het onderwerp vanwege de grote lichtverschillen tussen het onderwerp en de achtergrond. Gebruik in zulke gevallen de lichtmeter waar genoeg licht valt op het onderwerp en vergrendel de belichting alvorens de opname te nemen. Richt de camera vóór een plaats die lichter is dan het onderwerp en gebruik de lichtmeter om de belichting van het hele beeld te vergrendelen om het onderwerp minder helder te maken. Richt de camera vóór een plaats die donkerder is dan het onderwerp en gebruik de lichtmeter om de belichting van het hele beeld te vergrendelen om het onderwerp meer helderheid te geven. In dit deel wordt beschreven hoe u met de (Spot) een helderder beeld van het onderwerp kunt vastleggen. De plaats waar u de belichting vergrendelt. 1 Fn-knop t (Lichtmeetfunctie) t (Spot) 2 Pas de scherpstelling aan op het deel waarop u de belichting wilt vergrendelen. De belichting wordt ingesteld wanneer er scherpgesteld is. 84 NL 3 Vergrendel de belichting door op de AEL-knop te drukken. (AE-vergrendelingsteken) verschijnt. AEL-knop 4 Stel scherp op het onderwerp terwijl u op de AEL-knop drukt, en neem de opname van het onderwerp. Helderheidscompensatie voor het hele beeld gebruiken (Belichtingscompensatie) Behalve voor de belichtingsfunctie M wordt de belichting automatisch geselecteerd (Automatische belichting). U kunt afhankelijk van uw voorkeur op basis van de belichting die is verkregen door de automatische belichting, belichtingscompensatie uitvoeren door de belichting ofwel naar de pluszijde of naar de minzijde te verschuiven. U kunt het hele beeld lichter maken door naar de pluszijde te schuiven. U kunt het hele beeld donkerder maken door naar de minzijde te schuiven. Correctie in de – richting Basisbelichting De opnamefunctie gebruiken • Houd na de opname de AEL-knop ingedrukt als u met dezelfde belichtingswaarde blijft opnemen. De instelling wordt geannuleerd wanneer u de knop loslaat. Correctie in de + richting 85NL 1 Druk op de -knop om het belichtingscompensatiescherm weer te geven. -knop 2 Pas de belichting aan met de instelwiel. Naar + (over): maakt een beeld helderder. Naar – (onder): maakt een beeld donkerder. Standaardbelichting 3 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. Opnametechnieken • Pas het compensatieniveau aan door het opgenomen beeld te controleren. • Met de bracketopnamefunctie kunt u meerdere beelden opnemen met de belichting verschoven naar de plus- of minzijde (blz. 101). Opmerking • Deze optie kan niet worden ingesteld als de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO, M, of de scènekeuzefunctie. De hoeveelheid flitslicht aanpassen (Flitscompensatie) Als u opneemt met de flitser, kunt u alleen de hoeveelheid flitslicht veranderen, zonder de belichtingscompensatie te veranderen. U kunt alleen de belichting wijzigen van het hoofdonderwerp dat binnen het flitsbereik ligt. Fn-knop t instelling (Flitscompens.) t Selecteer de gewenste Naar +: verhoogt het flitsniveau. Naar –: verlaagt het flitsniveau. 86 NL Opmerkingen • Deze optie kan niet worden ingesteld als de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie. • Als u het flitsniveau heeft aangepast, verschijnt in de zoeker als de ingebouwde flitser omhoog wordt gehaald. Zorg ervoor dat u niet vergeet de waarde terug te zetten als u het flitsniveau aanpast. • Het kan zijn dat het hogere flitseffect niet zichtbaar is, omdat de hoeveelheid flitslicht beperkt is als het onderwerp zich buiten het maximumbereik van de flitser bevindt. Als het onderwerp zich erg dichtbij bevindt, is het mogelijk dat het lagere flitseffect niet zichtbaar is. Belichtingscompensatie en flitscompensatie De belichtingscompensatie verandert de sluitertijd, het diafragma en de ISOgevoeligheid (als [AUTO] is geselecteerd) om de compensatie uit te voeren. Als de flitser wordt gebruikt, wordt tevens de hoeveelheid flitslicht veranderd. De flitscompensatie verandert echter uitsluitend de hoeveelheid flitslicht. MENU knop t instelling 1 t [Flitsregeling] t Selecteer de gewenste ADI-flits Met deze methode regelt u het licht van de flitser waarbij rekening gehouden wordt met de informatie over de brandpuntsafstand en de lichtmeetgegevens van de voorflits. Met deze methode kunt u een nauwkeurige flitscompensatie krijgen waarbij er nagenoeg geen effect optreedt van de weerkaatsing van het onderwerp. Voorflits DDL Met deze methode regelt u de hoeveelheid flitslicht die uitsluitend berekend wordt volgens de gegevens van de lichtmeting van de voorflits. Deze methode is gevoelig voor de lichtweerkaatsing van het onderwerp. De opnamefunctie gebruiken De flitsregeling selecteren om de hoeveelheid flitslicht in te stellen (Flitsregeling) ADI: Advanced Distance Integration (Geavanceerde afstandsintegratie) TTL: Through the lens (Door de lens) • Bij de selectie van [ADI-flits] kan het gebruik van een lens die is voorzien van een afstandscodeerder een nauwkeuriger flitscompensatie opleveren doordat nauwkeurigere afstandsinformatie wordt gebruikt. Opmerkingen • Wanneer de afstand tussen het onderwerp en het externe flitsapparaat (los verkrijgbaar) niet kan worden vastgesteld (opnemen met een draadloos, extern flitsapparaat (los verkrijgbaar), opnemen met een los flitsapparaat dat met een kabel 87NL is verbonden met de camera, opnemen met een dubbelflitsapparaat of ringflitser voor macro-opnamen, enz.), selecteert de camera automatisch de stand Voorflits DDL. • Selecteer in de volgende gevallen [Voorflits DDL] omdat de camera geen flitscompensatie kan uitvoeren met ADI-flits. – Aan het flitsapparaat HVL-F36AM is een breed paneel bevestigd. – Voor flitsopnamen wordt een diffuser gebruikt. – Er wordt een filter met een belichtingsfactor, zoals een ND-filter, gebruikt. – Er wordt een close-uplens gebruikt. • ADI-flits is alleen beschikbaar in combinatie met een lens die is uitgerust met een afstandscodeerder. Om te bepalen of uw lens is uitgerust met een afstandscodeerder, raadpleegt u de gebruiksaanwijzing die bij de lens werd geleverd. De methode selecteren voor lichtmeting van het onderwerp (Lichtmeetfunctie) Fn-knop t (Lichtmeetfunctie) t Kies de gewenste stand (Meervelds) Bij deze instelling wordt het licht op elk veld gemeten na opdeling van het totale gebied in meerdere velden en zo wordt de juiste belichting van het gehele scherm bepaald. (Centrum gericht) Deze functie legt de nadruk op het middelste deel van het scherm, maar meet de gemiddelde helderheid van het gehele scherm. (Spot) Deze functie meet licht op of rond het scherpstelgebied in het midden van het kader. Opnametechnieken • Gebruik (Meervelds) voor meten voor algemene opnamen. • Meet, wanneer er een onderwerp met veel contrast in het AF-gebied is, het licht van het onderwerp dat u wilt vastleggen en maak gebruik van de optimale belichting met de spotmeetfunctie en de AE-vergrendeling (blz. 84). Opmerking • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt [Lichtmeetfunctie] vastgezet op (Meervelds) en kunt u de andere functies niet selecteren. 88 NL Automatisch de helderheid en het contrast compenseren (Dynamisch Bereik) D-RANGE-knop t Selecteer de gewenste instelling (Uit) (Auto HDR) Maakt geen gebruik van DRO/Auto HDR-functies. Door het beeld op te delen in kleine velden, analyseert de camera het contrast van licht en schaduw tussen het onderwerp en de achtergrond, en produceert een beeld waarin de helderheid en gradatie optimaal is. Schiet twee beelden met verschillende belichting en legt dan het heldere gebied van het onderbelichte beeld over het donkere gebied van het overbelichte beeld, zodat een beeld ontstaat met een rijke gradatie. De helderheid van het beeld corrigeren (Dynamischbereikoptimalisatie) 1 D-RANGE-knop t De opnamefunctie gebruiken (Dyn.-bereikoptim) D-RANGE-knop (Dyn.-bereikoptim) 2 Selecteer op de controller een optimaal niveau met b/B. (Automatisch) (Niveau)* * Lv_ weergegeven bij Corrigeert automatisch de helderheid. Optimaliseert de gradaties van een vastgelegd beeld in elk van de gebieden van het beeld. Selecteer het optimale niveau tussen Lv1 (zwak) en Lv5 (krachtig). is de stap die nu is geselecteerd. 89NL Opmerkingen • De instelling wordt vastgezet op (Uit) wanneer (Zonsondergang) of (Nachtportret) is geselecteerd in de scènekeuzefunctie. De instelling wordt vastgezet op (Automatisch) wanneer andere standen zijn geselecteerd in scènekeuzefunctie. • Bij het opnemen met de dynamisch-bereikoptimalisatie kan het beeld ruis bevatten. Selecteer het juiste niveau door het vastgelegde beeld te controleren, vooral wanneer u het effect laat toenemen. Automatisch compenseren met rijke gradatie (Automatisch Hoog Dynamisch Bereik) 1 D-RANGE-knop t (Auto HDR) 2 Selecteer op de controller een optimaal niveau met b/B. (Aut. belichtingsver.) Corrigeert automatisch het belichtingsverschil. (Niveau Stelt het belichtingsverschil in op basis van het contrast van Belichtingsverschil)* het onderwerp. Selecteer het optimale niveau tussen 1.0Ev (zwak) en 3.0Ev (krachtig). * _Ev weergegeven bij is de stap die nu is geselecteerd. Opnametechniek • De sluiter wordt twee keer bediend voor één opname, let daarom goed op het volgende: – Gebruik deze functie wanneer het onderwerp niet beweegt en niet knippert. – Stel het beeld niet opnieuw samen. Opmerkingen • Wanneer de belichtingsstand is ingesteld op AUTO of Scèneselectie, kunt u [Auto HDR] niet selecteren. • U kunt pas beginnen met de volgende opname als het proces van het vastleggen na het afdrukken is voltooid. • U krijgt misschien, afhankelijk van het luminantieverschil van een onderwerp en de opnameomstandigheden, niet het gewenste effect. 90 NL • Wanneer de flitser wordt gebruikt, heeft deze functie weinig effect. • Voor een beeld dat is vastgelegd met deze functie kan niet meer dan één beeld dat wordt opgelegd, worden gebruikt. • U kunt deze functies niet gebruiken voor RAW-beelden. • Wanneer de scène weinig contrast heeft, de opname bewegingsonscherp is of het onderwerp van de opname wazig is, zult u misschien geen goede HDR-beelden krijgen. In zulke gevallen wordt aangeduid op het vastgelegde beeld zodat u weet wat er aan de hand is. Maak nog meer opnamen en besteed aandacht aan het contrast of de onscherpte. De opnamefunctie gebruiken 91NL Beeldverwerking De door u gewenste beeldverwerking kiezen (Instellingen) 1 Fn-knop t (Instellingen) t Selecteer de gewenste instelling 2 Als u (Contrast), (Verzadiging) of (Scherpte) wilt aanpassen, selecteert u het gewenste item met b/B en past u vervolgens de waarde aan met v/V. (Standaard) Voor het maken van verschillende opnames met een rijke gradatie en prachtige kleuren. (Levendig) De verzadiging en het contrast worden verhoogd voor het opnemen van opvallende beelden van kleurrijke scènes en onderwerpen, zoals bloemen, lentegroen, een blauwe hemel of vergezichten over zee. (Portret) Voor het vastleggen van huidkleur met een zacht tint, ideaal geschikt voor het maken van portretten. (Landschap) De verzadiging, het contrast en de scherpte worden verhoogd voor het vastleggen van levendige, heldere landschappen. Ook landschappen in de verte komen meer tot uiting. (Zonsondergang) (Zwart-wit) Voor het vastleggen van de prachtige mooie kleur van de ondergaande zon. Voor het vastleggen van zwart-witbeelden. (Contrast), (Verzadiging), en instellingenitem worden aangepast. (Contrast) Hoe hoger de geselecteerde waarde, hoe meer verschil in licht en schaduw wordt geaccentueerd waardoor er meer invloed op een beeld komt. (Verzadiging) Hoe hoger de geselecteerde waarde, hoe levendiger de kleur. Als er een lagere waarde wordt geselecteerd, is de kleur van het beeld rustiger en zachter. 92 NL (Scherpte) kunnen voor ieder (Scherpte) De scherpte aanpassen. Hoe hoger de geselecteerde waarde, hoe meer de contouren worden geaccentueerd. Hoe lager de geselecteerde waarde, hoe meer de contouren worden verzacht. Opmerkingen • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt [Instellingen] vastgezet op (Standaard) en kunt u de andere instellingen niet selecteren. • Wanneer (Zwart-wit) is geselecteerd, kunt u de verzadiging niet aanpassen. Het bereik van de gereproduceerde kleuren wijzigen (Kleurenruimte) MENU-knop t instelling 1 t [Kleurenruimte] t Kies de gewenste sRGB Dit is de standaard Kleurenruimte van de digitale camera. Gebruik sRGB bij normale opnamen, bijvoorbeeld als u van plan bent om de beelden af te drukken zonder aanpassing. Adobe RGB Dit heeft een uitgebreid assortiment kleurenreproducties. Als een groot deel van de onderwerp levendig groen of rood is, is Adobe RGB effectief. • De bestandsnaam van het beeld begint met "_DSC". De opnamefunctie gebruiken De wijze waarop kleuren worden vertegenwoordigd met combinaties van nummers of het assortiment kleurenreproducties wordt "Kleurenruimte" genoemd. U kunt de Kleurenruimte wijzigen, afhankelijk van uw doel. Opmerkingen • Adobe RGB is voor toepassingen of printers die kleurbeheer en de DCF2.0kleurenruimteoptie ondersteunen. Wanneer u toepassingen of printers gebruikt die het kleurbeheer niet ondersteunen, kan dat beelden opleveren waarin kleuren niet natuurgetrouw worden gereproduceerd. • Beelden worden met een lage verzadiging weergegeven als zij op de camera, of apparaten die Adobe RGB niet ondersteunen, werden opgenomen met Adobe RGB. 93NL Instelling ISO De lichtgevoeligheid wordt uitgedrukt door de ISO-waarde (aanbevolen belichtingsindex). Hoe hoger het getal, des te hoger de gevoeligheid. 1 Druk op de ISO-knop om het ISO- ISO-knop scherm weer te geven. 2 Selecteer op de controller met v/V de gewenste waarde. • Hoe hoger het getal, des te hoger het ruisniveau is. Opmerkingen • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt de ISO-waarde vastgezet op AUTO en kunt u de andere ISO-waarden niet selecteren. • Wanneer de belichtingsfunctie wordt ingesteld op P/A/S en de ISO-waarde wordt ingesteld op [AUTO], wordt de ISO-waarde automatisch ingesteld tussen ISO 200 en ISO 1600. • De [AUTO]-instelling is niet beschikbaar in de belichtingsfunctie M. Als u de belichtingsfunctie M wijzigt met de [AUTO]-instelling, dan wordt deze overgeschakeld op [200]. Stel de ISO in in overeenstemming met uw opnameomstandigheden. 94 NL De kleurtinten (Witbalans) instellen De kleurtint van het onderwerp verandert naarmate de aard van de lichtbron verandert. De onderstaande tabel geeft de veranderingen in kleurtint aan gebaseerd op diverse lichtbronnen in vergelijking met een onderwerp dat er wit uitziet in het zonlicht. Daglicht Bewolkt Fluorescerend Lamplicht Wit Blauwachtig Groengetint Roodachtig Weer/lichtbron Eigenschappen van het licht Opmerkingen • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, wordt [Witbalans] vastgezet op AWB (Autom.witbalans) en kunt u de andere functies niet selecteren. • De camera kan geen nauwkeurige witbalans vaststellen als de enige beschikbare lichtbron een kwik- of een natriumlamp is vanwege de kenmerken van de lichtbron. Gebruik in zulke gevallen de flitser. De opnamefunctie gebruiken Witbalans is een functie waarmee de kleurtint wordt aangepast tot ongeveer wat u ziet. Gebruik deze functie als de kleurtint van het beeld er niet uitziet zoals u verwachtte, of als u doelbewust de kleurtint wilt veranderen voor een fotografische uitdrukking. De witbalans aanpassen zodat deze bij een bepaalde lichtbron past (Automatisch/vooringestelde witbalans) Fn-knop t AWB (Witbalans) t Kies de gewenste instelling • Wanneer [AWB] niet is geselecteerd, kunt u de kleurtint fijnregelen met b/B op de controller. Met een aanpassing naar + wordt het beeld roder en met een aanpassing naar – wordt het beeld blauwer. 95NL AWB (Autom.witbalans) (Daglicht) (Schaduw) (Bewolkt) De camera neemt automatisch een lichtbron waar en past de kleurtinten erop aan. Bij de selectie van een optie die geschikt is voor een bepaalde lichtbron, worden de kleurtinten aangepast aan de lichtbron (vooringestelde witbalans). (Gloeilamp) (TL-licht) (Flitslicht) Opnametechnieken • Gebruik de bracketfunctie van de witbalans als u de gewenste kleurtint niet in de geselecteerde optie kunt krijgen (blz. 102). • U kunt de waarde van de gewenste waarde aanpassen door [5500K] (Kleurtemperatuur) of [0] (Kleurfilter) te selecteren. • Door (Eigen inst.) te selecteren, kunt u uw instelling opslaan (blz. 97). De kleurtemperatuur en een filtereffect instellen (Kleurtemperatuur/kleurfilter) Fn-knop t AWB (Witbalans) t [5500K] (Kleurtemperatuur) of [0] (Kleurfilter) • Selecteer de waarde met b/B om de kleurtemperatuur in te stellen. • Selecteer de compensatierichting met b/B om de kleurfilter in te stellen. Opmerking • De waarden zijn anders onder tl-licht/natrium- of kwiklampen omdat kleurmeters zijn ontworpen voor filmcamera's. We raden u aan om uw eigen witbalans te gebruiken of een testopname te maken. 96 NL 5500K*1 (Kleurtemperatuur) Hiermee wordt de witbalans aan de hand van de kleurtemperatuur ingesteld. Hoe hoger het getal is, des te roder het beeld wordt, en hoe lager het getal is, des te blauwer het beeld wordt. 0*2 (Kleurfilter) Zo komt het effect van CC (Color Compensation)-filters voor fotografie tot stand. De kleur kan, gebaseerd op de ingestelde kleurtemperatuur als standaard, worden gecompenseerd naar G (Green) of M (Magenta). *1 De waarde is de waarde van de kleurtemperatuur die op dat moment is geselecteerd. *2 De waarde is de waarde van de kleurfilter die op dat moment is geselecteerd. De kleurtinten opslaan (Eigen witbalans) 1 Fn-knop t AWB (Witbalans) t (Eigen inst.) 2 Selecteer [ SET] met b/B op de controller, en druk vervolgens op het midden van de controller. De opnamefunctie gebruiken In een scène waarin het omgevingslicht bestaat uit meerdere soorten lichtbronnen, adviseren wij u een eigen witbalans te gebruiken om de witte kleuren nauwkeurig te reproduceren. 3 Houd de camera zo dat het witte gebied het AF-gebied in het midden volledig bedekt en druk vervolgens op de ontspanknop. De sluiter klikt en de geijkte waarden (kleurtemperatuur en kleurfilter) worden weergegeven. 4 Druk op het midden van de controller. De monitor keert terug naar het scherm met opname-informatie waarbij de in het geheugen opgeslagen eigen ingestelde instelling voor witbalans blijft behouden. • De eigen witbalansinstelling die met deze bediening werd opgeslagen, blijft beschikbaar totdat er een nieuwe instelling wordt opgeslagen. 97NL Opmerking • De mededeling "Fout eigen witbalans" geeft aan dat de waarde buiten het verwachte bereik ligt. (Als de flitser wordt gebruikt op een onderwerp dat erg dichtbij is, of als zich een onderwerp met een felle kleur in het scherpstelkader bevindt.) Als u deze waarde opslaat, wordt de -indicator geel in de opname-informatie op de LCDmonitor. U kunt op dit moment wel opnemen, maar wij adviseren u de witbalans nogmaals in te stellen om een nauwkeurigere witbalanswaarde te verkrijgen. De eigen witbalansinstelling oproepen Fn-knop t AWB (Witbalans) t (Eigen inst.) Opmerking • Als de flitser afgaat wanneer op de ontspanknop wordt gedrukt, wordt een eigen witbalansinstelling opgeslagen waarbij rekening wordt gehouden met het flitslicht. Gebruik bij latere opnamen ook de flitser. 98 NL De transportfunctie selecteren Deze camera heeft zeven transportfuncties, waaronder enkelvoudig transport en continutransport. Kies naar wens een transportfunctie. Enkele opnamen nemen Deze functie is voor normaal opnemen. -knop t (Enkelbeeldopname) Opmerking • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op (Sportactie) in de scènekeuzefunctie, kunt u niet een enkele opname maken. De camera legt de beelden doorlopend vast op de volgende snelheden*. Maximaal 5 beelden per seconde Maximaal 3 beelden per seconde * Onze meetomstandigheden. De snelheid van een continuopname is langzamer, afhankelijk van de opnameomstandigheden. 1 -knop t (Continuopname) t Kies de gewenste De opnamefunctie gebruiken Continu opnemen stand 2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. • De camera blijft opnemen als u de ontspanknop ingedrukt houdt. Het maximale aantal opeenvolgende opnamen Het aantal beelden dat continu opgenomen kan worden, is beperkt. Fijn 32 beelden Standaard 116 beelden RAW & JPEG 7 beelden RAW 14 beelden 99NL Ononderbroken opnamen maken bij hogere snelheden De camera maakt ononderbroken opnamen met maximaal zeven beelden per seconde. De belichting en scherpstelling worden ingesteld bij de eerste opname. -knop t (Snelh.v. continutr.) Opmerkingen • U kunt geen continuopnamen maken wanneer "0" knippert in de zoeker. Wacht tot de indicator verdwijnt. • U kunt geen ononderbroken opnamen maken bij een andere scènekeuze dan (Sportactie). De zelfontspanner gebruiken De 10-seconden zelfontspanner is handig wanneer de fotograaf zelf op de foto moet staan en de 2-seconden zelfontspanner is handig om camerabewegingen te verminderen. 1 -knop t instelling • Het cijfer achter (Zelfontspanner) t Selecteer de gewenste is het huidige aantal geselecteerde seconden. 2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. • Als de zelfontspanner is geselecteerd, geven geluidsignalen en het lampje van de zelfontspanner de status ervan aan. Vlak voor de opname knippert het lampje van de zelfontspanner snel en klinkt het geluidsignaal. De zelfontspanner annuleren Druk op de -knop. Opmerking • Wanneer u op de ontspanknop drukt zonder in de zoeker te kijken, gebruikt u het zoekerkapje (blz. 24). 100 NL Beelden opnemen met verschoven belichting (Belichtingsbracket) Basisbelichting – richting + richting 1 -knop t bracketstap (Bracket: continu) t Kies de gewenste 2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. De basisbelichting wordt ingesteld bij het eerste beeld van de bracketopname. De opnamefunctie gebruiken Met bracketopnamen kunt u diverse beelden opnemen, ieder met een andere belichtingsgraad. Specificeer de afwijkingswaarde (stappen) van de basisbelichting en de camera maakt automatisch drie opnamen bij een wisselende belichting. Houd de ontspanknop ingedrukt totdat het opnemen stopt. Wanneer er wordt geflitst, wordt met de flitsbracketopname de hoeveelheid flitslicht gevarieerd. Druk de ontspanknop in voor elke opname. Opmerkingen • De belichting wordt verschoven door aanpassing van de sluitertijd als het instelwiel is ingesteld op M. • Bij aanpassing van de belichting, wordt de belichting verschoven aan de hand van de gecompenseerde waarde. • De bracket kan niet worden gebruikt wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie. 101NL EV-schaalverdeling bij bracketopname LCD-monitor (standaardweergave) Omgevingslichtbracket* Stappen van 0,3, drie opnamen Belichtingscompensatie 0 Flits-bracketopname Stappen van 0,7, drie opnamen Flitscompensatie –1,0 Aangegeven in de bovenste regel. Aangegeven onder de schaalverdeling. Zoeker LCD-monitor (Stand handmatige scherpstellingscontrole Live View) * Omgevingslicht: elk licht, behalve het flitslicht, dat de scène belicht gedurende een lange tijd, zoals natuurlijk licht, een gloeilamp of een tl-buis. • Bij bracketopnamen wordt hetzelfde aantal aanduidingen als het aantal opneembare beelden weergegeven op de EV-schaalverdeling. Bij flitsbracketopnamen worden de aanduidingen echter niet in de zoeker weergegeven. • Nadat de bracketopname is begonnen, gaan de aanduidingen van de reeds gemaakte opnamen één voor één uit. Opnemen met witbalansverschuiving (Witbalansbracket) Op basis van de geselecteerde witbalans en kleurtemperatuur/kleurfilter worden drie beelden vastgelegd met een wisselende witbalans. 1 -knop t gewenste instelling (Witbalansbracket) t Kies de • Wanneer Lo is geselecteerd, wordt het verschoven met 10 mired* en wanneer Hi is geselecteerd wordt het verschoven met 20 mired. 2 Wijzig de scherptediepte en fotografeer het onderwerp. * Mired: een eenheid die de kleuromzettingskwaliteit aangeeft voor kleurtemperatuurfilters. 102 NL Opnamen maken met de draadloze afstandsbediening U kunt een opname maken met de knoppen SHUTTER en 2SEC (de ontspanknop wordt na 2 seconden losgelaten) op de RMT-DSLR1draadloze afstandsbediening (los verkrijgbaar). Raadpleeg ook de gebruiksaanwijzing van de draadloze afstandsbediening. 1 -knop t (Afstandsbediening) 2 Stel scherp op het onderwerp, richt de zender van de draadloze afstandsbediening op de sensor van de afstandsbediening en maak de opname. De opnamefunctie gebruiken Opmerking • Wanneer u op de ontspanknop drukt zonder in de zoeker te kijken, gebruikt u het zoekerkapje (blz. 24). 103NL De weergavefuncties gebruiken Beelden weergeven Het laatst opgenomen beeld wordt weergegeven op de LCD-monitor. 1 Druk op de -knop. -knop 2 Selecteer op de controller een beeld met b/B. Terugkeren naar de opnamestand Druk nogmaals op de -knop. Overschakelen op het scherm voor opnamegegevens Druk op de DISP-knop. Telkens wanneer u op de DISP-knop drukt, verandert het scherm als volgt. Zonder opnameinformatie Histogramweergave Met opnameinformatie De beeldrichting kiezen bij de weergave van een beeld dat is opgenomen in de portretpositie MENU knop t instelling 1 t [Beeldrotatie] t Selecteer de gewenste Opmerking • Wanneer u het beeld weergeeft op een tv of computer, wordt het weergegeven in de portretpositie, zelfs als [Handm.roteren] is geselecteerd. 104 NL Een beeld roteren 1 Geef het beeld weer dat u wilt roteren en druk vervolgens op de -knop. -knop 2 Druk op het midden van de controller. Het beeld wordt linksom geroteerd. Herhaal stap 2 als u nog een rotatie wilt uitvoeren. • Nadat u het beeld hebt geroteerd, wordt het weergegeven in de geroteerde positie, zelfs wanneer u de voeding uitschakelt. Terugkeren naar het normale weergavescherm Druk op de -knop. Beelden vergroten Een beeld kan worden vergroot om het beter te kunnen bekijken. Dit is handig om de scherpstelling van een opgenomen beeld te bekijken. De weergavefuncties gebruiken Opmerking • Als u geroteerde beelden naar een computer kopieert, kunnen de geroteerde beelden met het softwareprogramma "PMB" op de cd-rom (bijgeleverd) correct worden weergegeven. Het is echter mogelijk dat de beelden niet worden geroteerd, afhankelijk van het softwareprogramma. 1 Geef het beeld weer dat u wilt roteren en druk vervolgens op de -knop. -knop 105NL 2 U kunt in- en uitzoomen op het beeld met de -knop of -knop. • Draaien aan het instelwiel schakelt het beeld over op dezelfde weergavevergroting. Als u meerdere beelden opneemt met dezelfde compositie, dan kunt u hun scherptediepte vergelijken. -knop 3 Selecteer het deel dat u wilt vergroten met v/V/b/B op de controller. De vergrote weergave annuleren Druk op de -knop om het beeld te laten terugkeren naar de normale grootte. Zoombereik Het weergavezoombereik is als volgt. Beeldgrootte Zoombereik L Ongev. ×1,1 – ×14 M Ongev. ×1,1 – ×11 S Ongev. ×1,1 – ×7,2 Overschakelen op de beeldlijstweergave 1 Druk op de -knop. Het scherm verandert in het beeldindexscherm. 106 NL -knop 2 Druk een aantal maal op de DISPknop om het gewenste schermformaat te kiezen. • Achtereenvolgens worden de volgende schermen weergegeven: 9 beelden t 4 beelden DISP-knop Terugkeren naar het scherm met een enkel beeld Druk op de -knop of het midden van de controller als u het gewenste beeld kiest. Mappenbalk Beelden automatisch weergeven (Diavoorstelling) MENU-knop t 1 t [Diavoorstelling] t [OK] De opgenomen beelden worden op volgorde weergegeven (diavoorstelling). De diavoorstelling eindigt automatisch nadat alle beelden zijn weergegeven. • U kunt volgende en vorige beelden bekijken met b/B op de controller. De weergavefuncties gebruiken Een map selecteren 1 Selecteer de mappenbalk met b/B op de controller en druk vervolgens in het midden. 2 Selecteer de gewenste map met v/V en druk vervolgens in het midden. De diavoorstelling pauzeren Druk op het midden van de controller. Wanneer u opnieuw drukt, wordt de diavoorstelling hervat. De diavoorstelling middenin beëindigen Druk op de MENU-knop. 107NL Het interval kiezen tussen de beelden in de diavoorstelling MENU-knop t 1 t [Diavoorstelling] t [Interval] t Selecteer het gewenste aantal seconden Herhaaldelijk afspelen MENU-knop t [Aan] 108 NL 1 t [Diavoorstelling] t [Herhalen] t De informatie over opgenomen beelden controleren Telkens wanneer u op de DISP-knop drukt, verandert het scherm als volgt (blz. 104). Basisopname-informatie Indicatie Geheugenkaart (18) 100-0003 Map - bestandsnummer (135) - Beveiligen (112) DPOF3 DPOF ingesteld (142) Beeldkwaliteit (119) Beeldgrootte (118)/ Beeldverhouding (118) Scherm Indicatie Waarschuwing Auto HDR-beeld (90) De weergavefuncties gebruiken Scherm Waarschuwing resterend accuvermogen (14) 1/125 Sluitertijd (60) F3.5 Diafragma (58) ISO200 ISO-gevoeligheid (94) 2009 1 1 10:37AM Opnamedatum 3/7 Bestandsnummer/totaal aantal beelden 109NL Histogramweergave A Scherm Scherm –0.3 Indicatie Map - bestandsnummer (135) - Beveiligen (112) DPOF3 35mm Instellingen (92) AWB +1 5500K M1 Waarschuwing resterend accuvermogen (14) B Indicatie Histogram (111) P A S M Functiekeuzeknop (47 – 67) 1/125 Sluitertijd (60) F3.5 Diafragma (58) ISO200 ISO-gevoeligheid (94) 110 NL Belichtingscompensatie (85) Witbalans (Automatisch, Vooringesteld, Kleurtemperatuur, Kleurfilter, Eigen) (95) Dynamischbereikoptimalisatie (89)/ Auto HDR/ Waarschuwing Auto HDR-beeld (90) Beeldgrootte (118)/ Beeldverhouding (118) –0.3 Brandpuntsafstand (148) DPOF ingesteld (142) Beeldkwaliteit (119) Scherm Flitscompensatie (86) Lichtmeetfunctie (88) Geheugenkaart (18) 100-0003 Indicatie 2009 1 1 10:37AM Opnamedatum 3/7 Bestandsnummer/totaal aantal beelden Hoe u het histogram kunt controleren Als het beeld een sterk belicht of zwak belicht deel bevat, knippert dat deel van het beeld in de histogramweergave (luminantielimietwaarschuwing). Aantal pixels Het histogram geeft de luminantieverdeling weer die aangeeft hoeveel pixels van een bepaalde helderheid er voorkomen in het beeld. Druk als u het histogram wilt weergeven, op de DISP-knop (bladzijde 34 en 104). Donker Licht Knipperend R (rood) Luminantie Door de belichtingscompensatie wordt het histogram dienovereenkomstig veranderd. De illustratie rechts is een voorbeeld. Een opname maken met de belichtingscompensatie aan de positieve zijde, verheldert het volledige beeld, zodat het volledige histogram naar de heldere zijde (rechterzijde) verschuift. Als u opneemt met de belichtingscompensatie toegepast aan de negatieve kant, zal het histogram naar de andere kant verschuiven. Beide uiteinden van het histogram geven sterk en zwak belichte delen weer. Het is onmogelijk om deze gebieden later met een computer te herstellen. Pas zo nodig de belichting aan en neem de opname nogmaals. De weergavefuncties gebruiken G (groen) B (blauw) 111NL Beelden beveiligen (Beveiligen) U kunt afbeeldingen beschermen tegen het per ongeluk wissen. Geselecteerde beelden beveiligen/de beveiliging van geselecteerde beelden annuleren 1 MENU-knop t 1 t [Beveiligen] t [Gemark.beelden] 2 Selecteer de beelden die u wilt beveiligen met b/B op de controller en druk dan op het midden van de controller. - De markering - wordt op het geselecteerde beeld afgebeeld. • Om de selectie ongedaan te maken, drukt u opnieuw op het midden. 3 Als u nog andere beelden wilt beveiligen, herhaalt u stap 2. 4 Druk op de MENU-knop. 5 Selecteer [OK] met v en druk vervolgens op het midden van de controller. 112 NL Beelden wissen (Wissen) Als u eenmaal een beeld hebt gewist, kunt u dit niet herstellen. Controleer vooraf of u het beeld al dan niet wilt wissen. Opmerking • Beveiligde beelden kunnen niet worden gewist. Het beeld wissen dat wordt weergegeven 1 Geef het beeld weer dat u wilt wissen en druk vervolgens op de -knop. -knop 2 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden van de controller. 1 MENU-knop t 1 t [Wissen] t [Gemark.beelden] 2 Selecteer met de controller de beelden die u wilt wissen, en druk dan op het midden van de controller. De markering wordt op het geselecteerde beeld afgebeeld. De weergavefuncties gebruiken Hiermee worden de geselecteerde beelden gewist Totaal aantal 3 Als u nog andere beelden wilt wissen, herhaalt u stap 2. 4 Druk op de MENU-knop. 113NL 5 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden van de controller. Alle beelden in de map wissen 1 Druk op de -knop. 2 Selecteer de mappenbalk met b op de controller. Mappenbalk 3 Druk op het midden van de controller, en selecteer vervolgens de map die u wilt wissen met v/V. 4 Druk op de -knop. 5 Selecteer [Wissen] met v en druk vervolgens op het midden van de controller. Het in één keer verwijderen van alle afbeeldingen MENU-knop t 1 t [Wissen] t [Alle beelden] t [Wissen] Opmerking • Het kan lang duren voordat veel beelden gewist zijn als deze zijn geselecteerd met [Alle beelden]. We raden u aan beelden te wissen op een computer of met de camera de geheugenkaart te formatteren. 114 NL Beelden bekijken op een tv-scherm Als u de beelden die u met de camera hebt gemaakt, op een tv wilt bekijken, hebt u een HDMI-kabel (los verkrijgbaar) en een HD-tv met HDMI-aansluiting nodig. 1 Schakel zowel de camera als de tv uit, en sluit de camera en de tv op elkaar aan. 1 Naar de HDMI- aansluiting HDMI-kabel (los verkrijgbaar) 2 Naar de HDMI-aansluiting • Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bijgeleverd bij de tv voor meer informatie. 3 Schakel de camera in. De beelden die met de camera zijn opgenomen, worden op het tv-scherm afgebeeld. Selecteer de gewenste beelden met b/B op de controller. • De LCD-monitor op de camera wordt niet ingeschakeld. De weergavefuncties gebruiken 2 Schakel de tv in en wijzig de ingang. Controller Opmerkingen • Gebruik een HDMI-kabel met het HDMI-logo. • Gebruik een HDMI-mini-aansluiting aan het ene uiteinde (voor de camera) en een aansluiting die geschikt is voor de aansluiting op uw tv aan het andere uiteinde. 115NL • Als u uw camera met een HDMI-kabel aansluit op een Sony tv die compatibel is met VIDEO-A, stelt de tv automatisch de juiste beeldkwaliteit in voor het weergeven van stilstaande beelden. Raadpleeg de bedieningsinstructies van Sony's tv die compatibel is met VIDEO-A voor meer informatie. • Sommige apparaten zullen mogelijk niet correct werken. • Sluit de uitgang van het apparaat niet aan op de HDMI-aansluiting op de camera. Dit kan een storing veroorzaken. Op "PhotoTV HD" Deze camera is compatibel met de norm "PhotoTV HD". Door apparaten die compatibel zijn met PhotoTV HD van Sony aan te sluiten met een HDMI-kabel, kunt u genieten van een compleet nieuwe wereld van foto's in adembenemende Full HD-kwaliteit. "PhotoTV HD" biedt een zeer gedetailleerde, fotogetrouwe uitdrukking van subtiele patronen en kleuren. Uw camera in het buitenland gebruiken De camera neemt automatisch het kleursysteem waar dat overeenkomt met het aangesloten videoapparaat. Over tv-kleursystemen Als u beelden wilt bekijken op een televisiescherm, hebt u een televisie met een video-ingangsaansluiting en een videokabel nodig. Het kleursysteem van de tv moet overeenstemmen met dat van uw digitale fotocamera. Raadpleeg de onderstaande lijsten voor het tv-kleursysteem van het land of gebied waarin u de camera gebruikt. NTSC-systeem Bahama-eilanden, Bolivia, Canada, Chili, Colombia, Ecuador, Filippijnen, Jamaica, Japan, Korea, Mexico, Midden-Amerika, Peru, Suriname, Taiwan, Venezuela, Verenigde Staten, enz. PAL-systeem Australië, België, China, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Hongkong, Italië, Koeweit, Maleisië, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Singapore, Slowakije, Spanje, Thailand, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland, enz. PAL-M-systeem Brazilië 116 NL PAL-N-systeem Argentinië, Paraguay, Uruguay SECAM-systeem Bulgarije, Frankrijk, Guyana, Irak, Iran, Monaco, Oekraïne, Rusland, enz. Gebruik van "BRAVIA" Sync Wanneer u de camera met een HDMI-kabel aansluit op een tv die "BRAVIA" Sync ondersteunt, kunt u de camera bedienen met de afstandsbediening van de tv. 1 Sluit een tv die "BRAVIA" Sync ondersteunt, op de camera aan (blz. 115). Het ingangssignaal wordt automatisch omgeschakeld en het beeld dat met de camera is opgenomen, verschijnt op het tv-scherm. 2 Druk op de LINK MENU-knop op de afstandsbediening van de tv. gebruiken. Onderdelen in het koppelingsmenu Diavoorstelling Hiermee speelt u beelden automatisch af (blz. 107). Eén beeld afspelen U keert terug naar het scherm met een enkel beeld. Beeldindex Hiermee schakelt u naar het beeldindexscherm. Wissen Hiermee selecteert u de methode voor verwijdering van beelden voor één beeld of alle beelden (blz. 113). De weergavefuncties gebruiken 3 U kunt de bedieningsknop op de afstandsbediening van de tv Opmerkingen • De beschikbare bewerkingen zijn beperkt als de camera met een HDMI-kabel op een tv is aangesloten. • Alleen op tv's die "BRAVIA" Sync ondersteunen, kunnen deze bewerkingen worden gebruikt. Raadpleeg de bij de tv geleverde gebruiksaanwijzing voor meer informatie. • Als de camera onnodige bewerkingen uitvoert als reactie op de afstandsbediening van de tv als de camera met een HDMI-aansluiting op een tv van een andere fabrikant is aangesloten, stelt u [CTRL.VOOR HDMI] in het menu Instellingen in op [Uit]. 117NL Uw instellingen wijzigen De beeldgrootte en de beeldkwaliteit instellen Beeldgrootte MENU-knop t 1 t [Beeldgrootte] t Selecteer de gewenste grootte [Beeldverhoud.]: [3:2] L:14M 4592 × 3056 pixels M:7.4M 3344 × 2224 pixels S:3.5M 2288 × 1520 pixels [Beeldverhoud.]: [16:9] L:12M 4592 × 2576 pixels M:6.3M 3344 × 1872 pixels S:2.9M 2288 × 1280 pixels Opmerking • Wanneer u een RAW-beeld selecteert met [Kwaliteit], komt de beeldgrootte van het RAWbeeld overeen met L. De beeldgrootte wordt niet weergegeven op de LCD-monitor. Beeldverhoud. MENU-knop t 1 t [Beeldverhoud.] t Selecteer de gewenste beeldverhouding 3:2 Een normale beeldverhouding. 16:9 Een HDTV-verhouding. 118 NL Kwaliteit MENU knop t instelling (RAW) (RAW & JPEG) (Fijn) (Standaard) 1 t [Kwaliteit] t Selecteer de gewenste Bestandsformaat: RAW (Gegevens met het RAWcompressieformaat.) Bij deze bestandsindeling wordt geen digitale verwerking op de beelden uitgevoerd. Selecteer dit formaat om beelden op een computer te verwerken voor professionele doelen. • Het beeldformaat ligt vast op het maximale formaat. Het beeldformaat wordt niet weergegeven op de LCD-monitor. Bestandsformaat: RAW (Gegevens met het RAWcompressieformaat.) + JPEG Het RAW-beeld en het JPEG-beeld worden tegelijkertijd gemaakt. Dit is handig wanneer u twee beeldbestanden nodig hebt: een JPEG-bestand om weer te geven en een RAWbestand om te bewerken. • De beeldkwaliteit is vastgelegd op [Fijn] en de beeldgrootte is vastgelegd op [L]. Opmerking • Zie bladzijde 25 voor meer informatie over het aantal beelden dat kan worden opgenomen wanneer de beeldkwaliteit wordt veranderd. Over RAW-beelden U hebt het softwareprogramma "Image Data Converter SR" nodig dat op de cd-rom (bijgeleverd) staat om een RAW-beeld te kunnen openen dat op deze camera is opgenomen. Met behulp van dit softwareprogramma kan een RAW-beeld worden geopend en geconverteerd naar een veelgebruikt bestandsformaat, zoals JPEG of TIFF, en kunnen de witbalans, de kleurverzadiging, het contrast, enz., worden veranderd. • Het RAW-beeld kan niet worden afgedrukt op een DPOF-printer of een PictBridgecompatibele printer. • U kunt [Auto HDR] niet instellen op beelden in RAW-formaat. Uw instellingen wijzigen Bestandsformaat: JPEG Het beeld wordt bij de opname gecomprimeerd in het JPEGbestandsformaat. Omdat de compressieverhouding van (Standaard) hoger is dan die van (Fijn), is de bestandsgrootte van kleiner dan die van . Hierdoor kunnen meer bestanden worden opgenomen op een geheugenkaart, maar zal de beeldkwaliteit lager zijn. 119NL De methode voor opnemen op een geheugenkaart instellen De methode kiezen waarmee bestandsnummers worden toegekend aan beelden MENU knop t 2 t [Bestandsnummer] t Selecteer de gewenste instelling Serie De camera zet de nummers niet op volgorde terug en kent opeenvolgende nummers aan bestanden toe totdat het nummer "9999" wordt bereikt. Terugstellen In de volgende gevallen worden door de camera nummers teruggezet op de beginwaarde en vanaf "0001" aan bestanden toegekend. Als de opnamemap een bestand bevat, wordt een nummer hoger dan het hoogste reeds toegekende nummer toegewezen. – Als het mapformaat is gewijzigd. – Als alle beelden in de map zijn gewist. – Als de geheugenkaart is vervangen. – Als de geheugenkaart is geformatteerd. Het formaat van de mapnaam selecteren De opgenomen beelden worden opgeslagen in de automatisch gemaakte mappen in de map DCIM op de geheugenkaart. MENU knop t instelling Standaardform. Het formaat van de mapnaam is als volgt: mapnummer + MSDCF. Voorbeeld: 100MSDCF Datumformaat Het formaat van de mapnaam is als volgt: mapnummer + J (laatste cijfer)/MM/DD. Voorbeeld: 10090405 (Mapnaam: 100, datum: 04/05/2009) 120 NL 2 t [Mapnaam] t Selecteer de gewenste Een nieuwe map maken U kunt op de geheugenkaart een map maken voor het opnemen van afbeeldingen. Een nieuwe map wordt aangemaakt met een nummer dat een eenheid hoger is dan het hoogste nummer dat reeds in gebruik is, en de map wordt de huidige opnamemap. MENU-knop t 2 t [Nieuwe map] De opnamemap selecteren Als het standaardformaat voor de mapnaam is geselecteerd en er twee of meer mappen bestaan, kunt u de opnamemap selecteren die moet worden gebruikt om opgenomen beelden in op te slaan. MENU-knop t map 2 t [Map kiezen] t Selecteer de gewenste Opmerking • U kunt de map niet selecteren wanneer u de instelling [Datumformaat] selecteert. MENU-knop t 1 t [Formatteren] t [OK] Opmerkingen • Tijdens het formatteren brandt het toegangslampje. Terwijl het lampje brandt, mag u de geheugenkaart niet verwijderen. • Formatteer de geheugenkaart in de camera. Als u de geheugenkaart op een computer formatteert, is het mogelijk dat niet in deze camera gebruikt kan worden, afhankelijk van het type formattering dat is uitgevoerd. • Formatteren kan afhankelijk van de geheugenkaart een aantal minuten in beslag nemen. Uw instellingen wijzigen De geheugenkaart formatteren Vergeet niet dat het formatteren alle gegevens op de geheugenkaart onherstelbaar zal wissen, inclusief de beveiligde beelden. 121NL De instelling voor ruisonderdrukking wijzigen Ruisonderdrukking uitschakelen tijdens opnamen met een lange belichtingstijd De ruisonderdrukking wordt ingeschakeld voor de duur dat de sluiter open is als u de sluitertijd instelt op een seconde of langer (opname met lange belichting). Dit gebeurt om de korrelige ruis die typisch is voor een lange belichting, te verminderen. Er wordt een bericht weergegeven als de ruisonderdrukking in voortgang is, en u kunt dan geen nieuwe foto's nemen. Selecteer [Aan] om de prioriteit voor de beeldkwaliteit aan te geven. Selecteer [Uit] om de prioriteit voor de opnametiming aan te geven. MENU-knop t 2 t [NR lang-belicht] t [Uit] Opmerkingen • De ruisonderdrukking wordt niet uitgevoerd bij continue opnamen of continue bracket-opnamen, zelfs wanneer deze functie is ingesteld op [Aan]. • Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op AUTO of de scènekeuzefunctie, kunt u de ruisonderdrukking niet uitschakelen. De ruisonderdrukking instellen bij instellingen met een hoge ISO-gevoeligheid Als er opnamen worden gemaakt met de ISO-gevoeligheid ingesteld op 1600, verlaagt de camera ruis die opvalt als de gevoeligheid van de camera hoger is. Selecteer [Hoog] om de prioriteit voor de beeldkwaliteit aan te geven. Selecteer [Normaal] om de prioriteit voor de opnametiming aan te geven. MENU-knop t 2 t [NR bij hoge-ISO] t Selecteer de gewenste instelling Opmerking • [Normaal] wordt automatisch geselecteerd voor continue opnamen of continu bracketopnamen, zelfs als u de instelling [Hoog] kiest. 122 NL De functie van de AEL-knop wijzigen De bediening van de AEL-knop wijzigen De functie van de AEL-knop kan worden geselecteerd uit de volgende twee functies: – Behoud de vergrendelde belichtingswaarde door op de AEL-knop te drukken terwijl de knop ingedrukt wordt gehouden ([AEL-vergrendel]). – Behoud de vergrendelde belichtingswaarde door op de AEL-knop te drukken tot de knop nogmaals wordt ingedrukt ([AEL-wisselen]). MENU knop t instelling 1 t [AEL-knop] t Selecteer de gewenste Opmerkingen • Terwijl de belichtingswaarde vergrendeld is, wordt afgebeeld op de LCDmonitor en in de zoeker. Zorg ervoor dat u de instelling niet terugzet. • De instellingen "AF vastzetten" en "AF/MF wisselen" beïnvloeden de handmatige verschuiving (blz. 65) in de handmatige belichtingsfunctie. Uw instellingen wijzigen 123NL Andere instellingen wijzigen Het geluid aan-/uitzetten U kunt het geluid selecteren dat wordt voortgebracht wanneer de sluiter wordt vergrendeld, tijdens het aftellen van de zelfontspanner, enz. MENU knop t 2 t [Audiosignalen] t Selecteer de gewenste instelling Het Help-scherm verwijderen U kunt het Help-scherm dat wordt weergegeven tijdens de bediening van de camera, uitschakelen. Dit is handig wanneer u de volgende bewerking snel wilt uitvoeren. MENU-knop t 1 t [Help-scherm] t [Uit] De tijdsduur instellen waarna de camera in de spaarstand moet worden gezet U kunt verschillende tijdsintervallen voor de camera instellen om over te schakelen naar de stroombesparing (Stroombesparing). Door de ontspanknop halverwege in te drukken, keert de camera terug naar de opnamefunctie. MENU-knop t gewenste tijd 1 t [Stroombesp.(OVF)] t Selecteer de Opmerkingen • Ongeacht de instelling die u hier hebt geselecteerd, gaat de camera na 30 minuten naar de spaarstand wanneer de camera op een tv is aangesloten, of de transportfunctie wordt ingesteld op (Afstandsbediening). • Stel [Stroombesp. (LV)] in wanneer u de handmatige scherpstellingscontrole Live View gebruikt. De taal selecteren MENU-knop t 124 NL 1t[ Taal] t Selecteer de taal De LCD-monitor instellen De helderheid van de LCD-monitor handmatig instellen MENU-knop t 1 t [LCD-helderheid] t Selecteer de gewenste instelling De weergegeven tijd van het beeld direct na de opname ervan instellen (Automatische weergave) U kunt het opgenomen beeld direct na de opname ervan controleren op de LCD-monitor. U kunt de weergaveduur veranderen. MENU knop t 1 t [Autom.weergave] t Selecteer de gewenste instelling Opmerking • In de automatische weergave wordt het beeld niet in de verticale positie weergegeven, zelfs niet als [Beeldrotatie] wordt ingesteld op [Autom.roteren] (blz. 104). Uw instellingen wijzigen 125NL De LCD-monitor aanhouden terwijl u in de zoeker kijkt In de standaardinstelling wordt, terwijl u in de zoeker kijkt, de LCDmonitor uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu leegloopt. Selecteer [Uit] als u wilt dat de LCD-monitor aangezet wordt als u in de zoeker kijkt. MENU-knop t 1 t [Autom.uitsch.] t [Uit] De stramienlijn in-/uitschakelen U kunt selecteren of de rasterlijn al dan niet wordt weergegeven in de stand handmatige scherpstellingscontrole Live View (blz. 75). MENU knop t instelling 126 NL 1 t [Stramienlijn] t Selecteer de gewenste De versie van de camera controleren De versie weergeven Hiermee geeft u de versie van uw camera weer. Controleer de versie wanneer er een firmware-update uitkomt. MENU-knop t 3 t [Versie] Opmerking • Een update kan alleen worden uitgevoerd wanneer het accuniveau (drie resterende accupictogrammen) of meer is. We raden u aan de accu voldoende op te laden of een AC-PW10AM-netspanningsadapter (los verkrijgbaar) te gebruiken. Uw instellingen wijzigen 127NL Op de standaardinstellingen terugstellen U kunt de belangrijkste instellingen van de camera terugstellen. MENU-knop t 3 t [Terugstellen] t [OK] De volgende items kunnen worden teruggezet. Onderdelen Terugstellen op Belichtingscompensatie (85) ±0.0 Opname-informatie (35) Grafische weergave Weergavescherm (104) Enkelbeeldweergavescherm (met opname-informatie) Transportfunctie (99) Enkelbeeldopname Flitsfunctie (80) Invulflits (verschilt naargelang de ingebouwde flitser open is of niet) Autom. scherpst. (72) AF-A AF-gebied (73) Breed ISO (94) AUTO Lichtmeetfunctie (88) Meervelds Flitscompens. (86) ±0.0 Witbalans (95) AWB (automatische witbalans) Kleurtemperatuur/Kleurfilter (96) 5500K, Kleurfilter 0 Eigen witbalans (97) 5500K DRO/Auto HDR (89) DRO Automatisch Instellingen (92) Standaard Menu Opname Onderdelen Terugstellen op Beeldgrootte (118) L:14M Beeldverhoud. (118) 3:2 Kwaliteit (119) Fijn Flitsregeling (87) ADI-flits AF-hulplicht (82) Automatisch SteadyShot (45) Aan Kleurenruimte (93) sRGB NR lang-belicht (122) Aan 128 NL Onderdelen Terugstellen op NR bij hoge-ISO (122) Normaal Menu Eigen Instellingen Onderdelen Terugstellen op Eye-Start AF (70) Aan AEL-knop (123) AEL-vergrendel Rode-ogen-verm. (82) Uit Autom.weergave (125) 2 sec. Autom.uitsch. (126) Aan Stramienlijn (126) Aan Menu Weergave Onderdelen Terugstellen op Printen opgeven – Datum afdruk. (143) Uit Diavoorstelling – Interval (107) 3 sec. Diavoorstelling – Herhalen (107) Uit Beeldrotatie (104) Autom.roteren Onderdelen Terugstellen op LCD-helderheid (125) ±0 Stroombesp. (LV) (124) 20 sec. Stroombesp.(OVF) (124) 10 sec. CTRL.VOOR HDMI (117) Aan Help-scherm (124) Aan Bestandsnummer (120) Serie Mapnaam (120) Standaardform. USB-verbinding (131, 144) Massaopslag Audiosignalen (124) Aan Uw instellingen wijzigen Menu Instellingen 129NL Beelden bekijken op uw computer Met uw computer In dit deel wordt beschreven hoe u beelden op een geheugenkaart kunt kopiëren naar een computer die is aangesloten met een USB-kabel. Aanbevolen computeromgeving Een computer die op de camera wordt aangesloten dient aan de volgende vereisten te voldoen om beelden te importeren. x Windows Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*1 SP3/ Windows Vista*2 SP2/Windows 7 • De juiste werking kan niet worden gegarandeerd in een computeromgeving die is opgewaardeerd tot een van de bovenstaande besturingssystemen of in een computeromgeving met meerdere besturingssystemen (multi-boot). *1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund. *2 Starterseditie wordt niet ondersteund. USB-aansluiting: Standaard geleverd x Macintosh Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Mac OS X (v10.4, 10.5, 10.6) USB-aansluiting: Standaard geleverd Opmerkingen over het aansluiten van uw camera op een computer • Een behoorlijke werking kanniet worden gegarandeerd voor alle bovenstaande aanbevolen computeromgevingen. • Als u twee of meer USB-apparaten tegelijkertijd op een computer aansluit, is het mogelijk dat sommige apparaten, waaronder ook uw camera, niet zullen werken afhankelijk van het type USB-apparaat dat is aangesloten. • Bij gebruik van een USB-hub of een verlengkabel kan er geen juiste werking worden gegarandeerd. • Deze camera is compatibel met Hi-Speed USB (USB 2.0-compatibel), zodat wanneer u uw camera aansluit op een computer via een USB-interface die ook compatibel is met Hi-Speed USB (USB 2.0-compatibel), u gebruik kunt maken van geavanceerde gegevensoverdracht (snelle overdracht). • Wanneer de computer ontwaakt uit de waak- of slaapstand, is het mogelijk dat de communicatie tussen uw camera en uw computer zich niet op hetzelfde moment herstelt. 130 NL Fase 1: De camera en de computer op elkaar aansluiten 1 Plaats een geheugenkaart met de opgenomen beelden in de camera. 2 Selecteer met de geheugenkaartschakelaar het type geheugenkaart waarvan u beelden wilt kopiëren. 3 Plaats een voldoende opgeladen accu in de camera of sluit de camera aan op een stopcontact met behulp van de netspanningsadapter (los verkrijgbaar). • Als u beelden naar de computer kopieert terwijl de accu onvoldoende is opgeladen, kan het kopiëren mislukken of kunnen de beeldgegevens beschadigd raken wanneer de accu voortijdig leeg raakt. 4 Schakel de camera en de computer in. 5 Controleer of [USB-verbinding] in 2 is ingesteld op [Massaopslag]. 1 Naar de USB-aansluiting op elkaar aan. De wizard Automatische weergave wordt op het bureaublad weergegeven. USB-kabel 2 Naar de USB-aansluiting Beelden bekijken op uw computer 6 Sluit de camera en de computer 131NL Fase 2: Beelden kopiëren naar een computer Voor Windows Dit gedeelte beschrijft een voorbeeld van het kopiëren van beelden naar de map "Documenten" (voor Windows XP: "Mijn documenten"). Wanneer u de bijgeleverde "PMB"-software gebruikt, kunt u gemakkelijk beelden kopiëren (blz. 137). 1 Klik op [Map openen en bestanden weergeven] (voor Windows XP: [Map openen en bestanden weergeven] t [OK]) als het wizardscherm automatisch verschijnt op het bureaublad. • Als het wizardscherm niet verschijnt, klikt u op [Computer] (voor Windows XP: [Deze computer]) t [Verwisselbare schijf]. 2 Dubbelklik op [DCIM]. 3 Dubbelklik op de map waarin de beeldbestanden die u wilt kopiëren, zijn opgeslagen. Geef daarna het menu weer door met de rechtermuisknop op een beeldbestand te klikken en klik op [Kopiëren]. • Zie bladzijde 135 voor verdere informatie over de opslagbestemming van de beeldbestanden. 132 NL 4 Dubbelklik op de map [Documenten]. Klik daarna met de rechtermuisknop op het venster "Documenten" om het menu weer te geven en klik op [Plakken]. Voor Macintosh 1 Dubbelklik op het nieuw herkende pictogram t [DCIM] t de map waarin de beelden die u wilt kopiëren, zijn opgeslagen. 2 Sleep de beeldbestanden naar het pictogram van de vaste schijf. De beeldbestanden worden naar de vaste schijf gekopieerd. Beelden bekijken op uw computer De beeldbestanden worden gekopieerd naar de map "Documenten". • Als in de bestemmingsmap al een beeld met dezelfde bestandsnaam zit, wordt een bevestigingsmelding voor het overschrijven afgebeeld. Wanneer u het bestaande beeld overschrijft met een nieuw beeld, wordt het oorspronkelijke bestand gewist. Als u het beeldbestand naar de computer wilt kopiëren zonder een bestaand, gelijknamig beeldbestand te overschrijven, verandert u eerst de bestandsnaam in een andere naam en kopieert u daarna het beeldbestand. Als u de bestandsnaam echter verandert, zal dat beeld mogelijk niet meer kunnen worden weergeven met de camera (blz. 135). 133NL Beelden bekijken op uw computer Voor Windows 1 Klik op [start] t [Documenten] (Voor Windows XP: [Mijn documenten]). • Wanneer u RAW-beelden wilt bekijken, hebt u de bijgeleverde software "Image Data Converter SR" nodig (blz. 140). 2 Dubbelklik op het gewenste beeldbestand. Het beeld wordt weergegeven. Voor Macintosh Dubbelklik op het pictogram van de vaste schijf t het gewenste beeldbestand om het te openen. De USB-verbinding verwijderen Voer vooraf elke procedure voor Windows of Macintosh die hieronder wordt vermeld, uit wanneer u: • De USB-kabel loskoppelt. • De geheugenkaart verwijdert. • De camera uitschakelt. x Voor Windows Dubbelklik op in de taakbalk en klik vervolgens op (USB-apparaat voor massaopslag) t [Stoppen]. Controleer of het juiste apparaat wordt aangegeven in het bevestigingsvenster en klik op [OK]. Het apparaat wordt ontkoppeld. x Voor Macintosh Sleep het pictogram van de schijf of van de geheugenkaart naar het pictogram "Prullenbak". De camera is losgekoppeld van de computer. 134 NL Opslagbestemmingen beeldbestanden en bestandsnamen De beeldbestanden die met de camera zijn opgenomen, worden gegroepeerd in mappen op de geheugenkaart. Voorbeeld: mappen weergeven in Windows Vista Beelden die op een computer zijn opgeslagen, kopiëren naar een geheugenkaart en de beelden weergeven Dit gedeelte beschrijft als voorbeeld de bediening op een Windowscomputer. Als de bestandsnaam niet is veranderd, kunt u stap 1 overslaan. Wanneer u de bijgeleverde "PMB"-software gebruikt, kunt u gemakkelijk beelden kopiëren (blz. 137). Beelden bekijken op uw computer AMappen met beeldgegevens die met deze camera zijn opgenomen. (De eerste drie cijfers staan voor het mapnummer.) BU kunt een map maken in het datumformaat (blz. 120). • U kunt geen beelden opnemen/weergeven in de map "MISC". • De naam van beeldbestanden is als volgt opgebouwd. ssss (bestandsnummer) staat voor elk willekeurig nummer binnen het bereik van 0001 tot 9999. Het numerieke deel van de naam van een bestand met RAWgegevens en het bijbehorende JPEG-bestand zijn hetzelfde. – JPEG-bestanden: DSC0ssss.JPG – JPEG-bestanden (Adobe RGB): _DSCssss.JPG – RAW-gegevensbestanden (anders dan Adobe RGB): DSC0ssss.ARW – RAW-gegevensbestanden (Adobe RGB): _DSCssss.ARW • Het is mogelijk dat de extensie niet wordt afgebeeld, afhankelijk van de computer. 135NL 1 Klik met de rechtermuisknop op het beeldbestand en klik daarna op [Naam wijzigen]. Verander de bestandsnaam in "DSC0ssss". • Geef een nummer op van 0001 tot 9999 voor ssss. • Als de bevestigingsmelding voor overschrijven wordt afgebeeld, moet u een ander nummer invoeren. • De bestandsextensie kan worden afgebeeld, afhankelijk van de instelling van de computer. De extensie van beelden is JPG. U mag de bestandsextensie niet veranderen. 2 Kopieer het beeldbestand naar de map op de geheugenkaart volgens de onderstaande procedure. 1 Klik met de rechtermuisknop op het beeldbestand en klik daarna op [Kopiëren]. 2 Dubbelklik op [Verwisselbare schijf] in [Computer] (voor Windows XP: [Deze computer]). 3 Klik met de rechtermuisknop op de map [sssMSDCF] in de map [DCIM] en klik dan op [Plakken]. • sss staat voor elk willekeurig nummer tussen 100 en 999. Opmerkingen • Afhankelijk van het beeldformaat kan het onmogelijk zijn bepaalde beelden weer te geven. • Wanneer een beeldbestand is bewerkt door een computer of wanneer het beeldbestand werd opgenomen op een ander model dan dat van uw camera, kan het weergeven van het beeldbestand op uw camera niet gegarandeerd worden. • Als er geen map is, maakt u eerst een nieuwe map aan met uw camera (blz. 121) en kopieert u daarna het beeldbestand. 136 NL De software gebruiken Om beelden te gebruiken die met de camera zijn opgenomen, is de volgende software voorzien: • Sony Image Data Suite "Image Data Converter SR" "Image Data Lightbox SR" • Sony Picture Utility "PMB" (Picture Motion Browser) Opmerking • "PMB" is niet compatibel met Macintosh-computers. Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "PMB" Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*1 SP3/ Windows Vista*2 SP2/Windows 7*2 *1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund. Windows Image Mastering API (IMAPI) Ver. 2.0 of hoger is vereist als u een disk wilt aanmaken. U kunt alleen het IMAPI-installatieprogramma downloaden, als u een internetverbinding hebt. *2 Starterseditie wordt niet ondersteund. CPU/geheugen: Pentium III 500 MHz of sneller, 256 MB RAM of meer (aanbevolen: Pentium III 800 MHz of sneller en 512 MB RAM of meer) Vaste schijf: vrije schijfruimte benodigd voor installatie—500 MB of meer Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer Beelden bekijken op uw computer Aanbevolen computeromgeving x Windows Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "Image Data Converter SR Ver.3"/"Image Data Lightbox SR" Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Microsoft Windows XP*1 SP3/ Windows Vista*2 SP2/Windows 7*2 *1 64-bits edities en startersedities worden niet ondersteund. *2 Starterseditie wordt niet ondersteund. CPU/geheugen: Pentium 4 of sneller wordt aanbevolen, RAM 1 GB of meer wordt aanbevolen. Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer 137NL x Macintosh Aanbevolen omgeving voor het gebruik van "Image Data Converter SR Ver.3"/"Image Data Lightbox SR" Besturingssysteem (voorgeïnstalleerd): Mac OS X (v10.4, 10.5) CPU: Power PC G4/G5-serie (1,0 GHz of sneller aanbevolen)/Intel Core Solo/Core Duo/Core 2 Duo of sneller Geheugen: 1 GB of meer wordt aanbevolen. Computerscherm: 1024 × 768 pixels of meer De software installeren x Windows • Meld aan als beheerder. 1 Schakel de computer in en plaats de cd-rom (bijgeleverd) in het cdrom-station. Het scherm met het installatiemenu wordt weergegeven. • Als het niet verschijnt, dubbelklikt u op [Computer] (Voor Windows XP: [Deze computer]) t (SONYPICTUTIL) t [Install.exe]. • Onder Windows Vista is het mogelijk dat het AutoPlay-scherm verschijnt. Selecteer "Install.exe uitvoeren" en volg de instructies die op het scherm verschijnen om door te gaan met de installatie. 2 Klik op [Installeren]. • Controleer of zowel "Sony Image Data Suite" en "Sony Picture Utility" zijn aangevinkt en volg de instructies op het scherm. 138 NL 3 Verwijder de cd-rom nadat de installatie is voltooid. De volgende software is geïnstalleerd en er verschijnen pictogrammen op het bureaublad. • Sony Image Data Suite "Image Data Converter SR" "Image Data Lightbox SR" • Sony Picture Utility "PMB" "Gids voor PMB" x Macintosh • Meld aan als beheerder. 1 Schakel uw Macintosh -computer in en plaats de cd-rom (bijgeleverd) in het cd-rom-station. 2 Dubbelklik op het pictogram van de cd-rom. 3 Kopieer het bestand [IDS_INST.pkg] in de map [MAC] naar het pictogram van de vaste schijf. kopieerbestemmingsmap. • Volg de aanwijzingen op het scherm om het installeren te voltooien. Opmerking • Wanneer het bericht ter bevestiging voor opnieuw opstarten verschijnt, start u de computer opnieuw op aan de hand van de aanwijzingen op het scherm. Beelden bekijken op uw computer 4 Dubbelklik op het bestand [IDS_INST.pkg] in de 139NL "Image Data Converter SR" gebruiken Opmerking • Als u een beeld opslaat als RAW-gegevens, wordt het beeld opgeslagen in het ARW2.1-formaat. Met "Image Data Converter SR" kunt u: • Beelden, opgenomen in het RAW-formaat, bewerken door verschillende correcties toe te passen, zoals tooncurve en beeldscherpte. • Beelden aanpassen met witbalans, belichting en instellingen enzovoort. • De weergegeven beelden opslaan en op een computer bewerken. U kunt het beeld opslaan als RAW-bestand of in de algemene bestandsindeling. • Meer informatie over "Image Data Converter SR" vindt u in de Help. Klik om de Help te starten op [start] t [Alle programma's] t [Sony Image Data Suite] t [Help] t [Image Data Converter SR Ver.3]. De informatie over ondersteuning voor de "Sony Image Data Suite" (alleen in het Engels): http://www.sony.co.jp/ids-se/ "Image Data Lightbox SR" gebruiken Met "Image Data Lightbox SR" kunt u: • RAW/JPEG-beelden die met deze camera zijn opgenomen, weergeven en vergelijken. • De beelden een beoordeling geven op een schaal van 5. • Instellen van kleurlabels enzovoort. • Geef een beeld weer met "Image Data Converter SR" en breng aanpassingen in het beeld aan. • Meer informatie over "Image Data Lightbox SR" vindt u in de Help. Klik voor het opstarten van de Help vanuit het menu start op [start] t [Alle programma's] t [Sony Image Data Suite] t [Help] t [Image Data Lightbox SR]. 140 NL "PMB" gebruiken Opmerking • "PMB" is niet compatibel met Macintosh-computers. Met "PMB" kunt u: • Beelden importeren die met de camera zijn opgenomen en ze op de computer weergeven. • De beelden op de computer op een kalender ordenen op opnamedatum voor weergave. • Beelden bewerken (rode-ogenvermindering, enz.), afdrukken en als emailbijlage versturen, de opnamedatum veranderen en nog veel meer. • Druk stilstaande beelden af met de datum of sla ze met datum op. • U kunt een gegevensschijf maken met een cd- of dvd-brander. • Meer informatie over "PMB", vindt u in de "Gids voor PMB". De informatie over ondersteuning voor de "PMB" (alleen in het Engels): http://www.sony.co.jp/pmb-se/ Opmerking • Het bevestigingsbericht van het informatiehulpprogramma verschijnt op het bericht wanneer u "PMB" voor de eerste keer opstart. Selecteer [start]. Deze functie brengt u op de hoogte van de laatste nieuwtjes, zoals software-updates. U kunt de instelling op een later tijdstip wijzigen. Beelden bekijken op uw computer Om "Gids voor PMB" te starten, dubbelklikt u tweemaal op de snelkoppeling van (Gids voor PMB) op het bureaublad. Als u opstart vanuit het menu Start, klikt u op [start] t [Alle programma's] t [Sony Picture Utility] t [Help] t [Gids voor PMB]. 141NL Beelden afdrukken DPOF opgeven Met behulp van de camera kunt u aangeven welke beelden u in welke aantallen wilt afdrukken, voordat u de beelden afdrukt in een winkel of op uw printer. Volg de onderstaande procedure. De beelden blijven nadat u ze hebt afgedrukt als DPOF gemarkeerd. We raden u aan om ze na het afdrukken op te heffen. DPOF opgeven/opheffen op geselecteerde beelden 1 MENU-knop t 1 t [Printen opgeven] t [DPOF instellen] t [Gemark.beelden] t [OK] 2 Selecteer op de controller een beeld met b/B. 3 Selecteer met het midden van de controller het aantal pagina's. • Stel het aantal in op "0" in om de DPOF-markering op te heffen. 4 Druk op de MENU-knop. 5 Selecteer [OK] met v op de controller, en druk vervolgens op het midden van de controller. Opmerkingen • U kunt geen DPOF-markering instellen op RAW-gegevensbestanden. • U kunt ieder aantal tot maximaal 9 opgeven. 142 NL Beelden van een datum voorzien U kunt beelden van een datum voorzien als u ze afdrukt. De positie van de datum (binnen of buiten het beeld, tekengrootte, enz.) is afhankelijk van uw printer. MENU-knop t t [Aan] 1 t [Printen opgeven] t [Datum afdruk.] Opmerking • Het is van uw printer afhankelijk of deze functie beschikbaar is. Beelden afdrukken 143NL Beelden afdrukken door de camera aan te sluiten op een printer die compatibel is met PictBridge Zelfs als u geen computer hebt, kunt u de beelden die u hebt opgenomen met uw camera afdrukken door de camera rechtstreeks aan te sluiten op een PictBridge-compatibele printer. "PictBridge" is op de CIPA-standaard gebaseerd. (CIPA: Camera & Imaging Products Association) Opmerking • U kunt geen RAW-beelden afdrukken. Fase 1: de camera aansluiten op de printer Opmerking • Wij adviseren u de netspanningsadapter (los verkrijgbaar) te gebruiken om te voorkomen dat tijdens het afdrukken de accu leeg raakt. 1 MENU-knop t 2 t [USB-verbinding] t [PTP] 2 Zet de camera uit en selecteer met de geheugenkaartschakelaar het type geheugenkaart waarvan u beelden wilt afdrukken. 144 NL 3 Sluit de camera aan op de printer. 1 Naar de USBaansluiting USB-kabel 2 Naar de USB-aansluiting 4 Schakel de camera en de printer in. Het scherm wordt weergegeven waarin u de beelden kunt selecteren die u wilt afdrukken. Fase 2: afdrukken 1 Selecteer met de b/B op de controller de beelden die u wilt afdrukken, en druk dan op het midden van de controller. • Om te annuleren, drukt u opnieuw op het midden. 2 Selecteer [OK] in het menu en druk vervolgens op het midden Het beeld wordt afgedrukt. • Druk op het midden van de controller nadat op het scherm is aangegeven dat de afdruk klaar is. 3 Herhaal stap 1 en 2 als u andere beelden wilt afdrukken. Beelden afdrukken van de controller. Het afdrukken annuleren Als u tijdens het afdrukken op het midden van de controller drukt, wordt het afdrukken geannuleerd. Koppel de USB-kabel los of schakel de camera uit. Als u weer wilt afdrukken, volgt u bovenstaande procedure (Fasen 1 en 2). 145NL Overige Technische gegevens Ong. 1 tot 5 m [Handmatige scherpstellingscontrole Live View] Camera Beeldformaat Beeldsensor voor het maken van opnamen [Systeem] Type camera Digitale spiegelreflexcamera met ingebouwde flitser en verwisselbare lenzen Lens AF-hulplicht Alle α-lenzen Kaderbereik 100% [Zoeker] Type Reflexzoeker met pentaDach-spiegel [Beeldsensor] Kaderbereik 95% Beeldformaat 23,4×15,6 mm (APS-Cformaat) CMOSbeeldsensor Vergroting 0,83 × met 50 mm lens op oneindig, –1 m–1 (dioptrie) Totaal aantal pixels van beeldsensor Ong. 14 600 000 pixels Oogafstand Ongeveer 16,5 mm vanaf de oogschelp, 10,9 mm vanaf het oogschelpframe bij –1 m–1 Effectief aantal pixels van de camera Ong. 14 200 000 pixels Dioptrie-instelling –2,5 tot +1,0 m–1 [SteadyShot] [Belichtingsregeling] Systeem Lichtmeetcel Beeldsensorverschuivingsmechanisme [Stofpreventie] Systeem Antistatische laag op laagdoorlaatfilter en beeldsensorverschuivingsmechanisme [Automatischescherpstellingssysteem] Systeem Waarnemingssysteem voor TTL-fase, CCDlijnsensoren (9 punten, 8 lijnen met middenkruisdraadsensor) Gevoeligheidsbereik 0 tot 18 EV (bij ISO 100conversie) 146 NL SPC Lichtmeetmethode 40 velden in honingraatmotief Lichtmeetbereik 1 tot 20 EV (3 tot 20 EV met Spot-meting), (bij ISO 100-conversie met F1,4lens) ISO-gevoeligheid (aanbevolen belichtingsindex) AUTO, ISO 200 tot 12800 Belichtingscorrectie ±2,0 EV (1/3 EV stap) [Sluiter] Type [Overige] Elektronisch gestuurd, verticale beweging, spleettype Sluitertijdbereik 1/4000 seconde tot 30 seconden, tijd, (1/3 EV stap) Flitssynchronisatiesnelheid 1/160 seconde PictBridge Compatibel Exif Print Afmetingen Ong. 137 × 104 × 81 mm (B/H/D, exclusief uitstekende delen) Gewicht [Ingebouwde flitser] Richtgetal van de flitser GN12 (in meters bij ISO 100-conversie) Heroplaadtijd Ong. 4 seconden Flitsbereik Dekking 18 mm lens (brandpuntsafstand die de lens aangeeft) Flitscompensatie ±2,0 EV (1/3 EV stap) [Opnamemedium] "Memory Stick PRO Duo", "Memory Stick PRO-HG Duo", SD-geheugenkaart, SDHC-geheugenkaart [LCD-monitor] LCD-scherm 6,7 cm (type 2,7) TFTaansturing [Ingangs-/uitgangsaansluitingen] USB miniB HDMI HDMI type C mini-stekker Ong. 520 g (zonder batterijen, geheugenkaart en body-accessoires) Bedrijfstemperatuur 0 tot 40°C Bestandsindeling Overeenkomstig JPEG (DCF Ver. 2.0, Exif Ver. 2.21, MPF Baseline), geschikt voor DPOF USB-communicatie Hi-Speed USB (USB 2.0compatibel) BC-VM10 Acculader Ingangsspanning 100 V - 240 V wisselstroom, 50/60 Hz, 9W Uitgangsspanning 8,4 V gelijkstroom, 0,75 A Bedrijfstemperatuur 0 tot 40°C Opslagtemperatuur –20 tot +60°C Maximale afmetingen Ong. 70 × 25 × 95 mm (B/H/D) Gewicht Overige Totaal aantal pixels 230 400 (960 × 240) pixels Compatibel PRINT Image Matching III Compatibel Ong. 90 g [Stroomvoorziening, algemeen] Lege accu Oplaadbare accu NPFM500H 147NL Oplaadbare accu NP-FM500H Gebruikte batterij Lithium-ionbatterij Maximale spanning 8,4 V gelijkstroom Nominale spanning 7,2 V gelijkstroom Maximale laadstroom 2,0 A Maximale laadspanning 8,4 V gelijkstroom Capaciteit Standaard 11,8 Wh (1 650 mAh) Minimum 11,5 Wh (1 600 mAh) Maximale afmetingen Ong. 38,2 × 20,5 × 55,6 mm (B/H/D) Gewicht Ong. 78 g Wijzigingen in ontwerp en technische gegevens zijn voorbehouden zonder voorafgaande kennisgeving. Over de brandpuntsafstand De beeldhoek van deze camera is kleiner dan die van een camera voor 35mm-film. U krijgt (bij benadering) een vergelijkbare brandpuntsafstand van een camera met 35mm-film, en neemt onder dezelfde beeldhoek op, door de brandpuntsafstand van uw lens met de helft te verhogen. Wanneer u bijvoorbeeld een 50mmlens gebruikt, krijgt u bij benadering hetzelfde resultaat als met een 75mmlens op een camera met 35mm-film. 148 NL Opmerkingen over de compatibiliteit van beeldgegevens • Deze camera voldoet aan de universele DCF (Design rule for Camera File system)-norm zoals vastgesteld door JEITA (Japan Electronics and Information Technology Industries Association). • Er worden geen garanties gegeven dat beelden, welke met deze camera zijn opgenomen, kunnen worden weergegeven op andere apparatuur, of dat beelden die met andere apparatuur zijn opgenomen of bewerkt, kunnen worden weergegeven op deze camera. Handelsmerken • is een handelsmerk van Sony Corporation. • "Memory Stick", , "Memory Stick PRO", , "Memory Stick Duo", , "Memory Stick PRO Duo", , "Memory Stick PRO-HG Duo", , "Memory Stick Micro", "MagicGate" en zijn handelsmerken van Sony Corporation. • "InfoLITHIUM" is een handelsmerk van Sony Corporation. • "PhotoTV HD" is een handelsmerk van Sony Corporation. • Microsoft, Windows, en Windows Vista zijn gedeponeerde handelsmerken of handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. Overige • HDMI, het HDMI-logo en HighDefinition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC. • Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Apple Inc. • PowerPC is een gedeponeerd handelsmerk van IBM Corporation in de Verenigde Staten. • Het logo SDHC is een handelsmerk. • MultiMediaCard is een handelsmerk van MultiMediaCard Association. • Intel, Intel Core, MMX, en Pentium zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Intel Corporation. • Adobe is een gedeponeerd handelsmerk of een handelsmerk van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of andere landen. • Alle andere in deze gebruiksaanwijzing vermelde systeem- en productnamen zijn doorgaans handelsmerken of wettig gedeponeerde handelsmerken van de betreffende ontwikkelaars of fabrikanten. In deze gebruiksaanwijzing zijn de aanduidingen ™ en ® echter in alle voorkomende gevallen weggelaten. 149NL Problemen oplossen Indien u problemen ondervindt met de camera, probeer dan de volgende oplossingen. Controleer de punten op blz. 150 t/m 158. Neem contact op met uw Sony-dealer of de plaatselijke technische dienst van Sony. 1 Controleer de volgende items. 2 Verwijder de accu en plaats deze weer na circa één minuut, en schakel de camera in. 3 Zet de instellingen terug (blz. 128). 4 Neem contact op met uw Sony-dealer of de plaatselijke technische dienst van Sony. Accu en spanning De accu kan niet worden geplaatst. • Gebruik bij het plaatsen van de accu de punt van de accu om de vergrendelingshendel te verschuiven (blz. 13). • Controleer het modelnummer van de accu (blz. 10, 14). De indicator resterend accuvermogen is onjuist of voldoende resterend accuvermogen wordt aangegeven, maar de accu raakt te snel leeg. • Dit doet zich voor wanneer u de camera op een zeer warme of koude plaats gebruikt (blz. 162). • De accu is leeg. Plaats een opgeladen accu (blz. 11). • De accu is niet meer bruikbaar (blz. 15). Vervang de accu door een nieuwe. De camera kan niet worden ingeschakeld. • Plaats de accu correct (blz. 13). • De accu is leeg. Plaats een opgeladen accu (blz. 11). • De accu is niet meer bruikbaar (blz. 15). Vervang de accu door een nieuwe. 150 NL De camera schakelt plotseling uit. • Als de camera gedurende een bepaalde tijdsduur niet wordt bediend, wordt de camera in de spaarstand gezet en nagenoeg uitgeschakeld. Om de spaarstand te annuleren, bedient u de camera, bijvoorbeeld door de ontspanknop tot halverwege in te drukken (blz. 124). Het CHARGE-lampje knippert tijdens het opladen van de accu. • Verwijder de accu en plaats deze correct in de acculader. • Laad de accu op onder een temperatuur tussen de 10 en 30°C. Beelden opnemen Nadat de camera is ingeschakeld, wordt niets afgebeeld op de LCD-monitor. • Als de camera gedurende een bepaalde tijdsduur niet wordt bediend, wordt de camera in de spaarstand gezet en nagenoeg uitgeschakeld. Om de spaarstand te annuleren, bedient u de camera, bijvoorbeeld door de ontspanknop tot halverwege in te drukken (blz. 124). Het beeld is niet scherp in de zoeker. • Stel de dioptrie goed in met behulp van het dioptrie-instelwiel (blz. 23). De sluiter wordt niet ontspannen. Overige • U gebruikt een geheugenkaart met een schrijfbeveiligingsschakelaar die is ingesteld in de LOCK-stand. Zet de schrijfbeveiligingsschakelaar in de stand voor opnemen. • De schakelaar van de geheugenkaart staat in de verkeerde positie. Zet deze in de juiste positie (blz. 18). • Controleer de resterende opslagcapaciteit van de geheugenkaart (blz. 25). • U kunt tijdens het opladen van de ingebouwde flitser geen beelden opnemen (blz. 80). • De sluiter kan niet worden ontspannen als het onderwerp niet is scherpgesteld. • De lens zit niet goed vast. Zet de lens goed vast (blz. 16). • Zet de belichtingsfunctie op M als er een astronomische telescoop, enz. op de camera is aangesloten, en neem de opname. 151NL • Voor het onderwerp is mogelijk speciale scherpstelling vereist (blz. 69). Gebruik de scherpstelvergrendeling of de handmatige scherpstellingsfunctie (blz.71, 74). Het opnemen duurt erg lang. • De ruisonderdrukkingsfunctie wordt ingeschakeld (blz. 122). Dit is normaal. • De opnamestand is ingesteld op het RAW-formaat (blz. 119). Omdat een RAW-gegevensbestand groot is, kost opnemen in de RAW-modus meer tijd. • De Auto HDR is bezig met de verwerking van een beeld (blz. 89). Het beeld is onscherp. • Het onderwerp bevindt zich te dichtbij. Controleer de minimale brandpuntsafstand van de lens. • U bent opnamen aan het maken in de handmatige scherpstelfunctie, zet de opnamefunctieschakelaar op AF (automatische scherpstelling) (blz. 68). • Wanneer de Schakelaar scherpstellingsfunctie op de lens aanwezig is, stelt u deze in op AF. • Er is onvoldoende omgevingslicht. Eye-Start AF werkt niet. • Stel [Eye-Start AF] in op [Aan] (blz. 70). • Druk de ontspanknop tot halverwege in. De flitser werkt niet. • De flitserfunctie is ingesteld op [Autom.flitsen]. Als u er zeker van wilt zijn dat de flitser altijd afgaat, stelt u de flitserfunctie in op [Invulflits] (blz. 80). Het duurt te lang voordat de flitser opnieuw is opgeladen. • De flitser is binnen een korte tijd meerdere keren afgegaan. Als de flitser meerdere keren achter elkaar is afgegaan, kan het opladen langer duren dan gebruikelijk om oververhitting van de camera te voorkomen. Een foto die met de flitser is gemaakt, is te donker. • Als het onderwerp zich buiten het flitserbereik (de afstand die door het flitslicht kan worden bereikt) bevindt, zullen de beelden donker zijn omdat het flitslicht het onderwerp niet bereikt. Als de ISO-gevoeligheid wordt veranderd, verandert tevens het flitserbereik (blz. 82). 152 NL De datum en tijd worden onjuist opgenomen. • Stel de datum en tijd in (blz. 21). De diafragmawaarde en/of de sluitertijd knipperen wanneer u de ontspanknop half indrukt. • Aangezien het onderwerp te helder of te donker is, liggen deze waarden buiten het beschikbare instelbereik van de camera. Maak de instellingen opnieuw. Het beeld is wittig (Schittering). Er verschijnt een lichtwaas op het beeld (Schaduwbeeld). • De foto werd genomen onder een sterke lichtbron waarbij buitensporig veel licht op de lens is gevallen. Bevestig een zonnekap (los verkrijgbaar). De hoeken van de foto zijn te donker. • Als een filter of lenskap wordt gebruikt, haalt u deze eraf en maakt u de opname opnieuw. Afhankelijk van de dikte van het filter en een onjuiste bevestiging van de lenskap, kan het filter of de lenskap gedeeltelijk zichtbaar zijn in het beeld. De optische eigenschappen van bepaalde lenzen kunnen ertoe leiden dat de rand van het beeld te donker lijkt (onvoldoende licht). De ogen van het onderwerp zijn rood. • Schakel de functie rode-ogen-effectvermindering in (blz. 82). • Ga dicht bij het onderwerp staan en neem het binnen het flitserbereik op met de flitser (blz. 82). Punten verschijnen en blijven op de LCD-monitor. Het beeld is wazig. • De foto werd opgenomen op een donkere locatie zonder gebruik te maken van de flitser, waardoor camerabewegingen werden gemaakt. Het gebruik van een statief of de flitser wordt aanbevolen (blz. 46, 80). Overige • Dit is normaal. Deze punten worden niet opgenomen (blz. 5). De EV-schaalverdeling b B knippert op de LCD-monitor of in de zoeker. • Het onderwerp is te helder of te donker voor het lichtmeetbereik van de camera. 153NL Beelden weergeven De camera kan geen beelden weergeven. • De map-/bestandsnaam is veranderd op de computer (blz. 135). • Wanneer een beeldbestand is bewerkt door een computer of wanneer het beeldbestand werd opgenomen op een ander model dan dat van uw camera, kan het weergeven van het beeldbestand op uw camera niet gegarandeerd worden. • De camera staat in de USB-functie. Verwijder de USB-verbinding (blz. 134). Beelden wissen/bewerken De camera kan geen beeld wissen. • Annuleer de beveiliging (blz. 112). U hebt per ongeluk een beeld gewist. • Als u eenmaal een beeld hebt gewist, kunt u dit niet herstellen. We raden u aan om de beelden te beveiligen die u niet wilt wissen (blz. 112). U kunt geen DPOF-markering instellen. • U kunt geen DPOF-markeringen instellen op RAW-beelden. Computers U weet niet of het besturingssysteem van uw computer compatibel is met de camera. • Controleer "Aanbevolen computeromgeving" (blz. 130, 137). Uw computer herkent uw camera niet. • Controleer of de camera aan staat. • Als de accu bijna leeg is, plaatst u een opgeladen accu (blz. 11) of sluit u de netspanningsadapter (los verkrijgbaar) aan. • Gebruik de USB-kabel (bijgeleverd) (blz. 131). • Koppel de USB-kabel los en sluit deze daarna weer stevig aan. • Stel [USB-verbinding] in op [Massaopslag] (blz. 131). • Koppel alle apparatuur los van de USB-aansluitingen van uw computer, behalve de camera, het toetsenbord en de muis. 154 NL • Sluit de camera rechtstreeks aan op de computer en niet via een USB-hub of ander apparaat (blz. 130). U kunt geen beelden kopiëren. • Breng de USB-verbinding tot stand door de camera op de juiste wijze aan te sluiten op de computer (blz. 131). • Volg de betreffende kopieerprocedure voor uw besturingssysteem (blz. 132). • Het kan voorkomen dat u de beeldbestanden van een geheugenkaart die op een computer is geformatteerd, niet naar een computer kunt kopiëren. Maak een opname met een geheugenkaart die op uw camera is geformatteerd (blz. 121). Het beeld kan niet worden weergegeven op een computer. • Als u "PMB" gebruikt, raadpleeg dan de "Gids voor PMB". • Raadpleeg de fabrikant van de computer of de software. Nadat u een USB-verbinding hebt gemaakt, wordt "PMB" niet automatisch gestart. • Breng de USB-verbinding tot stand nadat de computer is opgestart (blz. 131). Geheugenkaart Kan geen geheugenkaart plaatsen. • De richting waarin de geheugenkaart is geplaatst, is verkeerd. Plaats het in de juiste richting (blz. 18). Kan niet opnemen op een geheugenkaart. Overige • De geheugenkaart is vol. Wis overbodige beelden (blz. 113). • Er is een onbruikbare geheugenkaart geplaatst (blz. 19). U hebt per ongeluk een geheugenkaart geformatteerd. • Alle gegevens op de geheugenkaart zijn gewist door het formatteren. U kunt deze niet meer herstellen. 155NL "De "Memory Stick PRO Duo" wordt niet herkend door een computer met een "Memory Stick"-sleuf. • Sluit de camera op uw computer aan als de "Memory Stick PRO Duo" niet door de "Memory Stick"-sleuf van uw computer wordt ondersteund (blz. 131). De computer herkent de "Memory Stick PRO Duo". Afdrukken Zie ook "PictBridge-compatibele printer" (direct hieronder) samen met de volgende punten. De kleuren van het beeld zijn vreemd. • Bij het afdrukken van beelden die opgenomen zijn in de Adobe RGBmodus op een printer met sRGB-ondersteuning, die niet compatibel is met Adobe RGB (DCF2.0/Exif2.21), worden de beelden op een lager intensiteitsniveau afgedrukt (blz. 93). Bij de afdruk van de beelden worden beide randen afgesneden. • Afhankelijk van uw printer, kunnen de randen links, rechts, boven of onder van het beeld worden afgesneden. Vooral wanneer u een beeld afdrukt dat is opgenomen met de beeldverhouding [16:9], kan het zijn dat de zijkanten van het beeld worden afgesneden. • Wanneer u beelden afdrukt met uw eigen printer, moet u de instellingen voor bijsnijden of randloos annuleren. Vraag de fabrikant van de printer of de printer deze functies heeft. • Wanneer u beelden laat afdrukken bij een digitale afdrukservice, vraag hen dan of ze de beelden kunnen afdrukken zonder beide randen af te snijden. Kan de beelden niet afdrukken met de datum. • Met "PMB", kunt u beelden afdrukken met een datum (blz. 141). • Deze camera heeft geen functie voor het plaatsen van datums op beelden. Omdat de beelden die met de camera zijn opgenomen, informatie over de opnamedatum bevatten, kunt u beelden afdrukken met de datum op het beeld als de printer of de software Exif-informatie kan herkennen. Raadpleeg de fabrikant van de printer of de software voor meer informatie over de compatibiliteit met Exif-informatie. • Wanneer u beelden laat afdrukken in een winkel, kunnen de beelden op aanvraag ook worden afgedrukt met de datum. 156 NL PictBridge-compatibele printer Raadpleeg voor meer informatie de bij de printer geleverde gebruiksaanwijzing of de printerfabrikant. Het is niet mogelijk een verbinding tot stand te brengen. • De camera kan niet rechtstreeks op een printer worden aangesloten die niet compatibel is met de PictBridge-standaard. Vraag de fabrikant van de printer of uw printer compatibel is met PictBridge. • Stel [USB-verbinding] in op [PTP] (blz. 144). • Koppel de USB-kabel los en sluit deze weer aan. Bij het verschijnen van een foutmelding op de printer, moet u de gebruikshandleiding bijgeleverd bij de printer raadplegen. Kan geen beelden afdrukken. • Controleer of de camera en de printer op de juiste wijze met behulp van de USB-kabel zijn aangesloten. • RAW-beelden kunnen niet worden afgedrukt. • Het is mogelijk dat beelden die zijn opgenomen met een andere camera dan deze, of beelden die op een computer zijn bewerkt, niet kunnen worden afgedrukt. Het beeld kan niet op het ingestelde formaat worden afgedrukt. • Koppel de USB-kabel los en sluit deze telkens opnieuw aan wanneer het papierformaat is veranderd nadat de printer op de camera is aangesloten. De camera kan niet worden bediend nadat het afdrukken is geannuleerd. • Wacht enige tijd terwijl de printer het annuleren uitvoert. Dit kan, afhankelijk van de printer, enige tijd duren. Overige Overige De lens raakt beslagen. • Er is condensvorming opgetreden. Schakel de camera uit en laat deze gedurende ongeveer een uur liggen voordat u deze weer gebruikt (blz. 162). 157NL De mededeling "Datum en tijd instellen?" wordt afgebeeld wanneer u de camera inschakelt. • De camera is met een zwakke of zonder accu een tijdlang niet gebruikt. Laad de accu op en stel de datum opnieuw in (bladzijde 21, 163). Als de datuminstelling telkens wordt teruggesteld wanneer de accu wordt opgeladen, moet u contact opnemen met uw Sony-handelaar of plaatselijk, erkend Sony-servicecentrum. Het aantal opneembare beelden neemt niet af of neemt met twee tegelijk af. • Dit komt doordat de compressieverhouding en de beeldgrootte na compressie veranderen afhankelijk van het beeld als u een JPEG-beeld opneemt (blz. 119). De instelling wordt teruggesteld zonder dat de terugstelbediening wordt uitgevoerd. • De accu werd verwijderd terwijl de stroomschakelaar was ingesteld op ON. Wanneer u de accu verwijdert, zorgt u ervoor dat de camera is uitgeschakeld en controleert u of het toegangslampje niet brandt (bladzijde 13, 31). De camera werk niet goed. • Schakel de camera uit. Haal de accu uit de camera en plaats hem weer terug. Als er een netspanningsadapter (los verkrijgbaar) wordt gebruikt, koppelt u het netsnoer los. Als de camera heet is, laat u deze afkoelen voordat u deze corrigerende handeling uitvoert. Neem contact op met uw Sony-handelaar of plaatselijk, erkende Sony-servicecentrum als de camera niet werkt na deze oplossingen te hebben uitgevoerd. De vijf staafjes van de SteadyShot-schaalverdeling knipperen. • De SteadyShot-functie werkt niet. U kunt doorgaan met opnemen, maar de SteadyShot-functie zal niet werken. Schakel de camera uit en weer in. Als de SteadyShot-schaalverdeling blijft knipperen, neemt u contact op met uw Sony-handelaar of plaatselijk, erkend Sony-servicecentrum. "--E-" wordt op het scherm weergegeven. • Verwijder de geheugenkaart en plaats deze terug. Als de indicatie niet verdwijnt na deze procedure, moet u de geheugenkaart formatteren. 158 NL Waarschuwingsmededelingen Als een van de volgende berichten verschijnt, voert u de onderstaande instructies uit. Accu is ongeschikt. Gebruik het juiste type. • U gebruikt een incompatibele accu (blz. 14). Datum en tijd instellen? • Stel de datum en tijd in. Laad de interne oplaadbare accu op, als u de camera lange tijd niet hebt gebruikt (blz. 21, 163). Onvoldoende acculading. • U hebt geprobeerd [Reinigen] uit te voeren terwijl er onvoldoende lading in de accu zat. Laad de accu op of gebruik de netspanningsadapter (los verkrijgbaar). • De geheugenkaart is geformatteerd op een computer en de bestandsindeling is gewijzigd. Selecteer [OK] en formatteer de geheugenkaart. U kunt de geheugenkaart daarna opnieuw gebruiken, maar alle eerder opgenomen gegevens op de Kaartfout • Er is een incompatibele geheugenkaart geplaatst of het formatteren is mislukt. Plaats “Memory Stick” opnieuw. Plaats SD-geheugenkaart opnieuw. • De geplaatste geheugenkaart kan niet worden gebruikt in uw camera. • De geheugenkaart is beschadigd. • Het contactgedeelte van de geheugenkaart is vuil. SD-geheugenkaart vergrendeld. • U gebruikt een geheugenkaart met een schrijfbeveiligingsschakelaar die is ingesteld in de LOCK-stand. Zet de schrijfbeveiligingsschakelaar in de stand voor opnemen. Deze “Memory Stick” word niet ondersteund. Gebruik een ondersteunde "Memory Stick". Overige Kan “Memory Stick” niet gebruiken. Formatteren? Kan SD-geheugenkaart niet gebruiken. Formatteren? geheugenkaart worden gewist. Het kan enige tijd duren voordat het formatteren klaar is. Als de mededeling nog steeds wordt afgebeeld, moet u de geheugenkaart vervangen. • Gebruik een "Memory Stick" die op deze camera beschikbaar is (blz. 19). 159NL Op deze “Memory Stick” kunt u mogelijk niet normaal opnemen of afspelen. • U kunt deze kaart beter niet gebruiken omdat deze niet geschikt is voor de “Memory Stick”-standaard. Vraag de fabrikant van de kaart om advies. Geen “Memory Stick” geplaatst. Sluiter vergrd. Geen SD-geheugenkaart geplaatst. Sluiter vergrd. • Er is geen geheugenkaart geplaatst. Plaats een geheugenkaart. Bezig... • Wanneer ruisonderdrukking van lange belichting wordt uitgevoerd gedurende dezelfde tijdsduur dat de sluiter geopend was. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u niet verdergaan met opnemen. Beeldweergave onmogelijk. • Het is mogelijk dat beelden die zijn opgenomen met een andere camera of beelden die zijn gewijzigd op een computer, niet kunnen worden weergegeven. Er is geen lens bevestigd. De sluiter is vergrendeld. • De lens is niet goed of niet bevestigd. 160 NL • Als u de camera op een sterrentelescoop of iets dergelijks bevestigt, stelt u deze in op M. Geen beelden • Er staat geen beeld op de geheugenkaart. Beeld is beveiligd • U hebt geprobeerd beveiligde beelden te wissen. Afdrukken onmogelijk. • U hebt geprobeerd RAWbeelden te markeren met een DPOF-markering. Bezig initialiseren USBverbinding. • Een USB-verbinding is tot stand gebracht. Koppel de USB-kabel niet los. Controleer het aangesloten apparaat. • Er kan geen PictBridgeverbinding worden gemaakt. Koppel de USB-kabel los en sluit deze daarna weer aan. Camera te warm. Laat camera afkoelen. • De camera is heet geworden omdat u continu aan het opnemen bent geweest. Schakel de camera uit. Laat de camera afkoelen en wacht totdat de camera weer klaar is om op te nemen. Afdrukken geannulleerd. • De temperatuur van de camera loopt op in de stand voor de handmatige scherpstellingscontrole Live View. Als u van plan bent de camera te blijven gebruiken, kunt u dat pas doen wanneer de temperatuur is gedaald. Camerafout Systeemfout. • Schakel de camera uit, haal de accu eruit en plaats de accu weer terug in de camera. Als deze mededeling vaak verschijnt, neemt u contact op met uw Sony-handelaar of een plaatselijk, erkend Sonyservicecentrum. • De afdrukopdracht werd geannuleerd. Koppel de USBkabel los of schakel de camera uit. Ongeldige bediening • U hebt geprobeerd RAWbeelden te markeren op het PictBridge-scherm. Printerfout • Controleer de printer. • Controleer of het beeld dat u wilt afdrukken beschadigd is. Printer bezet • Controleer de printer. Beeldvergroting onmogelijk. Beeldrotatie onmogelijk. • Beelden die met andere camera's zijn opgenomen, zullen mogelijk niet kunnen worden vergroot of geroteerd. Geen beelden veranderd Overige • U hebt geprobeerd DPOF op te geven zonder beelden aan te duiden. Kan geen mappen meer maken • De map met een naam dit begint met "999" bestaat op de geheugenkaart. Als dat het geval is, kunt u geen mappen maken. 161NL Voorzorgsmaatregelen achterlensdop ALC-R55 aan te schaffen. Bewaar/gebruik de camera niet op de volgende plaatsen Bedrijfstemperatuur • Op een buitengewoon hete, droge of vochtige plaats Op plaatsen zoals een in de zon geparkeerde auto, kan de camerabehuizing door de hitte vervormen, waardoor een storing kan optreden. • In direct zonlicht of nabij een verwarmingsbron De camerabehuizing kan verkleuren of vervormen, waardoor een storing kan optreden. • Op plaatsen onderhevig aan trillingen • In de buurt van een sterk magnetisch veld • Op zanderige of stoffige plaatsen Wees voorzichtig dat geen zand of stof in de camera kan binnendringen. Hierdoor kan in de camera een storing optreden en in bepaalde gevallen kan deze storing niet worden verholpen. De camera opbergen Zorg ervoor dat de lensdop of lensvattingdop bevestigd is als u de camera niet gebruikt. Wanneer u de lensvattingdop bevestigt, verwijdert u al het stof van de dop voordat u deze op de camera bevestigt. Wanneer u de lens DT 18 – 55 mm F3.5 – 5.6 SAM aanschaft, dient u ook de 162 NL Deze camera is ontworpen voor gebruik bij een temperatuur tussen 0 en 40°C. Het maken van opnamen op extreem koude of warme plaatsen met temperaturen die buiten het bovenstaande bereik vallen, is niet aan te bevelen. Condensvorming Als de camera rechtstreeks vanuit een koude naar een warme omgeving wordt overgebracht, kan vocht condenseren binnenin of op de buitenkant van de camera. Deze vochtcondensatie kan een storing in de camera veroorzaken. Hoe condensvorming te voorkomen Wanneer u de camera vanuit een koude naar een warme omgeving overbrengt, verpakt u de camera in een goed gesloten plastic zak en laat u deze gedurende ongeveer een uur wennen aan de nieuwe omgevingsomstandigheden. Wanneer er condensvorming optreedt Schakel de camera uit en wacht ongeveer een uur om het vocht te laten verdampen. Als u probeert om opnamen te maken terwijl er nog vocht in de lens aanwezig is, zullen de opgenomen beelden niet helder zijn. Interne oplaadbare batterij Deze camera is uitgerust met een interne, oplaadbare batterij om de datum en tijd alsmede andere instellingen bij te houden, ongeacht of de camera is ingeschakeld of niet. Deze interne batterij wordt tijdens het gebruik van de camera voortdurend opgeladen. Als u de camera echter alleen korte perioden gebruikt, loopt de batterij geleidelijk leeg, en als u de camera ongeveer 3 maanden in het geheel niet gebruikt, loopt de batterij helemaal leeg. In dat geval moet u de oplaadbare batterij opladen voordat u de camera gaat gebruiken. Zelfs als u de oplaadbare batterij niet oplaadt, kunt u de camera toch gebruiken zolang u de datum en tijd niet opneemt. Als de camera de instellingen iedere keer dat u de interne oplaadbare batterij oplaadt, opnieuw instelt op de standaardinstellingen, is de interne oplaadbare batterij misschien niet meer bruikbaar. Neem contact op met uw Sony-dealer of de plaatselijke technische dienst van Sony. • Maak een proefopname om te controleren of de camera juist werkt voordat u eenmalige gebeurtenissen opneemt. • Deze camera is noch tegen stof, noch tegen opspattend water bestendig, en is niet waterdicht. • Kijk niet in de zon of een sterke lichtbron door een verwijderde lens of de zoeker. Dit kan leiden tot onherstelbare beschadiging van uw ogen. Of het kan een storing van de camera veroorzaken. • Gebruik de camera niet in de buurt van een plaats waar sterke radiogolven worden gegenereerd of straling wordt uitgestraald. Het is mogelijk dat de camera dan niet goed kan opnemen of weergeven. • Als u de camera in zanderige of stoffige plaatsen gebruikt, kunnen storingen optreden. • Als er condens op de camera is gevormd, moet u deze verwijderen voordat u de camera gebruikt (blz. 162). • Niet met de camera schudden of er tegenaan stoten. Dit kan niet alleen leiden tot storingen en de onmogelijkheid om beelden op te nemen, maar kan ook de geheugenkaart onbruikbaar maken en beeldgegevens vervormen, beschadigen of verloren doen gaan. • Maak het venster van de flitser schoon voordat u deze gebruikt. De hitte die vrijkomt bij het afgaan van de flitser kan eventueel vuil op het venster van de flitser doen Overige Oplaadprocedure voor de interne, oplaadbare batterij Plaats een opgeladen accu in de camera of sluit de camera aan op een stopcontact met behulp van de netspanningsadapter (los verkrijgbaar) en laat de camera 24 uur of langer uitgeschakeld liggen. Opmerkingen over opnemen/ weergeven 163NL verbranden of vastbakken waardoor onvoldoende licht het onderwerp bereikt. • Houd de camera, bijgeleverde accessoires, enz. buiten het bereik van kinderen. Ze kunnen een geheugenkaart enzovoort inslikken. Als dit probleem zich voordoet, moet u onmiddellijk een arts raadplegen. 164 NL Index Index A Aantal opneembare beelden ......................................... 25, 26 Accu ..................................... 11, 13 Accu opladen ............................. 11 Adobe RGB................................ 93 AEL-knop ................................ 123 AE-vergrendeling....................... 84 Afdrukken ........................ 142, 144 AF-gebied .................................. 73 AF-hulplicht............................... 82 Afstandsbediening ................... 103 Audiosignalen .......................... 124 Auto HDR .................................. 90 Autom. scherpst. ........................ 72 Autom. uitsch........................... 126 Autom.weergave ...................... 125 Automatisch flitsen .................... 80 Automatisch programma............ 57 Automatisch scherpstellen ......... 68 Belichtingscorrectie ................... 85 Belichtingsfunctie ...................... 56 Bestandsnummer ...................... 120 Beveiligen ................................ 112 Bracket ..................................... 101 Brandpuntsafstand.................... 148 BULB-opname ........................... 66 C Camerabeweging verminderen ............................................... 44 Centrumgericht........................... 88 Compressieverhouding............. 119 Condensvorming ...................... 162 Continu opnemen ....................... 99 Continubracket ......................... 101 Continue AF ............................... 72 Contrast ...................................... 92 Controller ................................... 40 CTRL.VOOR HDMI ............... 117 D Beelden bekijken op een tv-scherm ............................................. 115 Beeldgrootte............................. 118 Beeldindex ............................... 106 Beeldkwaliteit .......................... 119 Beeldrotatie .............................. 104 Beeldverhoud. .......................... 118 Belichting................................... 56 Datum afdruk. .......................... 143 Datum/tijd inst............................ 21 DC IN-aansluiting ...................... 33 De klok instellen ........................ 21 Diafragma............................. 56, 58 Diafragmavoorkeur .................... 58 Diavoorstelling......................... 107 Dioptrie-instelling ...................... 22 Index B 165NL DPOF instellen .........................142 Draadloze afstandsbediening ..............................................103 Draadloze flitser .........................83 Dyn.-bereikoptim........................89 Histogram ................................ 111 Hoeveelheid belichting .............. 56 Hoge-snelheidssynchronisatiestand ............................................... 39 I E Een beeld weergeven ................104 Eigen witbalans ..........................97 Eindsynchron. .............................80 Enkelvoudige AF........................72 EV-schaalverdeling ......64, 85, 102 Eye-Start AF ...............................70 Image Data Converter SR ........ 140 Image Data Lightbox SR ......... 140 Instellingen ................................ 92 Invulflits..................................... 80 ISO-gevoeligheid ....................... 94 J JPEG ........................................ 119 F Flits-bracketopname .................101 Flitscompensatie .........................86 Flitser uit...............................47, 80 Flitsfunctie ..................................80 Flitsregeling ................................87 Fn-knop.......................................40 Formatteren...............................121 G Geheugenkaartschakelaar ...........18 H Handmatige belichting................63 Handmatige scherpstelling .........74 Handmatige scherpstelling Live View .......................................74 Handmatige verschuiving ...........65 Help-scherm .............................124 166 NL K Kleurenruimte ............................ 93 Kleurfilter .................................. 96 Kleurtemperatuur ....................... 96 Kwaliteit .................................. 119 L Landschap .................................. 51 Langz.flitssync........................... 80 LCD-helderheid ....................... 125 LCD-monitor ............... 34, 78, 109 Lens............................................ 16 Lichtmeetfunctie ........................ 88 Lichtmeting met 40 velden in honingraatmotief.................. 146 M Macro ......................................... 52 Map kiezen............................... 121 Mapnaam ................................. 120 Meervelds................................... 88 "Memory Stick Duo" ................. 18 "Memory Stick PRO Duo"......... 18 Menu .......................................... 42 N Nachtportret ............................... 55 Nieuwe map ............................. 121 NR bij hoge-ISO ...................... 122 NR lang-belicht........................ 122 Scherpstellen .............................. 68 Scherpstellingsindicator ............. 69 Scherpstelvergrendeling............. 71 Scherpte...................................... 92 Schouderriem ............................. 23 SD-geheugenkaart ...................... 18 Sluitertijd.............................. 56, 60 Sluitertijdvoorkeur ..................... 60 Sportactie ................................... 53 Spot ............................................ 88 SteadyShot-functie ..................... 45 Stofpreventiefunctie ................... 28 Stroombesp............................... 124 O Omgevingslicht ........................ 102 Oogschelp .................................. 24 Opnemen .................................... 47 P PictBridge ................................ 144 PMB ......................................... 141 Portret......................................... 50 T Taal........................................... 124 Technische gegevens................ 146 Terugstellen.............................. 128 Tot halverwege indrukken ......... 48 Transportfunctie ......................... 99 U USB-verbinding ....................... 131 R S Scènekeuzefunctie ..................... 49 Scherpstelfunctie........................ 72 V Velddiepte .................................. 56 Vergroot beeld.......................... 105 Versie ....................................... 127 Verzadiging ................................ 92 Vooringestelde witbalans........... 95 Index RAW ................................ 119, 140 Reinigen ..................................... 28 Rode-ogen-verm. ....................... 82 Roteren..................................... 105 Ruisonderdrukking................... 122 W Wissen ...................................... 113 167NL Witbalans ....................................95 Witbalansbracket ......................102 Z Zelfontspanner ..........................100 Zoeker...................................22, 39 Zoekerkapje ................................24 Zoekersensors ...........................126 Zonsondergang ...........................54 168 NL
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316
  • Page 317 317
  • Page 318 318
  • Page 319 319
  • Page 320 320
  • Page 321 321
  • Page 322 322
  • Page 323 323
  • Page 324 324
  • Page 325 325
  • Page 326 326
  • Page 327 327
  • Page 328 328
  • Page 329 329
  • Page 330 330
  • Page 331 331
  • Page 332 332
  • Page 333 333
  • Page 334 334
  • Page 335 335
  • Page 336 336

Sony DSLR-A450L de handleiding

Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor

in andere talen