Volvo 2010 Handleiding

Categorie
Telefoons
Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:10:09+01:00; Page 1
henrikrosenqvist
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%%%+9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<iZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
VOLVO S80
Instructieboekje
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw pas-
sagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 1
henrikrosenqvist
Inhoud
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
00
00 Inleiding
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu...................................... 9
01
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels .................................... 14
Airbagsysteem (SRS)................................ 17
Airbag activeren/deactiveren*................... 20
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ 22
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... 24
WHIPS ...................................................... 25
Activering van de veiligheidssystemen .... 27
Safety mode.............................................. 28
Kinderen en veiligheid............................... 29
02
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad................. 40
Privacy locking*......................................... 46
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*......................................................... 47
Keyless drive*............................................ 49
Vergrendelen/ontgrendelen...................... 52
Kinderslot.................................................. 56
Alarm*........................................................ 57
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 2
henrikrosenqvist
Inhoud
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
03
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 62
Instrumenten, schakelaars en bediening -
Executive .................................................. 71
Sleutelstanden.......................................... 72
Stoelen en achterbank.............................. 74
Voorstoelen - Executive............................ 78
Stuurwiel................................................... 80
Verlichting................................................. 81
Wissers en -sproeiers............................... 90
Ruiten en spiegels..................................... 92
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.............. 96
Motor starten............................................ 98
Motor starten, FlexiFuel.......................... 100
Motor starten, hulpaccu.......................... 102
Versnellingsbakken................................. 103
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 107
Bedrijfsrem.............................................. 108
Parkeerrem.............................................. 110
HomeLink
EU*....................................... 113
04
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties.................... 118
Klimaatregeling....................................... 123
Motor- en interieurverwarming op brand-
stof*......................................................... 131
Extra verwarming op brandstof*............. 134
Audiosysteem......................................... 135
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* ..................... 147
Boordcomputer....................................... 152
Kompas*................................................. 154
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC....................................................... 155
Rijeigenschappen aanpassen................. 157
ACC gedeactiveerd*............................... 158
Adaptieve cruisecontrol*......................... 160
Afstandscontrole..................................... 167
Botswaarschuwing met automatische
rem*......................................................... 170
Driver Alert System – DAC*..................... 176
Driver Alert System (LDW)*..................... 179
Park Assist*............................................. 182
BLIS*, Blind Spot Information System.... 185
Interieurcomfort...................................... 189
Interieurcomfort – Executive................... 193
Bluetooth handsfree*.............................. 194
04
Geïntegreerde telefoon*.......................... 199
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 3
henrikrosenqvist
Inhoud
4
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen.............................................. 206
Tanken.................................................... 208
Brandstof................................................ 209
Lading vervoeren.................................... 213
Kofferbak ............................................... 214
Gevarendriehoek*................................... 216
Rijden met een aanhanger...................... 217
Slepen en bergen.................................... 222
06
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte............................................ 226
Gloeilampen............................................ 232
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof. 239
Accu........................................................ 241
Zekeringen.............................................. 244
Wielen en banden................................... 253
Verzorging............................................... 269
Type-aanduidingen................................. 274
Specificaties............................................ 276
Typegoedkeuring.................................... 289
07
07 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 290
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 4
henrikrosenqvist
Inhoud
5
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 5
henrikrosenqvist
Inleiding
Belangrijke informatie
6
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u opti-
maal gebruik kunt maken van alle mogelijkhe-
den die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrus-
ting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvul-
ling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabrieks-
wege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over wat tot de
standaarduitrusting behoort en wat tot de
opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale wet-
en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gel-
den, maar soms alleen voor bepaalde uitvoe-
ringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelij-
ken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop mel-
dingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructie-
boekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audio-
instellingen
).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 6
henrikrosenqvist
Inleiding
Belangrijke informatie
7
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031596
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschu-
wingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Gevaar voor materiële schade.
G031597
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
G031600
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 7
henrikrosenqvist
Inleiding
Belangrijke informatie
8
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbe-
horende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeel-
dingen de onderlinge volgorde niet rele-
vant is, worden de instructies voorafge-
gaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
Koelvloeistof
Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de vol-
gende pagina.
Vastlegging van gegevens
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de vei-
ligheidsgordel door de bestuurder en de pas-
sagier(s), gegevens over de werking van ver-
schillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gas-
klep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dit met inbe-
grip van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toe-
stemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitle-
zen en gebruiken.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt gela-
den. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u acces-
soires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informa-
tie over uw auto.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 8
henrikrosenqvist
Inleiding
Volvo en het milieu
9
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
G000000
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangege-
ven die de auto gedurende zijn hele levenscy-
clus op het milieu heeft.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
meen een geringere uitstoot van het broeikas-
gas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uit-
laatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaat-
gasemissies ver onder de geldende normen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 9
henrikrosenqvist
Inleiding
Volvo en het milieu
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pol-
len niet via de luchtinlaatopening in de passa-
giersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnen-
komt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sen-
sor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de lucht-
inlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voor-
doen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxi-
den, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 100
1
– een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledings-
varianten zijn chroomvrij gelooid met plantaar-
dige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaar-
den scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outil-
lage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereed-
schap om optimale zorg voor het milieu te kun-
nen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina’s 267, 206 voor
meer tips om het milieu te ontzien en zuinig te
rijden):
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 267).
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstof-
verbruik en de uitstoot af.
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Rem af op de motor.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
1
Meer informatie staat op www.oekotex.com
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 10
henrikrosenqvist
Inleiding
Volvo en het milieu
11
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere lucht-
weerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstof-
verbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt min-
der van de hulpbronnen op aarde.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 11
henrikrosenqvist
G020871
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Veiligheidsgordels .................................................................................. 14
Airbagsysteem (SRS).............................................................................. 17
Airbag activeren/deactiveren*................................................................. 20
SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... 22
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................. 24
WHIPS .................................................................................................... 25
Activering van de veiligheidssystemen .................................................. 27
Safety mode............................................................................................ 28
Kinderen en veiligheid............................................................................. 29
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 12
henrikrosenqvist
01
VEILIGHEID
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 13
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
G020995
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheids-
gordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheids-
gordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat de
veiligheidsgordel vastzit.
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen*.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet lan-
ger slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de veiligheidsgordel zit-
ten en dat hij nergens achter blijft steken
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals op de voorgaande afbeel-
ding.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krach-
ten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigen-
schappen hebben verloren, zelfs als de vei-
ligheidsgordel ogenschijnlijk niet bescha-
digd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedge-
keurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 14
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
``
15
Veiligheidsgordel en zwangerschap
G020998
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de boven-
benen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veilig-
heidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kun-
nen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
G017726
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssig-
nalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafond-
console en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waar-
schuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. De mel-
ding wordt na ca. 30 seconden automa-
tisch gewist, maar kan ook handmatig
worden bevestigd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Waarschuwen dat iemand op de achter-
bank de veiligheidsgordel heeft losgeno-
men. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in com-
binatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omge-
daan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te druk-
ken.
De melding op het informatiedisplay, die aan-
geeft welke veiligheidsgordels er gebruikt wor-
den, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 15
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
16
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gor-
delspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheids-
gordel rond het lichaam spant. De veiligheids-
gordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 16
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
``
17
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
o
0
1
G021010
Het airbagsysteem wordt continu gecontro-
leerd door de regelmodule. Het waarschu-
wingssymbool op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel in
stand II of III zet. Het symbool dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen sto-
ringen vertoont.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het air-
bagsysteem blijft branden of tijdens het rij-
den korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-sys-
teem of op een andere storing in het SRS-
systeem. Neem zo spoedig mogelijk con-
tact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Behalve het brandende waarschuwingssym-
bool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en ver-
schijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed
op het display. Neem
zo spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Overzicht airbagsysteem
G018665
SRS-systeem, auto met het stuur links.
G018666
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sen-
soren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air-
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 17
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
18
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale ver-
loop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het airbagsysteem kunnen sto-
ringen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedra-
gen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongeluk-
ken slechts één (of geen enkele) van de
airbags wordt opgeblazen. Het airbagsys-
teem registreert de botskracht waaraan de
auto blootstaat en stemt de activering van
een of meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
G021013
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
G021014
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Airbag aan de bestuurderszijde
G021011
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag (SRS -
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 18
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
19
Supplemental Restraint System) in het stuur-
wiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag aan de passagierszijde
G021837
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rug-
leuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de pas-
sagiersairbag is aangebracht.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de passagiersairbag geactiveerd
is
1
.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaats-
nemen, als de passagiersairbag geacti-
veerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor het kind.
Airbagsticker
G032244
Airbagsticker op de portierstijl.
1
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag, zie pagina 20
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 19
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
20
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeac-
tiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Acti-
veren/deactiveren voor informatie over active-
ring/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Air-
bag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS”). Controleer of de schakelaar in de
gewenste stand staat. Volvo adviseert u het
sleutelblad van de transpondersleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad (zie
pagina 44).
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor de inzittenden.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een passagiers-
airbag maar geen PACOS (Passenger Air-
bag Cut Off Switch, schakelaar voor deac-
tivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel, als het brandende symbool
op de plafondconsole aangeeft dat de pas-
sagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvol-
gen van deze aanbeveling kan levensge-
vaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumen-
tenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 21) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een erkende Volvo-werk-
plaats.
Activeren/deactiveren
G019030
Locatie van de schakelaar voor activering/deacti-
vering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schake-
laar in deze stand kunnen passagiers gro-
ter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de scha-
kelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 20
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de air-
bag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
Berichten
2
2
G017724
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
G017800
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is
Een waarschuwingssymbool op de plafondpa-
neel op de plafondconsole geeft aan of de
passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 17).
Daarna gaat op de plafondconsole de indi-
cator branden die de status van de passa-
giersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende contactstanden van
de transpondersleutel (zie pagina 72).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 21
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
22
SIPS-airbag
G020694
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de car-
rosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde bescher-
men de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdon-
derdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleu-
ningframes van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uit-
gevoerd. Ingrepen in het SIPS-systeem
kunnen storingen in de werking veroor-
zaken en leiden tot ernstig letsel.
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-air-
bag ligt.
Gebruik alleen door Volvo goedge-
keurde stoelhoezen. Andere stoelhoe-
zen kunnen de SIPS-airbags in hun
werking hinderen.
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geac-
tiveerde
1
airbag.
Positie
G024377
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
G024378
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
1
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (zie pagina 20).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 22
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
23
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee van-
gen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
Sticker
G032254
SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 23
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
01
24
Eigenschappen
G020665
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Infla-
table Curtain) vormen een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een vol-
doende krachtige aanrijding reageren de sen-
soren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwer-
pen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zij-
panelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgor-
dijn dat schuilgaat achter de plafondbekle-
ding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 24
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
WHIPS
01
``
25
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
G021018
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rug-
leuningen en speciaal voor het systeem ont-
wikkelde hoofdsteunen voor de beide voor-
stoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whi-
plash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel moge-
lijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van ach-
teren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren bij een erkende Volvo-werk-
plaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPS-
systeem verloren zijn gegaan, ook al ziet de
stoel er onbeschadigd uit. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 25
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
WHIPS
01
26
Zorg dat u de werking van het WHIPS-
systeem niet nadelig beïnvloedt
G021842
Voorwerpen achter de bestuurders-/passagiers-
stoel.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
G018567
Voorwerpen op de achterbank.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de ach-
terbank hebt omgeklapt, moet u de voor-
stoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achter-
bank aankomt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 26
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
27
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale bot-
sing en/of aanrijding
in de zij en/of van
achteren.
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale bot-
sing
Airbags (SRS) Bij een frontale bot-
sing.
A
SIPS-airbags Bij een aanrijding in
de zij
A
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij
A
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van
achteren
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschil-
lende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, advi-
seert Volvo u het volgende:
Sleep de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats. Rijd niet met opgeblazen air-
bags.
Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordel-
spanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middencon-
sole doorweekt geraakt is, moet u de accu-
kabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geacti-
veerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kun-
nen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 27
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Safety mode
01
28
Beperkte functionaliteit
G021062
Als de auto betrokken is geweest bij een aan-
rijding, kan de melding
Safety mode Zie
instructieb.
op het informatiedisplay verschij-
nen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veilig-
heidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brand-
stofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding
Safety mode Zie
instructieb.
nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tij-
dens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weerge-
geven nadat de
Safety mode Zie
instructieb.
is gereset, mag u de auto voor-
zichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrij-
den. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats con-
troleren en naar de normale status (Normal
mode) resetten nadat de melding
Safety
mode Zie instructieb.
is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt ter-
wijl de melding
Safety mode wordt weer-
gegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvo-werk-
plaats.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 28
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
29
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie (zie
pagina 31)).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvo-
onderdelen bent u er zeker van dat de beves-
tigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
G020739
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
N.B.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kin-
derveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voor-
stoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen het
dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zon-
der passagiersairbag of auto’s waarvan de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
sagiersstoel, zolang de airbag aan de pas-
sagierszijde gedeactiveerd
1
is;
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de passagiersstoel steunt.
1
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 20).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 29
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
30
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beu-
gels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de boven-
kant tegen de voorruit aankomt.
Sticker airbag
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 30
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
31
Aanbevolen kinderzitjes
2
Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
max. 10 kg (tot 9 maan-
den)
Groep 0+
max. 13 kg
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevesti-
gingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterste-
voren gemonteerd babyzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevesti-
gingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd
met ISOFIX-systeem en bevesti-
gingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Fixway – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-
systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
2
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 31
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
32
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
15–36 kg
(3–12 jaar)
Volvo comfortkussen – met of zon-
der rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd Volvo kinderzitje – ver-
krijgbaar als fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03140
Geïntegreerd kinderzitje*
G021069
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats van de achterbank is spe-
ciaal ontworpen om kinderen optimale
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels is het kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeelding);
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
de stand van de hoofdsteun afgestemd is
op de lengte van het kind.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
G021070
Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 32
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
33
G021071
Haal de klittenband los.
G021072
Klap het bovenste gedeelte weer op.
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te wor-
den uitgevoerd door een erkende Volvo-
werkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kin-
derzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigen-
schappen verloren zijn gegaan. Het geïnte-
greerde kinderzitje moet ook worden ver-
vangen als het erg versleten is.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
G021074
Klap het bovenste gedeelte omlaag.
G021075
Bevestig het stuk klittenband.
G021076
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 33
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
34
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het zit-
gedeelte van de achterbank op.
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïnte-
greerde kinderzitje met de klittenband zijn
vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
Anders kan het bovenste gedeelte in het
ruggedeelte van de achterbank blijven ste-
ken, wanneer u het geïntegreerde kinder-
zitje een volgende keer opnieuw neerklapt.
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie (zie pagina 56).
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
G021064
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeel-
ten (zie voorgaande afbeelding) geven de posi-
tie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiers-
stoel.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/baby-
zitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vast-
zet.
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschil-
lende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de ver-
schillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevesti-
gingssysteem werden daarom afmetingscate-
gorieën ingevoerd om gebruikers te helpen bij
het kiezen van het juiste kinderzitje (zie vol-
gende tabel).
Afme-
tingscate-
gorie
Beschrijving
A Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B Beperkte grootte (optie 1),
achterstevoren gemonteerd
kinderzitje
B1 Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinder-
zitje
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 34
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
35
Afme-
tingscate-
gorie
Beschrijving
C Normale grootte, achterste-
voren gemonteerd kinderzitje
D Beperkte grootte, achterste-
voren gemonteerd kinderzitje
E Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
Afme-
tingscate-
gorie
Beschrijving
F Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetings-
categorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-werkplaats
voor de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo advi-
seert.
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje Gewicht (leeftijd) Afmetingsca-
tegorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel Buitenste zitplaats
achterbank
Babyzitje, overdwars max. 10 kg (tot 9 mnd) F - -
G - -
Babyzitje, achterstevoren max. 10 kg (tot 9 mnd) E OK OK
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 35
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
36
Type kinderzitje Gewicht (leeftijd) Afmetingsca-
tegorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel Buitenste zitplaats
achterbank
Babyzitje, achterstevoren max. 13 kg (tot 12 mnd) E OK OK
D OK OK
C - OK
Veiligheidszitje, achterste-
voren
9–18 kg (9–36 mnd) D OK OK
C - OK
Veiligheidszitje, achterste-
voren
9–18 kg (9–36 mnd) B
OK
A
OK
A
B1
OK
A
OK
A
A
OK
A
OK
A
A
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 36
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
37
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
G021068
De auto is uitgerust met bovenste bevesti-
gingspunten voor kinderzitjes. Deze bevesti-
gingspunten zitten in de hoedenplank en zijn
afgedekt met kunststof dekplaatjes. Klap de
kunststof dekplaatjes opzij om bij de bevesti-
gingspunten te komen.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide bui-
tenste zitplaatsen van de achterbank gaat
monteren makkelijker, als u de hoofdsteunen
omklapt.
De bovenste bevestigingspunten zijn voorna-
melijk bestemd om een in de rijrichting gemon-
teerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo
adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in
achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te
vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
Haal de bevestigingsband van een kinder-
zitje altijd onder de hoofdsteun van de ach-
terbank door, voordat u de gordel in de
sluiting aanbrengt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 37
henrikrosenqvist
38
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... 40
Privacy locking*....................................................................................... 46
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... 47
Keyless drive*.......................................................................................... 49
Vergrendelen/ontgrendelen..................................................................... 52
Kinderslot................................................................................................ 56
Alarm*...................................................................................................... 57
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 38
henrikrosenqvist
02
SLOTEN EN ALARM
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 39
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
40
Algemene informatie
Bij de auto worden twee transpondersleutels of
twee PCC’s (Personal Car Communicator)
geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten
en deze te vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een trans-
pondersleutel in standaarduitvoering. In het
vervolg van dit hoofdstuk hebben we het over
een transpondersleutel bij de bespreking van
functies die voorkomen op zowel de PCC als
op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak ver-
breekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch ver-
grendelen/ontgrendelen van het bestuurders-
portier, het dashboardkastje en het kofferdek-
sel (Privacy locking).
Voor de functies van het sleutelblad (zie
pagina 44).
Voor Privacy locking (zie pagina 46).
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een erkende Volvo-
werkplaats. Neem de resterende transpon-
dersleutels mee naar de werkplaats. Ter voor-
koming van diefstal moet de code van de
zoekgeraakte transpondersleutel uit het sys-
teem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogram-
meerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 118).
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekop-
peld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is (zie pagina 75 en
94).
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menu-
systeem (zie pagina 118).
Voor auto’s met Keyless drive-functie (zie
pagina 49).
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de rich-
tingaanwijzers een bepaalde aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is:
Vergrendelen - lichten eenmaal op
Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergren-
deld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 118).
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 40
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
``
41
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het infor-
matiedisplay van het instrumentenpaneel hou-
den verband met de elektronische startblok-
kering:
Melding Betekenis
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing bij het uitle-
zen van de trans-
pondersleutel tij-
dens het starten.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Autosleutel niet
gevonden
Geldt alleen voor de
functie Keyless drive
van de PCC. Fout bij
het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Startblokkering
Start opnieuw
Functiestoring van
de transpondersleu-
tel tijdens het star-
ten. Neem contact
op met een erkende
Volvo-werkplaats,
als de storing aan-
houdt.
Voor het starten van de auto (zie pagina 98).
Uitgeputte batterij in transpondersleutel
Vervang de batterijen, als:
het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel
op het display ver-
en/of
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpon-
dersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Voor het vervangen van de batterij (zie
pagina 47).
Functies
G021078
Transpondersleutel.
Vergrendelen
Approach-verlichting
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 41
henrikrosenqvist
schijnt.
Ontgrendelen
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
42
Kofferdeksel
Paniekfunctie
G021079
PCC* (Personal Car Communicator)
Informatie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en het kofferdeksel en activeert het alarm.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en het kofferdeksel en deactiveert het alarm.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewij-
zigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurderspor-
tier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
10 seconden) worden de overige portieren ont-
grendeld.
U kunt de functie wijzigen onder Instellingen
van de auto
Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Voor een
beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 118).
verlichting van de auto op afstand in te scha-
kelen. Voor meer informatie (zie pagina 86).
Kofferdeksel – Ontgrendelt alleen het kof-
ferdeksel en deactiveert de alarmfunctie voor
het kofferdeksel. Voor meer informatie (zie
pagina 53).
Paniekfunctie – Bestemd om in noodge-
Als u de rode toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwij-
zers, de interieurverlichting en de claxon geac-
tiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 secon-
den actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden auto-
matisch uitgeschakeld.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) van
de toets of worden alle zijruiten tege-
lijk korte tijd geopend en weer gesloten. Daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook gesloten.
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om bij
warm weer snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topo-
grafische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgren-
delen met het sleutelblad (zie pagina 44).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 42
henrikrosenqvist
Approach-verlichting – Bestemd om de
vallen de aandacht van anderen te trekken.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
43
Specifieke functies, PCC*
G021080
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
±
Druk op de informatietoets
.
Ca. 7 seconden lang lichten de controle-
lampjes op de PCC om de beurt op. Dit
geeft aan dat de informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een van
de andere toetsen drukt, wordt de uitlezing
beëindigd.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informa-
tietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
G030262
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgren-
deld.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HBS
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie ver-
schijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn te
gebruiken binnen een straal van 20 m rond de
auto.
De Approach-verlichting, de paniekfunctie en
de functies die gekoppeld zijn aan de informa-
tietoets, zijn tot op 100 m van de auto te gebrui-
ken.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topogra-
fische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft alleen de PCC die gebruikt werd toen
u de auto de laatste keer vergrendelde/ont-
grendelde de juiste status aan.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 43
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
44
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Heart Beat Sensor
De functie werkt met behulp van een hart-
slagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
HBS registreert de hartslag die zich via de car-
rosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
Afneembaar sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
het bestuurdersportier handmatig te ope-
nen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening;
de toegang tot het dashboardkastje en de
kofferbak (Privacy locking
1
) te blokkeren
(zie pagina 46).
het kofferdeksel handmatig te openen, als
de centrale vergrendeling niet te bedienen
is vanaf de transpondersleutel (zie
pagina 54)
Sleutelblad verwijderen
G021082
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar ach-
teren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadi-
ging te voorkomen.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutel-
blad goed vastzit.
1
Geldt voor bepaalde markten
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 44
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
45
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de trans-
pondersleutel reageert (omdat de batterijen bij-
voorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurders-
portier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhand-
greep.
2. Schakel het alarm uit door de transpon-
dersleutel in het contactslot te steken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 45
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
02
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Privacy locking
G021083
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad (Privacy locking niet geactiveerd).
G021084
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergren-
deld en het kofferdeksel is niet via de centrale
vergrendeling te openen (zodat het niet meer
met de knoppen op de voorportieren of die op
de transpondersleutel te bedienen is). Het kof-
ferdeksel is dan niet meer met de knoppen op
de voorportieren of die op de transpondersleu-
tel te bedienen.
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portie-
ren te openen en in de auto te rijden.
U geeft de transpondersleutel af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
Activeren/deactiveren
G020508
Privacy locking activeren
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen ver-
schijnt een melding op het informatiedis-
play.
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpon-
dersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
Om alleen het dashboardkastje te vergrende-
len (zie pagina 53).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 46
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
Accu vervangen
G021085
G021086
G015518
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening ach-
ter de veerbelaste pal en werk de trans-
pondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnen-
zijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde .
Transpondersleutel
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2.
Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
PCC*
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 47
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpon-
dersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutel-
blad goed vastzit.
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 48
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
Keyless drive (alleen PCC)
Vergrendelings- en startsysteem zonder
sleutel
G020577
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ont-
grendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wan-
neer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bij-
bestellen.
Bereik PCC
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgre-
pen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent
dat u de PCC bij u moet dragen om een portier
te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u
aan de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeeman-
tennes aan.
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 72) of alle portieren worden geslo-
ten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
er is een portier geopend of gesloten;
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
de knop READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergren-
delen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afscher-
mingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de nor-
male manier gebruiken (zie pagina 41).
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
het kofferdeksel met de handgreep op het dek-
sel.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier ontgren-
delen met het sleutelblad. In dat geval wordt de
centrale vergrendeling niet geactiveerd.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 49
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Voor het deactiveren (zie
pagina 57).
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de bui-
tenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzen:
Staand naast het bestuurdersportier of zit-
tend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PPC (zie
pagina 41).
Kies een van de drie mogelijk positiege-
heugens voor de stoel met de stoelknop-
pen 1–3 (zie pagina 75).
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 74 en 94).
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
door op de vergrendelingsknop op een van de
portierhandgrepen aan de buitenkant te druk-
ken.
Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergren-
delen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnel-
lingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan wor-
den.
Instellingen vergrendelen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen kunt u de Keyless-functie aanpassen
door aan te geven welke portieren van de auto
er moeten worden ontgrendeld. Voor een
beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 118).
Locatie antennes
G020479
Het Keyless drive-systeem werkt met een aan-
tal antennes die op verschillende locaties inge-
bouwd zijn in de auto.
Achterbumper, aan de binnenkant, in het
midden
Portierhandgreep, linksachter
Hoedenplank, aan de onderkant, in het
midden
Plafond, boven de achterbank, in het mid-
den
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 50
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen min-
stens 22 cm afstand te houden tot de anten-
nes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 51
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
52
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de ver-
grendelingsknoppen op de portieren en de
openingshandgrepen aan de binnenzijde niet
meer te bedienen: dit is de zogeheten Safe-
lock-functie* (zie pagina 54).
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat (zie pagina 208).
De klep kan niet worden geopend, als u de auto
vergrendeld en het alarm ingeschakeld hebt.
N.B.
Ook als er nog een portier openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen.
1
Wanneer
u het geopende portier vervolgens sluit
wordt ook dit vergrendeld, zodat het gevaar
bestaat dat u zich buitensluit met de trans-
pondersleutel nog in de auto.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buiten-
zijde vergrendelt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het koffer-
deksel binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Voor auto’s met alarmsysteem (zie
pagina 57).
Van de binnenzijde
G019216
Met de bedieningsknoppen op het portierpa-
neel kunt u alle portieren en het kofferdeksel
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de bin-
nenkant worden ontgrendeld:
Druk op de ontgrendelingsknop voor de
portieren.
Bij lang indrukken worden ook al de zijruiten
geopend.
Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los. Wanneer u
nogmaals aan de handgreep trekt wordt
het portier geopend.
Vergrendelen
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op
de vergrendelingsknop voor de portieren. Bij
lang indrukken worden ook de zijruiten en een
schuifdak gesloten.
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig
te vergrendelen met de vergrendelingsknop-
pen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden kunnen de portieren en het
kofferdeksel automatisch worden vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Instellingen
vergrendelen
Portieren autom. op slot.
1
Geldt alleen voor auto’s op bepaalde markten, maar niet voor auto’s met Keyless drive.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 52
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 118).
Dashboardkastje
G020548
Het dashboardkastje valt alleen te vergrende-
len/ontgrendelen met het afneembare sleutel-
blad van de transpondersleutel. (Voor informa-
tie over het sleutelblad (zie pagina 44).)
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking (zie
pagina 46).
Kofferdeksel
G021093
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deacti-
veren* zodat u de achterklep apart kunt ont-
grendelen.
N.B.
Het kofferdeksel wordt echter niet geopend
maar alleen ontgrendeld.
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders als-
mede de sensoren in de opening van het kof-
ferdeksel worden automatisch buiten werking
gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
U kunt het kofferdeksel op twee
verschillende manieren openen:
Eenmaal indrukken – het kofferdeksel wordt
ontgrendeld maar blijft dichtstaan. Druk op de
met rubber beklede drukplaat onder de hand-
greep op het kofferdeksel om het kofferdeksel
te openen.
Als het kofferdeksel niet binnen twee minuten
na ontgrendeling wordt geopend, wordt het
kofferdeksel weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
Tweemaal indrukken – het kofferdeksel wordt
vergrendeld en komt enkele centimeters
omhoog. Door hevige regen, ijzel of sneeuw
komt het kofferdeksel mogelijk niet automa-
tisch omhoog.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 53
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bij het sluiten van de achterklep blijft deze
onvergrendeld staan, totdat u de auto met
de transpondersleutel opnieuw vergren-
deld.
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel (zie pagina 41).
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op
het dashboard knipperen om aan te geven dat
het alarm geactiveerd is.
Van de binnenzijde ontgrendelen
G021099
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
om het kofferdeksel te ontgrendelen.
Ontgrendelen met sleutelblad
G021100G021101
Als de toets op de transpondersleutel waarmee
u het kofferdeksel opent niet werkt, kunt u het
kofferdeksel ontgrendelen met het sleutelblad
Werk de plug los die het sleutelgat afdekt.
Ontgrendel het kofferdeksel door het sleu-
telblad een halve slag linksom te draaien
zoals afgebeeld.
Safelock-functie*
Bij activering van de zogeheten Safelock-func-
tie zijn de portieren niet meer van de binnen-
zijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
Met de transpondersleutel activeert u de Safe-
lock-functie die 10 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpon-
dersleutel te ontgrendelen. Het bestuurders-
portier is ook te ontgrendelen met het afneem-
bare sleutelblad.
Tijdelijk deactiveren
G021360
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 54
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
MENU
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt ver-
grendelen terwijl er iemand in de auto achter-
blijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uit-
schakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gede-
tailleerde beschrijving van het menusys-
teem (zie pagina 118)).
2.
Kies
Verlaagde guard.
3.
Kies Eenmalig inschakelen: Op het dis-
play van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding
Verlaagde guard – Zie
instructieb.
en de Safelock-functie wordt
uitgeschakeld bij vergrendeling van de
auto.
of
Kies
Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding
ENTER
voor verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT voor
annuleren
– kies dan een van de alterna-
tieven:
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto.
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*,
worden ook deze tegelijkertijd uitgeschakeld
(zie pagina 57).
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
het instrumentenpaneel de melding Beveil.
volledig
verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-
functie en de bewegingsmelders en niveau-
sensoren* van het alarmsysteem opnieuw
ingeschakeld.
of
Als u geen wijzigingen in het vergrende-
lingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de bin-
nenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voor-
komt u dat iemand opgesloten raakt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 55
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Kinderslot
02
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Handmatig kinderslot op
achterportieren
G021077
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de por-
tieren openstaan.
±
Gebruik het sleutelblad om de bedienings-
cilinder te verdraaien en zo het kinderslot
in of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
G019300
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen;
zijn de achterportieren niet van de binnen-
zijde te openen.
1. Het kinderslot is te activeren/deactiveren
in sleutelstand I of II (zie pagina 72).
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurderspor-
tier.
> Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 56
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
Algemene informatie
Het alarm gaat af, als:
een portier, de motorkap of het kofferdek-
sel wordt geopend;
een verkeerde sleutel wordt gebruikt of als
het contactslot wordt gemanipuleerd
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewe-
gingsmelder aanwezig is);
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opge-
treden, verschijnt er een melding op het infor-
matiedisplay. Neem dan contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het inte-
rieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieur-
verwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwar-
ming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekerings-
voorwaarden.
Alarmindicatie
G021103
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de trans-
pondersleutel of steek de transpondersleutel in
het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zon-
der het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch het koffer-
deksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automa-
tisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 57
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
onafhankelijk is van de standaardaccu in
de auto.
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleu-
telblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot. Het alarm wordt uitgeschakeld.
De alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel in het contactslot hebt
gestoken.
Beperkt alarmniveau
G021360
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
MENU
EXIT
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wan-
neer u bijvoorbeeld een hond in de auto ach-
terlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt: Dat gaat
als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gede-
tailleerde beschrijving van het menusys-
teem (zie pagina 118)).
2.
Kies
Verlaagde guard.
3.
Kies
Eenmalig inschakelen: Op het dis-
play van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding
Beveil. verlaagd Zie
instructieb.
en de bewegingsmelders en
niveausensoren worden uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
of
Kies
Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding
ENTER
voor verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT is annuleren
kies dan een van de alternatieven:
Als u de bewegingsmelders en niveausen-
soren wilt uitschakelen: Druk op ENTER en
vergrendel de auto.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie*,
wordt ook deze functie uitgeschakeld (zie
pagina 54).
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
het instrumentenpaneel de melding
Beveil.
volledig
verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-
functie en de bewegingsmelders en niveau-
sensoren van het alarmsysteem opnieuw inge-
schakeld.
of
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 58
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
Als de sensoren niet wilt uitschakelen: Ver-
grendel de auto zonder een keuze te
maken. Of druk op EXIT en vergrendel de
auto.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Alarm activeren (zie pagina 57).
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen. Er klinkt een sirene en alle rich-
tingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in portieren testen
1. Alarm activeren (zie pagina 57).
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewe-
gingsmelder (zie pagina 57).
2. Activeer het alarm (zie pagina 57). Blijf in de
auto zitten en vergrendel de portieren met
de toets op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de hand-
greep onder het dashboard. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 59
henrikrosenqvist
G020912
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 62
Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive ............................ 71
Sleutelstanden........................................................................................ 72
Stoelen en achterbank............................................................................ 74
Voorstoelen - Executive.......................................................................... 78
Stuurwiel................................................................................................. 80
Verlichting............................................................................................... 81
Wissers en -sproeiers............................................................................. 90
Ruiten en spiegels................................................................................... 92
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................ 96
Motor starten........................................................................................... 98
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 100
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 102
Versnellingsbakken............................................................................... 103
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 107
Bedrijfsrem............................................................................................ 108
Parkeerrem............................................................................................ 110
HomeLink
EU*..................................................................................... 113
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 60
henrikrosenqvist
03
BESTUURDERSMILIEU
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 61
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
62
Instrumentenoverzicht
G021107
Auto met stuur links.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 62
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
Functie Pagina
Menu- en meldingsfunc-
ties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
81,
84, 120,
152
Cruisecontrol 158, 160
Claxon, airbag 18, 80
Instrumentenpaneel 65, 69
Menu-, audio- en tele-
foonfuncties
118,
135, 194
Contactslot 72
Knop START/STOP 98
Alarmlichten 83
Openingshandgreep por-
tier
-
Bedieningspaneel 52, 56,
92, 94
Menufuncties, klimaatre-
geling en audiosysteem
118,
126, 137
Klimaatregeling, ECC* 126
Functie Pagina
Versnellingspook/keuze-
hendel
103
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
157
Wissers en -sproeiers 90, 91
Stuurwielafstelling 80
Parkeerrem* 110
Ontgrendeling motorkap 226
Stoelinstelling* 74
Bedieningsknoppen ver-
lichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdek-
sel
53, 81,
208
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 63
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
64
876
131415
16
54321
11
10
11
12
10
9
17
18
20
19
G021108
Auto met stuur rechts.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 64
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
Functie Pagina
Alarmlichten 83
Contactslot 72
Knop START/STOP 98
Cruisecontrol 158, 160
Instrumentenpaneel 65, 69
Claxon, airbag 18, 80
Menu-, audio- en tele-
foonfuncties
118,
135, 194
Wissers en -sproeiers 90, 91
Bedieningsknoppen ver-
lichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdek-
sel
53, 81,
208
Openingshandgreep por-
tier
-
Bedieningspaneel 52, 56,
92, 94
Stoelinstelling* 74
Ontgrendeling motorkap 226
Functie Pagina
Parkeerrem 110
Stuurwielafstelling 80
Menu- en meldingsfunc-
ties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
81,
84, 120,
152
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
157
Versnellingspook/keuze-
hendel
103
Klimaatregeling, ECC* 126
Menufuncties, klimaatre-
geling en audiosysteem
118,
126, 137
Informatiedisplays
G021112
Informatiedisplays.
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatie-
displays.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 65
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
66
Meters
G021113
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 152) en tanken (pagina 208).
Toerenteller. De meter geeft het motortoe-
rental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
G018282
Controle- en waarschuwingssymbolen
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
1
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle symbolen moeten weer uit-
gaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
5 seconden alle symbolen uit behalve het sym-
bool voor storingen in het uitlaatgasreinigings-
systeem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Sym-
bool
Betekenis
Richtingaanwijzers aanhanger
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
1
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 227).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 66
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
67
Sym-
bool
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool knippert wanneer u de richting-
aanwijzers gebruikt met een aanhanger achter
de auto. Als het symbool sneller knippert dan
normaal is een van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhangwagen kapot.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssys-
teem kan het lampje gaan branden. Rijd de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvo-werk-
plaats rijden om het systeem te laten con-
troleren.
Mistachterlicht
Dit symbool brandt wanneer u het mistachter-
licht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool con-
tinu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2 °C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brand-
stofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool bran-
den en verschijnt er een melding op het dis-
play. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ (zie pagina 120). De melding
verdwijnt automatisch na enige tijd (afhankelijk
van de defecte functie). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijde-
ren met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Sym-
bool
Betekenis
Lage oliedruk
A
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 67
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
68
Sym-
bool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een display-
melding (zie pagina 226 en 228).
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de par-
keerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het symbool
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
N.B.
Het symbool gaat ook branden als de
mechanische parkeerrem slechts een wei-
nig is aangezet.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of IC-
systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een erkende Volvo-werk-
plaats.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir (zie pagina 230).
Als de waarschuwingssymbolen voor het rem-
systeem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opge-
treden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreser-
voir controleren (zie pagina 230). Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controle-
ren.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werk-
plaats.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 68
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
69
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat bran-
den, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
knop READ (zie pagina 121). Het waarschu-
wingslampje kan ook gaan branden in combi-
natie met andere lampjes.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedis-
play. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de mel-
ding met de knop READ.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap
2
of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool bran-
den en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het por-
tier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
Als de auto met een snelheid van maxi-
maal 7 km/h rijdt, gaat het informatie-
symbool branden.
Als de auto met een snelheid van maxi-
maal 7 km/h rijdt, gaat het waarschu-
wingssymbool branden.
Dagtellers
G021123
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstan-
den te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller (
T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
Klok
G021125
Klok en instelknop.
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
2
Alleen auto’s met alarm*.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 69
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
70
Bij de weergave van een melding kan de tijds-
aanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool (zie pagina 121).
Knop voor dagtellers en klok
G016141
Positie van de knop.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 70
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive
03
71
Analoge klok
1
G029076
Analoge klok.
Knop om de wijzers terug te draaien.
Knop om de wijzers vooruit te draaien.
De analoge klok zit in het dashboard, boven het
dashboardkastje.
Tijd instellen:
±
Maak gebruik van de juiste knop om de
wijzers vooruit of achteruit te draaien. Er
zijn manieren van instellen mogelijk:
Houd de knop van uw keuze ingedrukt,
waarna de wijzers eerst langzaam (in
stapjes van ca. 5 minuten) vooruit- of
achteruitdraaien en daarna sneller. Laat
de knop los wanneer de klok de juiste
tijd aangeeft.
Druk eenmaal op de knop van uw keuze,
waarna de wijzers vooruit- of achteruit-
draaien (in stapjes van ca. 10 secon-
den).
1
Niet aanwezig op auto’s met het stuur rechts.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 71
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
03
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functies
G021126
Contactslot met transpondersleutel, knop START/
STOP.
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
U brengt de transpondersleutel in het contact-
slot aan. Bij licht indrukken van de transpon-
dersleutel wordt deze verder naar binnen
getrokken.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. De sleutel komt dan
naar buiten, waarna u deze kunt uitnemen. Een
automatische versnellingsbak* moet daarbij in
stand P staan.
Voor informatie over de functie van het audio-
systeem bij een uitgenomen transpondersleu-
tel (zie pagina 135).
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken! Pak de sleutel beet aan het uit-
einde met het sleutelblad. zie pagina 44.
Sleutelstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Sleutelstand I
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk op de knop START/STOP ENGINE.
N.B.
Om sleutelstand II te bereiken zonder de
motor te starten dient u het rem-/koppe-
lingspedaal niet te bedienen.
Sleutelstand II
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk ca. 2 seconden op de knop START/
STOP ENGINE.
Motor starten
Voor het starten van de motor (zie
pagina 98).
Motor afzetten
Druk op START/STOP ENGINE.
Als de auto rolt of als de keuzehendel niet in
stand P staat bij auto’s met een automatische
versnellingsbak: Druk tweemaal achtereen op
de knop of houd de knop ingedrukt totdat de
motor afslaat.
Sleutelstand 0 hervatten
Druk op de knop START/STOP ENGINE om
vanuit stand I, II terug te gaan naar sleutelstand
0.
N.B.
Laat bij het verslepen de transpondersleutel
in het contactslot zitten zodat de verlichting
kan worden ingeschakeld.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 72
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
03
73
Stand Functie
0
Kilometerteller, klok en tempera-
tuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak, elektrisch bedienbare
zijruiten, telefoon, interieurventi-
lator, ECC en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
II
De koplampen worden ontsto-
ken. Waarschuwings-/controle-
lampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwar-
ming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wan-
neer de motor loopt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 73
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorstoelen
G021127
Lendensteun wijzigen, aan de knop
1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblok-
keerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedien-
bare stoel*.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
Rugleuning voorstoel omklappen*
G021129
De rugleuning van de passagiersstoel kan wor-
den omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofd-
steun onder het dashboardkastje “vast” komt
te zitten.
Elektrisch bedienbare stoel*
G021133
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
1
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 74
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de trans-
pondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
G021134
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheu-
genknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stil-
stand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel en de bui-
tenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
G014387
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgesla-
gen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deacti-
veren onder Autosleutelgeheugen
Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem (zie pagina 118).
N.B.
Het geheugen van de twee transponders-
leutels en dat van de stoel werken volledig
onafhankelijk van elkaar.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutel-
geheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transponder-
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 75
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
sleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de ach-
terbank bekneld kan raken.
Elektrische verwarming/ventilatie stoel*
Voor stoelen met elektrische verwarming/ven-
tilatie (zie pagina 126).
Achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
G021135
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren.
1. Trek aan de handgreep/handgrepen. Zet
omgeklapte hoofdsteunen eerst rechtop.
2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
Stel zo nodig de middelste hoofdsteun af.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten van de ach-
terbank na het rechtop zetten goed vergren-
deld staan.
Middelste hoofdsteun achterbank
G021136
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de boven-
kant van de hoofdsteun halverwege de achter-
kant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de linker poot indrukken terwijl u
de hoofdsteun omlaagduwt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 76
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
Buitenste hoofdsteunen achterbank
omklappen*
G021137
1.
De transpondersleutel moet in stand I of
II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te ver-
beteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er iemand op een van beide buitenste zit-
plaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 77
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Voorstoelen - Executive
03
78
Voorstoelen type Comfort
G030131
Stoel naar voren/achteren zetten.
Bedieningspaneel voor massagefunctie en
lendensteun.
Massagefunctie
G030132
Knop voor activering massagefunctie.
Harde massage
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massage-
functie maakt gebruik van luchtkussens die
voor een harde of zachte massage zorgen. Na
selectie van de gewenste massagefunctie
wordt er als volgt gemasseerd: 6 minuten mas-
sage – 4 minuten pauze – 6 minuten massage
enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of als de transpondersleutel in stand 0 staat, is
de massagefunctie niet actief.
Lendensteun instellen
G030227
Knop voor instelling lendensteun.
De lendensteun is in te stellen met behulp van
de luchtkussens die ook gebruikt worden voor
de massafunctie. De luchtkussens op verschil-
lende hoogte in de rugleuning zijn stuk voor
stuk apart traploos harder of zachter op te bla-
zen (zie bovenstaande afbeelding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de mas-
sagefunctie of na langdurig parkeren automa-
tisch de laatst opgeslagen stand weer inneemt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 78
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Voorstoelen - Executive
03
79
Stoel naar voren/achteren zetten
G030137
De passagiersstoel is verder naar voren of ach-
teren te zetten. De stoel komt zolang u de voor-
of achterkant van de knop ingedrukt houdt
steeds verder naar voren of achteren (zie
bovenstaande afbeelding). De hellingshoek
van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 79
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
03
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Instellen
G021138
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewen-
ste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hen-
del terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand ver-
grendeld staat.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbe-
krachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie
pagina 157).
Toetsensets*
G021139
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 158
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 160
Audio- en telefoonfuncties zie
pagina 135
Claxon
G021140
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 80
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
Bedieningspaneel verlichting
G021141
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel
1
voor het afstellen van de ver-
lichting van het display en het instrumen-
tenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht (zie
pagina 72).
De displayverlichting wordt bij donker automa-
tisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpa-
neel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tege-
moetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet de transpon-
dersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto”s met Bi-Xenon
- en actieve Bi-
Xenon
koplampen* zijn uitgerust met automa-
tische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel ontbreekt.
Groot licht/dimlicht
G021142
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
1
Bij Executive-modellen kunt u met het duimwiel ook de sterkte regelen van de extra verlichting in handgrepen, de opbergvakken in de portieren, de analoge klok, de bekerhouders in de middenconsole
en de vloerverlichting voorin.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 81
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stand Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsigna-
len.
Stadslichten vóór en achterlich-
ten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel los-
laat.
Dimlicht
Als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een erkende
Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
In stand
is het dimlicht altijd automa-
tisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand
. Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het instrumentenpa-
neel.
Actieve Bi-Xenon
koplampen*
G021143
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geacti-
veerde (rechts) functie
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen
(Active Bi-Xenon
Lights, ABL) draaien de
lichtbundels van de koplampen mee om opti-
male verlichting te verkrijgen in bochten en op
kruisingen om op die manier de veiligheid te
verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. De knop
op
de middenconsole brandt, wanneer de functie
actief is. Bij een storing knippert de knop. De
functie is uitsluitend actief bij schemer of don-
ker en dan alleen als de auto rijdt.
De functie is te deactiveren/activeren met de
knop.
Stadslichten vóór en achterlichten
G021144
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/par-
keerlichten vóór en achterlichten
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 82
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middel-
ste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waar-
schuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van het kofferdeksel automatisch inge-
schakeld.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wan-
neer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL, Emergency Brake
Lights) geactiveerd. Dit houdt in dat de rem-
lichten knipperen om het achteropkomende
verkeer onmiddellijk te waarschuwen.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelhe-
den hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knippe-
ren totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te scha-
kelen met de knop voor de alarmlichten.
Mistlampen voorzijde*
G021145
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mist-
lampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mist-
lampen vóór verschillen van land tot land.
Mistachterlicht
G021146
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mist-
lampen aan de voorzijde.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 83
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
84
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistach-
terlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
G021147
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te active-
ren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot
onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten
knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021148
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel ver-
volgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen (zie
pagina 66).
Verlichting in interieur
G021149
Knoppen op plafondconsole voor bediening lees-
lampjes en interieurverlichting voorin
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minu-
ten nadat:
u de motor hebt afgezet en de transpon-
dersleutel in stand 0 staat;
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 84
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
85
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitge-
schakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
G021150
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurver-
lichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt in-
en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel (zie
pagina 191) wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlich-
ting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
u de auto met de afstandsbediening ont-
grendelt (zie pagina 41 of 45);
u de motor hebt afgezet en de transpon-
dersleutel in stand 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
u de motor start;
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie hand-
matig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
1. Neem de transpondersleutel uit het con-
tactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eind-
stand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsigna-
len (zie pagina 81).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richting-
aanwijzers, de verlichting van de buitenspie-
gels, de kentekenplaatverlichting, de plafond-
branden.
De duur van de Follow-Me-Home-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 85
henrikrosenqvist
doen na vergrendeling van de auto.
lampjes in het interieur en de instapverlichting
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem (zie pagina 118).
Approach-verlichting
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel (zie pagina 41) om de ver-
lichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie via de transpondersleutel
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
richtingaanwijzers, de verlichting van de bui-
tenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de
plafondlampjes in het interieur en de instap-
verlichting branden.
De duur van de Approach-verlichting kan wor-
den ingesteld onder Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Duur naderingslicht.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 118).
Lichtbundel aanpassen
G021151
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
G021152
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aan-
passen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Bi-Xenon
- en actieve Bi-
Xenon
G019442
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegen-
overgestelde lichtbundel.
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 86
henrikrosenqvist
koplampen*
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
87
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
Voorbeeld 1:
Om met een in Nederland geleverde auto in
Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
Voorbeeld 2
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand (zie voorgaande afbeelding) laten staan.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2 (zie pagina 89). Gebruik bijvoor-
beeld een kopieerapparaat met vergro-
tingsfunctie.
A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfkle-
vend en watervast materiaal en knip ze uit.
Breng ook de rode stippen aan.
3. Breng de zelfklevende mallen dusdanig
aan dat de rode stippen op de mallen over-
eenkomen met de stippen op de koplamp-
glazen die als referentiepunten dienen (zie
navolgende afbeeldingen).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 87
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
88
Halogeenkoplampen afplakken
G033025
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
C en D.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 88
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
89
Mallen voor halogeenkoplampen
G021155
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 89
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
03
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruitenwissers
1 2
INT
0
G025412
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snel-
heid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instel-
len wanneer u de intervalstand hebt geselec-
teerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snel-
heid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeier-
vloeistof op de voorruit, wanneer de ruiten-
wissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoe-
ligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool
op het rechter
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de rui-
tenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op de
knop
of haal de hendel omlaag naar een
ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 90
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumen-
tenpaneel en dat in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
G025416
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen.
De koplampen worden om de beurt gesproeid
om te voorkomen dat de sterkte van de ver-
lichting afneemt.
N.B.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruiten-
sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen ver-
bruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei-
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 91
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een ver-
beterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de zijruiten zijn gemaakt
van gelaagd glas*.
G021849
Water- en vuilafstotende laag*
De voorste zijruiten zijn voorzien van
een speciale laag die bij hevige
regenval voor een beter zicht zorgt. Voor het
onderhoud (zie pagina 270).
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de rui-
ten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektri-
sche verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen
op het spiegelglas veroorzaken!
Elektrisch bedienbare ruiten
G018516
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten (zie pagina 56).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroom-
toevoer naar de elektrisch bedienbare zij-
ruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bediening
G018517
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijrui-
ten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 92
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een por-
tier is dat echter niet meer mogelijk.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun bewe-
ging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achter-
een niet konden worden gesloten, is het moge-
lijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk
op te heffen. U doet dat door de bedienings-
knop voor de bewuste zijruit omhoog te trek-
ken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelas-
ting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknop-
pen omhoog of duw er een omlaag. De elek-
trisch bedienbare zijruiten komen steeds ver-
der omhoog of omlaag zolang u de
bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Met de transpondersleutel of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
±
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt
totdat de zijruiten worden geopend of
gesloten. Druk nogmaals op de vergren-
delingsknop om het openen/sluiten te
onderbreken.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Zonnescherm*
G029768
In de portierpanelen van de beide achterpor-
tieren zijn zonneschermen ingebouwd.
±
Trek het zonnescherm omhoog en haak
het vast aan de haak boven aan de ruito-
pening.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de
zijruit worden geopend en gesloten.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 93
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Buitenspiegels
G018518
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het par-
keren en als u op smalle wegen rijdt.
1.
Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze vol-
ledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uit-
geklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuur-
dersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vast-
gelegde standen in.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menu-
systeem (zie pagina 118).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tij-
dens het parkeren de kant van de weg te kan
zien.
±
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleu-
tel vergrendelt/ontgrendelt worden de buiten-
spiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Spiegels in bij
vegrend.. Voor een beschrijving van het menu-
systeem (zie pagina 118).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloe-
den van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 94
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
Approach-verlichting en Follow-Me-
Home-verlichting
den, als u de Approach-verlichting of de Fol-
pagina 85).
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
G021341
Gebruik de elektrische verwarming om de ach-
terruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijk-
tijdige verwarming van de achterruit en de bui-
tenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De ver-
warming wordt afhankelijk van de buitentem-
peratuur na een bepaalde tijd automatisch
uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentem-
peratuur lager dan +7 °C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen
onder Klimaatinstellingen
Aut. defroster
achterr.. Kies vervolgens uit
Aan of Uit. Voor
een beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 118).
Achteruitkijkspiegel
G021342
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u ver-
blinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendel-
tje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
tisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 95
henrikrosenqvist
low-Me-Home-verlichting selecteert (zie
De lampjes op de buitenspiegels gaan bran-
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
03
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zit-
ten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
Horizontaal openschuiven
G021343
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weer-
standspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstands-
punt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelas-
ting van het schuifdak werkt alleen bij auto-
matisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wan-
neer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u de transpondersleutel uit het con-
tactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak ver-
breekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Verticaal openkantelen
G028899
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkante-
len.
Kantel het schuifdak open door de achter-
kant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achter-
kant van de knop omlaag te trekken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 96
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
G021345
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten (zie
pagina 41 en 52). De portieren en het koffer-
deksel worden vergrendeld. Druk nogmaals op
de vergrendelingsknop om het sluiten te
onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehin-
derd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 97
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
03
98
Benzine- en dieselmotoren
G021126
Contactslot met transpondersleutel en start-/
stopknop (voor meer informatie (zie pagina 72)).
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken!
Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het
sleutelblad (zie pagina 44).
1. Plaats bij auto’s met een transpondersleu-
tel de transpondersleutel in het contact-
slot. Druk licht op de sleutel zodat deze
verder naar binnen wordt getrokken.
2. Houd het koppelingspedaal volledig inge-
drukt
1
. Trap bij auto’s met een automati-
sche versnellingsbak op het rempedaal.
3.
Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
N.B.
Bij auto’s met een dieselmotor van het type
2.0D slaat de motor mogelijk met enige ver-
traging aan, wanneer de melding
Voorgloeifunctie motor actief op het dis-
play staat.
De startmotor blijft maximaal 10 seconden
draaien (60 seconden bij dieselmodellen), tot-
dat de motor is aangeslagen.
Als de motor niet binnen 10 seconden aan-
slaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door
de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te
houden totdat de motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot. Dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbe-
stuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan nor-
maal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaat-
gasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelij-
kertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en die-
selmotoren.
N.B.
U kunt de motor alleen starten, wanneer een
van de transpondersleutels bij een auto met
Keyless drive*-functie in de passagiers-
ruimte of de kofferbak ligt.
1
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 98
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
03
99
Stuurslot
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel
2
in het contactslot steekt
en opnieuw ingeschakeld wanneer u de trans-
pondersleutel verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
2
Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste keer dat u op de startknop drukt, het stuurslot gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier wordt geopend
nadat de motor is afgezet.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 99
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
03
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpo-
ging aanslaat:
Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
Als de motor dan nog niet aanslaat
Is de buitentemperatuur lager dan +5 °C:
1. Sluit de elektrische motorverwarming min-
stens 1 uur lang aan.
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpo-
gingen niet aanslaat, dient u contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Motorverwarming*
G019754
Aansluiting voor motorverwarming
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwar-
ming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-etha-
nol (E 85) in de tank zit.
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motor-
verwarming moet werken. Bij –20 °C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uit-
gerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwar-
ming.
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerk-
zaamheden aan de elektrische motorver-
warming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een erkende Volvo-
werkplaats.
N.B.
Opmerking voor wie een jerrycan met
brandstof wil meenemen:
Wanneer u de brandstoftank hebt leegge-
reden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit een
jerrycan is het bij strenge vorst niet uitge-
sloten dat de motor startproblemen ver-
toont. U kunt dergelijke problemen voorko-
men door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brand-
stof bio-ethanol (E 85) (zie pagina 210 en
286).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 100
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
03
101
Brandstofadaptatie
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snel-
heid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 101
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
03
102
Starten met hulpaccu
G021347
Als de accu uitgeput is, kunt u de auto starten
met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het vol-
gende geadviseerd om explosiegevaar te voor-
komen:
1.
Zet de transpondersleutel in stand 0 (zie
pagina 72).
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu .
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dek-
plaat (zie pagina 242).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
aan op de pluspool
van de uitgeputte
accu die onder een opklapbare kunststof
afdekking zit.
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
aan op de minpool
van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorko-
men.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun
bovenaan, buitenste boutkop)
. Contro-
leer of de aansluitklemmen van de startka-
bels goed vastzitten om te voorkomen dat
er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tij-
dens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de plus-
pool van de accu of met de aangesloten
klemmen van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brand-
wonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelhe-
den water spoelen. Neem onmiddellijk con-
tact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 102
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
``
103
Handbak, vijfversnellingsbak
G021348
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpa-
troon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
G021349
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutrale stand N zetten. Door de blokke-
ring van de achteruitversnelling kunt u de
versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnel-
ling zetten.
Handbak, zesversnellingsbak
G021348
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpa-
troon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 103
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
104
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
G021349
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
G021350
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6 (zie
pagina 65).
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedie-
nen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeer-
rem met een druk op de knop (zie
pagina 110).
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeer-
rem aan, wanneer de auto stilstaat en de keu-
zehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (M)
Met de automatische versnellingsbak Geartro-
nic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 104
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
``
105
16” afhankelijk van de ingeschakelde ver-
snelling (zie pagina 65).
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel helemaal naar links in stand D te
zetten.
Om schokken en afslaan van de motor te voor-
komen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatie-
display verandert de
S dan in een van de
tekens
16 om aan te geven welke versnel-
ling er ingeschakeld is.
Geartronic, Sportstand (S)
1
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gege-
ven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
M te zetten. Op het informatiedisplay verandert
het teken
D in een S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e ver-
snelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuze-
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts
bij M – het symbool D op het display van
het instrumentenpaneel verandert in een
1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de ver-
snellingsbak rijdt de auto met een lager motor-
toerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-
stand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet moge-
lijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kick-
down toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
1
Alleen 3,0 litermodel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 105
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
106
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke ver-
snelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Mechanische keuzehendelblokkering
G021351
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hen-
del vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kun-
nen nemen. In alle andere standen is de trans-
pondersleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
contactslotstand II geactiveerd is (zie
pagina 72).
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een
andere schakelstand te zetten moet u het rem-
pedaal bedienen, terwijl contactslotstand II
geactiveerd is (zie pagina 72).
Automatische schakelblokkering
deactiveren
G021352
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubber vloermat achter de midden-
console uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. Haal de keu-
zehendel uit stand P. Voor meer informatie
over het sleutelblad (zie pagina 44).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 106
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wie-
len van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektro-
nisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wiel-
spin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 107
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
03
108
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aange-
sproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de rem-
mende werking van de motor het best, wan-
neer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto (zie pagina 280).
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 40 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van tril-
lingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handma-
tig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de rem-
kracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en ver-
hoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waar-
bij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt
uitgeschakeld wanneer u de druk op het rem-
pedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan nor-
maal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Symbolen op instrumentenpaneel
Sym-
bool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloei-
stof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 108
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
03
109
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen en
tegelijkertijd branden, kan er een sto-
ring in het remsysteem zijn opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 109
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
110
Elektrische parkeerrem
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toe-
passingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een auto-
matische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwie-
len. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aan-
zet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de par-
keerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is
(zie pagina 102).
Parkeerrem aanzetten
G021354
Handgreep parkeerrem
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Het symbool
op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aan-
gezet. Wanneer het symbool continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tij-
dens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de par-
keerrem gelost.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
G021359
Handgreep parkeerrem
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 110
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
``
111
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem,
ook met de versnellingspook in de vrijstand,
automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Trek aan de handgreep.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3.
Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeer-
rem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellings-
bak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplo-
pende helling achteruitrolt, wanneer de par-
keerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de hand-
greep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Auto met Keyless drive-functie
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de hand-
greep te trekken.
Symbolen
Sym-
bool
Betekenis
Lees de melding op het infor-
matiedisplay.
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aan-
gezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het infor-
matiedisplay.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 111
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
112
Berichten
G016166
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats. Als u
bij deze foutmelding wegrijdt zonder de par-
keerrem te lossen, klinkt er een waarschu-
wingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Pro-
beer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een Volvo-werkplaats als de melding
niet verdwijnt.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem moge-
lijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist - Er is een sto-
ring opgetreden. Bezoek een Volvo-werkplaats
als de storing niet verdwijnt.
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoir-
band/berm af te draaien en de versnellings-
pook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen ver-
vangen in een erkende Volvo-werkplaats met
het oog op de constructie van de elektrische
parkeerrem.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 112
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink
EU*
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
Algemene informatie
G029471
HomeLink is een programmeerbare afstands-
bediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garage-
deur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die inge-
bouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink-paneel bestaat uit drie pro-
grammeerbare knoppen en een controle-
lampje.
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedie-
ningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de wer-
king van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLink geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke origi-
nele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor acti-
vering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedie-
ningen naast HomeLink blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLink gebruikt om een garage-
deur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLink-
afstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en -
retour. De garagedeur dient onmiddellijk te
reageren bij registratie van een obstakel, tot
stilstand te komen en meteen de omge-
keerde beweging te maken. Een garagedeur
die dat niet doet kan aanleiding geven tot
lichamelijk letsel. Bel voor meer informatie
met de HomeLink Hotline: 008000 466 354
65 (gratis). U kunt tevens contact opnemen
via internet op: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
In punt 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt ompro-
grammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knip-
perende lampje geeft aan dat HomeLink in
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 113
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink
EU*
03
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
de “inleerstand” staat en klaar is voor pro-
grammering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
2-8 cm afstand van HomeLink. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te programmeren knop van Home-
Link en de te kopiëren knop van de origi-
nele afstandsbediening gelijktijdig in. Laat
de knoppen pas los wanneer het controle-
lampje dat langzaam knippert sneller gaat
knipperen. Een snel knipperend lampje
geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop.
Brandt niet continu: Een controle-
lampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangs-
hek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop. Vervolg in dat geval de pro-
grammering als volgt.
5.
Zoek de “inleerknop
1
” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang inge-
drukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de pro-
grammering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van HomeLink
en houd deze ingedrukt totdat punt 3 afge-
rond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 2-8 cm afstand van HomeLink. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
1
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 114
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink
EU*
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de pro-
grammering gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop.
Brandt niet continu: Een controle-
lampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangs-
hek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop. Vervolg in dat geval de pro-
grammering als volgt.
5.
Zoek de “inleerknop
2
” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang inge-
drukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de pro-
grammering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLink staat vervolgens in de “Learn
Mode” waarna deze opnieuw gepro-
grammeerd kan worden (zie
pagina 113).
2
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 115
henrikrosenqvist
G020908
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu- en meldingsfuncties................................................................... 118
Klimaatregeling..................................................................................... 123
Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... 131
Extra verwarming op brandstof*........................................................... 134
Audiosysteem....................................................................................... 135
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . . 147
Boordcomputer..................................................................................... 152
Kompas*................................................................................................ 154
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC........................................... 155
Rijeigenschappen aanpassen............................................................... 157
ACC gedeactiveerd*.............................................................................. 158
Adaptieve cruisecontrol*....................................................................... 160
Afstandscontrole................................................................................... 167
Botswaarschuwing met automatische rem*......................................... 170
Driver Alert System – DAC*................................................................... 176
Driver Alert System (LDW)*................................................................... 179
Park Assist*........................................................................................... 182
BLIS*, Blind Spot Information System.................................................. 185
Interieurcomfort..................................................................................... 189
Interieurcomfort – Executive................................................................. 193
Bluetooth handsfree*............................................................................ 194
Geïntegreerde telefoon*........................................................................ 199
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 116
henrikrosenqvist
04
COMFORT EN RIJPLEZIER
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 117
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
118
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Middenconsole
Sommige functies regelt u via het menusys-
teem vanaf de middenconsole of via de toet-
senset op het stuurwiel. Welke functies dat zijn
leest u in de verschillende onderdelen.
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het display van de middenconsole.
Bedieningstoetsen op middenconsole
G021360
Middenconsole met informatiedisplay en bedie-
ningstoetsen voor meldingsfuncties.
Navigatietoets – menu-opties doorblade-
ren en selecteren
ENTER – menu-opties selecteren
MENU – menusysteem openen
EXIT – stap terugdoen binnen het menu-
systeem. Bij lang indrukken verlaat u het
menusysteem.
Toetsenset op stuurwiel
G021363
ENTER*
EXIT*
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel
zitten, hebben deze toetsen (ook de navigatie-
toetsen) dezelfde functie als die op de midden-
console.
Paden
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang tot
bepaalde functies, terwijl andere alleen via het
menusysteem te bereiken zijn.
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt daar-
bij verondersteld dat u daarvóór het volgende
doet:
1.
Druk op MENU.
2.
Ga naar
Menu en druk op ENTER.
3.
Ga naar
Submenu en druk op ENTER.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de num-
mertoetsen (alleen 1–9).
Menu-overzicht
Er bestaan verschillende hoofdmenu’s voor de
telefoon en de geluidsbronnen. De volgende
menu-opties maken deel uit van alle hoofd-
menu’s:
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend.*
Inst. botswaarschuwing*
Informatie
Lichtinstellingen
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 118
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
Instellingen vergrendelen
Verlaagde guard
1
Instellingen parkeercam.*
Stuurkrachtniveau*
Instellingen unit
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Aut. defroster achterr.
Timer recirculatie
Reset klimaatinstellingen
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen
2
Geluidspodium
Equalizer voor
Equalizer achter
Autom. volumeregeling
Reset audio-inst.
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Radiotekst
PTY (programmatype)
Geav. radio-instellingen
Audio-instellingen
Hoofdmenu DAB*
3
Hoofdmenu CD
Random
Uit
Map
4
Disc
4
Enkele disc
5
Alle discs
5
Cd-instellingen
Tekst disc*
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
Telefoonboek
Zoeken
Kopiëren van mob. tel.
Bluetooth*
Telefoon aansluiten
Telefoon wijzigen
Telefoon verwijderen
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Geluiden en volume
1
Bepaalde modellen.
2
Voor iedere geluidsbron bestaat de menu-optie audio-instellingen.
3
Zie pagina 144.
4
Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
5
Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 119
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
120
Telefoonboek synchr.
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
Lijst wissen
Gespreksduur
Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon
Zoeken
Alles kopiëren
SIM wissen
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Berichten
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
Automatisch antwoord
Voicemail-nummer
Omleidingen
Telefooninstellingen
Netwerkselectie
SIM-beveiliging
PIN-code bewerken
Geluiden en volume
IDIS
Reset Telefooninst.
Instrumentenpaneel
G021364
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldin-
gen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stel-
len. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instru-
mentenpaneel verschijnen. Welke menu’s ver-
schijnen hangt af van de sleutelstand (zie
pagina 72). Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 120
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
``
121
Menu-overzicht
6
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
Gem. snelheid
Lane departure warning
Bandenspanning Kalibratie
Actuele snelheid
Timer standkach 1/2
Timer standvent 1/2
Timerstand verw.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
DSTC
Melding
G021365
Melding op informatiedisplay.
Wanneer er een waarschuwings-, informatie-
of controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het infor-
matiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderlig-
gende storing hebt laten verhelpen.
Druk op READ om de meldingen door te bla-
deren en te bevestigen.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Melding Betekenis
Stop auto
z.s.m.
Breng de auto tot stil-
stand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werk-
plaats.
Zet motor af
Breng de auto tot stil-
stand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werk-
plaats.
Service spoed
Laat de auto onmiddel-
lijk nakijken door een
erkende Volvo-werk-
plaats.
6
Bepaalde menu-opties*.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 121
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
122
Melding Betekenis
Service vereist
Laat de auto zo spoedig
mogelijk nakijken door
een erkende Volvo-
werkplaats.
Zie instructieb.
Lees het instructie-
boekje.
Bespreek tijd
voor onder-
houd
Het is tijd een afspraak
te maken voor een ser-
vicebeurt bij een
erkende Volvo-werk-
plaats.
Tijd voor peri-
odiek onder-
houd
Het is tijd voor een ser-
vicebeurt bij een
erkende Volvo-werk-
plaats. Het moment
hangt af van de afge-
legde afstand, het aan-
tal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte olie-
kwaliteit.
Melding Betekenis
Onderhoud-
ster- mijn ver-
streken
Als u de onderhouds-
termijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Bezoek voor het onder-
houd een erkende
Volvo-werkplaats.
Tijdelijk UIT
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 122
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is voorzien van elektronische klimaat-
regeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd
of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimaal klimaatcomfort in de passagiers-
ruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, dient u de airconditioning echter
altijd te laten aanstaan.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heer-
sende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaas-
monden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Positie van de sensoren
De zonnesensor zit boven op het dash-
board.
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatrege-
ling.
De buitentemperatuursensor zit op de bui-
tenspiegel.
De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspie-
gel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwa-
semingsfunctie om condens van de binnen-
kant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Ventilatie-openingen in hoedenplank
N.B.
Blokkeer evenmin de ventilatie-opening
achter in de hoedenplank met kleding of
andere voorwerpen om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een hel-
ling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditio-
ning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen nor-
maal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motor-
kap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 123
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
124
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het kou-
demiddel R134a. Het bevat geen chloor, waar-
door het koudemiddel onschadelijk is voor de
ozonlaag. Laat het bijvullen/verversen van kou-
demiddel over aan een erkende Volvo-werk-
plaats.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen (zie
pagina 42).
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Service-
programma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontrei-
nigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten inte-
rieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inac-
tiviteit wordt de functie na enige tijd auto-
matisch beëindigd. De tijd dat de ventila-
torfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Interior Air Quality System (IAQS). Een vol-
automatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreini-
gingen in de vorm van stofdeeltjes, kool-
waterstoffen, stikstofoxiden en laaghan-
gend ozon.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemak-
kelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagage-
ruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmid-
delen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd (zie pagina 271).
N.B.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-luchtfil-
ter om de 15.000 km of tenminste eenmaal
per jaar te worden vervangen. Bij auto’s
zonder CZIP dient het IAQS-luchtfilter tij-
dens de reguliere onderhoudsbeurt te wor-
den vervangen.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wij-
zigen via de middenconsole (zie pagina 118):
Ventilatorfunctie in automatische stand (zie
pagina 127).
Tijdgestuurde recirculatie van lucht in pas-
sagiersruimte (zie pagina 128).
Automatische verwarming van de achter-
ruit (zie pagina 95).
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle func-
ties van de klimaatregeling.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 124
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
125
Luchtverdeling
G021366
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20blaasmonden verspreid over het interieur.
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen (zie pagina 130).
Blaasmonden in dashboard
G021367
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmon-
den.
Blaasmonden in portierstijlen
G021368
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 125
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
G021371
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechter-
zijde
AUTO
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Elektrische achterruit- en buitenspiegel-
verwarming, zie pagina 95
Max. ontwaseming
Recirculatie/Interior Air Quality System
Temperatuurregeling, linkerzijde
Gebruik
Geventileerde voorstoelen*
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventila-
tiesysteem bestaat uit ventila-
toren in de zittingen en de
rugleuningen die lucht door
de bekleding heen aanzuigen.
Naarmate de lucht in het interieur kouder is,
neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaat-
regeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buiten-
temperatuur.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met
elk hun eigen koel- en droogeffect:
Comfortniveau III: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op
– alle drie de lampjes branden.
Comfortniveau II: tweemaal indrukken van
de knop levert het lagere vermogen op –
twee lampjes branden.
Comfortniveau I: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op
– er brandt één lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes
brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadvi-
seerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 126
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
127
Ventilator
1
Draai aan de knop om de ven-
tilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnel-
heid wordt automatisch gere-
geld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventila-
torsnelheid wordt dan gene-
geerd.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank
Voorstoelen
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwar-
mingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
Tweemaal op de knop druk-
ken levert een lager verwar-
mingsniveau op – twee van de lampjes bran-
den.
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
Achterbank (Executive)
G021376
U stelt de verwarming van de achterbank op
2
.
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke
gedaante op de neven-
staande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort
(zie pagina 130).
Auto
De functie regelt automatisch
de temperatuur, de aircondi-
tioning, de ventilatorsnelheid,
de recirculatie en de luchtver-
deling.
Als u een of meer handmatige functies selec-
teert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instel-
lingen worden opgeheven. Op het display ver-
schijnt
AUTO KLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automati-
sche stand instellen onder
1
Geldt alleen voor ECC.
2
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 127
henrikrosenqvist
dezelfde manier in als die van de voorstoelen
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
128
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit
Laag, Normaal of Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 118).
Temperatuurregeling
Met deze knop kunt u de tem-
peratuur aan de bestuurders-
en passagierszijde onafhan-
kelijk van elkaar instellen.
Bij het starten van de motor
wordt de laatst verrichte
instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet snel-
ler warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
AC – Airconditioning AAN/UIT
Wanneer het lampje bij ON
brandt, wordt de airconditio-
ning automatisch geregeld.
De binnenkomende lucht
wordt dan automatisch afge-
koeld en van vocht ontdaan.
De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer
het lampje bij OFF brandt. De overige functies
worden nog steeds automatisch geregeld.
Wanneer u ontwaseming geselecteerd hebt,
wordt de airconditioning ingesteld op maxi-
male ontvochtiging.
Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ont-
dooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
schakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schake-
len met de knop AC. Bij het uitschakelen van
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie/Interior Air Quality System
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje
rechts in de knop. U kunt deze
functie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en derge-
lijke buiten wilt houden. De
lucht in de passagiersruimte
wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten de auto in, wan-
neer deze functie actief is. Als de lucht in de
auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde
van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de kli-
maatregeling afhankelijk van de buitentempe-
ratuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een
slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie active-
ren/deactiveren onder Klimaatinstellingen
Timer recirculatie. Voor een beschrijving
van het menusysteem (zie pagina 118).
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 128
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeel-
tjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beper-
ken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreini-
gingen in de buitenlucht meet, wordt de lucht-
inlaat afgesloten waarna de lucht in de passa-
giersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
Air Quality Sensor activeren
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
Het oranje lampje links brandt – de Air Qua-
lity Sensor is uitgeschakeld.
Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
Het oranje lampje rechts brandt – de recir-
culatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sen-
sor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwase-
men.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 129
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
130
Luchtverdelingstabel
Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoe-
veelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel kli-
maat en een goede ont-
waseming te verkrijgen bij
koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de rui-
ten en uit de blaasmon-
den van het dashboard.
Om een comfortabel kli-
maat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoe-
veelheid lucht uit de
blaasmonden in het dash-
board en op de ruiten.
Om warme of koude lucht
naar de vloer te sturen.
Luchtstroom op hoofd-
en borsthoogte uit de
blaasmonden in het dash-
board.
Om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de rui-
ten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 130
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
Verwarming op brandstof
Algemene informatie over de
standverwarming
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uit-
schakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wan-
neer de verwarming moet worden ingescha-
keld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij tem-
peraturen van –10 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minu-
ten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Tanken
WARNING!
AVERTISSEMENT!
ACHTUNG!
G021395
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standver-
warming op brandstof uit.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwar-
ming aanstaat, staat op het informatiedis-
play de melding
Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling par-
keert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de stand-
verwarming altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standver-
warming automatisch uitgeschakeld en er ver-
schijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken (zie
pagina 132).
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwar-
ming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen ople-
veren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwar-
ming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 131
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
04
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bediening
G021364
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voor meer informatie over het informatiedis-
play en de knop READ (zie pagina 120).
Symbolen en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of
Directe start acti-
veert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het infor-
matiedisplay verschijnen een verklarende mel-
ding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
Sym-
bool
Display Betekenis
G025102
Brand-
stofka-
chel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
G025102
Timer
ingesteld
Brand-
stofka-
chel
Herinnering aan de
ingestelde uitscha-
keltijd voor de ver-
warming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Verwar-
ming stop
Accus-
pann.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er vol-
doende stroom is
om de motor te star-
ten.
Verw niet
besch
Brand-
stofp.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten van de motor
nog ca. 50 km kan
worden gereden.
Een displaymeldingen verdwijnt automatisch
na enige tijd. U kunt een melding ook eerder
doen verdwijnen met een druk op de knop
READ van de richtingaanwijzerhendel.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1.
Gebruik het duimwiel om naar
Directe
start Standverw.
te gaan.
2.
Druk op RESET om te kiezen uit
AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste tempe-
ratuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 132
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren in
contactslotstand I (zie pagina 72).
1.
Gebruik het duimwiel om naar
Timer
standkach 1
te gaan.
2.
Druk kort op de knop RESET zodat de uur-
aanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4.
Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6.
Druk kort op de knop RESET om de instel-
ling te bevestigen.
7.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u
Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programme-
ren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitscha-
kelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1.
Druk op READ.
2.
Ga met het duimwiel naar
Timer
standkach 1
of 2.
>
De tekst
AAN knippert op het display.
3.
Druk op RESET.
>
De tekst
UIT brandt continu en de ver-
warming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”
zie pagina 132.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 133
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming op brandstof*
04
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Extra verwarming (diesel)
G021364
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer moet de extra verwarming van
dieselmodellen wellicht worden ingeschakeld
om de passagiersruimte voldoende te verwar-
men.
De extra verwarming wordt automatisch inge-
schakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming des-
gewenst worden uitgeschakeld.
1.
Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto
te gaan.
2.
Druk op RESET om te kiezen uit
AAN en
UIT.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 134
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschil-
lende opties en in verschillende uitvoeringen.
Er zijn drie uitvoeringen verkrijgbaar:
Performance
High Performance
Premium Sound
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
Transpondersleutel en sleutelstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleu-
tel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het con-
tactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Overzicht
G021398
Ingang voor externe geluidsbron (AUX,
USB/iPod*)
Toetsenset op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaan-
sluiting*
Toetsenset op stuurwiel
G021399
Menu-opties bevestigen, telefoongesprek-
ken aannemen.
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Belvolume
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om tracks op de cd ver-
sneld vooruit/achteruit te spoelen of auto-
matisch radiozenders te zoeken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 135
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
136
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impe-
dantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
G021400
Belvolume
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Geluidsbron, activeren
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm)
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE wanneer het audiosysteem inge-
schakeld is. Het bedieningspaneel wordt auto-
matisch gedeactiveerd, wanneer u het audio-
systeem uitschakelt of MODE lang indrukt.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Druk kort in om een track op een cd of een
van de voorkeurzenders te selecteren. Druk
dezelfde knop lang in om tracks op de cd ver-
sneld vooruit/achteruit te spoelen of automa-
tisch radiozenders te zoeken.
Beperkingen
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedie-
ningspaneel.
Menufuncties en MY KEY
1
Sommige functies kunt u regelen via het menu-
systeem van de middenconsole. Voor meer
informatie over de menufuncties (zie
pagina 118). Voor informatie over de werking
van het audiosysteem in combinatie met een
Bluetooth
TM
-handsfree of -telefoon (zie
pagina 200).
Favoriete menufunctie opslaan met MY
KEY
G017752
1. Kies de menufunctie die u wilt opslaan.
Niet alle functies zijn op te slaan als favo-
riet.
2.
Houd MY KEY meer dan 2 seconden lang
ingedrukt.
De volgende menufuncties kunt u onder
MY KEY opslaan:
Cd-speler/-wisselaar
Random (cd-wisselaar)
Nieuws
TP
Nummer-informatie
1
De functie MY KEY komt te vervallen, als er bij wijze van optie een telefoon in de auto wordt ingebouwd.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 136
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
137
FM
Nieuws
TP
Radiotekst
PTY zoeken
PTY-tekst weergeven
AUDIO-INSTELLINGEN
Geluid
Autom. volumereg.
Activeer de opgeslagen menufunctie vervol-
gens door kort op MY KEY te drukken.
Audiofuncties
G021402
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audio-
functies.
Interne geluidsbronnen: AM, FM en CD
Externe geluidsbron. Voor de aansluiting.
zie pagina 135
Druk- en draaiknoppen voor het aanpas-
sen van de geluidsweergave
Navigatietoets
Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
van de auto. U hebt de keuze uit drie compen-
satieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een
niveau onder Audio-instellingen
Autom.
volumeregeling.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUX-
ingang aan te sluiten (zie pagina 135).
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audio-
systeem in stand AUX staat. Laad de speler
daarom niet tijdens het beluisteren op via de
12V-aansluiting.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen. Als de geluids-
sterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het ingangsvolume van de
externe geluidsbron aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE en navigeer vervolgens
met
naar AUX-ingangsvolume.
2.
Draai aan de knop
of druk op /
van de navigatietoets.
Geluidsregeling
Door te drukken op de knop kunt u de
onderstaande opties doorlopen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 137
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U stelt de opties in door aan de draaiknop te
draaien.
N.B.
Druk op MENU om de Audio-instellingen te
openen. Voor meer informatie (zie
pagina 118).
Bas – Niveau van de lage tonen.
Treble - Niveau van de hoge tonen.
Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
Subwoofer* – Niveau voor de lagetonen-
luidspreker. Door de draaiknop naar de
MIN te draaien kunt u de subwoofer deac-
tiveren.
Surround* - Instellingen voor de zogehe-
ten Ambient Surround Sound.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door 3-
ch
of Dpl2 te selecteren. Vervolgens worden u
de volgende opties voorgeschoteld:
Middenniveau* – Niveau voor de midden-
luidspreker.
Surround-niveau* – Niveau voor de zoge-
heten Ambient Surround Sound.
Equalizer
Met de equalizer
2
kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
1.
Ga naar Audio-instellingen en kies
Equalizer voor of Equalizer achter.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
met
/ van de navigatietoets. Druk op
/ om een andere frequentieband te
kiezen.
2.
Leg de instelling vast met ENTER of annu-
leer uw keuze met EXIT.
Geluidspodium
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder*, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassa-
giers. Kies een van de opties onder Audio-
instellingen Geluidspodium.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor opti-
male geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnel-
heid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
2
Bepaalde systeemuitvoeringen
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 138
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
Cd-functies
G021403
Middenconsole, bedieningstoetsen voor cd-func-
ties.
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
cd’s
Navigatietoets voor het wisselen van cd-
tracks
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd doorzoeken
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening
en druk op CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is geko-
zen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u op CD drukt. Kies als dat niet het
geval is een cd met de cijfertoetsen 1–6 of
/
van de navigatietoets.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
1.
Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of
/ van de navigatietoets.
Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding
Plaats Disc geeft
aan dat u een volgende cd kunt aanbren-
gen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes
cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Disc uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitge-
worpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop
van deze periode nog in de cd-speler zit, wordt
de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
Pauze
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onder-
broken.
Muziekbestanden
3
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestan-
den in mp3- en wma-formaat.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele map-
structuur op de disc automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc kan het
enige tijd duren voordat de disc wordt afge-
speeld.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cd-
speler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aan-
3
High Performance en Premium Sound
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 139
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
140
geduid met het symbool en mappen met
. Met een druk op ENTER gaat het afspe-
len van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand hele-
maal afgespeeld is, worden de overige bestan-
den in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afge-
speeld, wordt er automatisch van map gewis-
seld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Druk kort op / van de navigatietoets om
tracks/muziekbestanden op een cd te selecte-
ren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden
versneld vooruit/achteruit te spoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. U kunt ook van track wisselen
door aan de knop TUNING te draaien.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeel-
volgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afge-
speeld.
RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluiste-
ren van een disc met muziekbestanden onder
Random
Map.
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. Het
alternatief
Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluiste-
ren van een cd met muziekbestanden onder
Random
Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziek-
cd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestan-
den. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummer-
informatie.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 140
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
141
Radiofuncties
G021404
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radio-
functies.
Navigatietoets voor het automatisch zoe-
ken van zenders
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken.
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen.
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeur-
zenders vastleggen.
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen.
Automatisch zenders zoeken
1.
Kies een frequentieband met FM of AM.
2.
Druk op
/ van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken.
1.
Kies een frequentieband met FM of AM.
2.
Draai aan TUNING.
Preset
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. De FM-band heeft 2 geheugen-
banken met voorkeurzenders:
FM1 en FM2. U
kiest een voorkeurzender met de voorkeurtoet-
sen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen inge-
drukt, totdat de melding
Kanaal
opgeslagen
op het display verschijnt.
Automatisch zenders vastleggen.
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties niet
kent. De 10 best te ontvangen radiozenders
worden automatisch in een aparte geheugen-
bank vastgelegd.
1.
Kies een frequentieband met FM of AM.
2.
Houd AUTO ingedrukt, totdat
Autom.
opslaan..
op het display verschijnt.
Wanneer
Autom. opslaan.. van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de mel-
ding
Auto verschijnt op het display. De auto-
matisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver-
volgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen. De automatische vastleg-
functie voor radiozenders is te beëindigen met
EXIT.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1.
Druk op AUTO.
>
De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie doorzoekt de actuele frequentie-
band automatisch op goed te ontvangen zen-
ders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1.
Kies een frequentieband met AM of FM.
2.
Druk op SCAN.
De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk
tot slot op SCAN of EXIT.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 141
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
142
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde infor-
matie, zodat een RDS-radio onder meer de
volgende mogelijkheden biedt:
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorge-
ven.
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste program-
matype is aangetroffen, kan de radio vervol-
gens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onder-
breken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbro-
ken. De uitzending met het gekozen program-
matype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume (zie pagina 144). Na afloop
van de uitzending van het gekozen program-
matype geeft de radio de voorgaande geluids-
bron opnieuw weer op het volume dat u
daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), ver-
keersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en pro-
grammatype(PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de pro-
grammatypes de laagste. Zie EON en REG (zie
pagina 143) voor meer instellingen die te
maken hebben met het onderbreken van uit-
zendingen. Druk op EXIT om de weergave van
de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijde-
lijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weer-
gave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool
TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FM-
instellingen
TP.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinfor-
matie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
±
Ga naar FM-instellingen
Geav. radio-
instellingen
TP TP-zender om wijzi-
gingen aan te brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weer-
gave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-net-
werk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FM-
instellingen
Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuit-
zending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 142
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
143
±
Ga naar FM-instellingen
Geav. radio-
instellingen
Nieuwszender om wijzi-
gingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschil-
lende programmatypes te kiezen zoals pop-
muziek en klassieke muziek. Het symbool PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij activering
van deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een uit-
zending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FM-
instellingen
PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY’s te wis-
sen onder FM-instellingen
Alle PTY's
wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1.
Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY PTY selecteren.
2.
Ga naar FM-instellingen
PTY PTY
zoeken.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>|
om te zoeken
op het display.
±
Druk op
van de navigatietoets om ver-
der te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zen-
der die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen
PTY
PTY weergeven
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoe-
rende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder
Radiotekst.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er auto-
matisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding
PI
zoeken EXIT voor annuleren
op het display.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen
Geav.
radio-instellingen
AF.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blij-
ven ondanks dat het signaal zwak is. Het sym-
bool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen
Geav.
radio-instellingen
Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radio-
zenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 143
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
voor uitzendingen van een bepaald program-
matype.
±
Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen
Geav. radio-
instellingen
EON:
Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
Afstand
4
– Ook onderbreking als de zend-
mast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
Uit – Geen onderbreking voor een uitzen-
ding van een bepaald programmatype via
andere zenders.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
±
Reset in de stand FM onder FM-
instellingen
Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het geko-
zen programmatype (bijv. NIEUWS of TP) wor-
den weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
Digitale radio (DAB)*
Algemene informatie
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een sys-
teem voor digitale overdracht van radiosigna-
len.
Service en Ensemble
Service - Kanaal, radiokanaal (het sys-
teem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Ensemble
learn)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied bin-
nenrijdt is het mogelijk het systeem de gele-
genheid te geven de te ontvangen kanaalgroe-
pen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroe-
pen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu
Ensemble learn of rechtstreeks door lang op
AUTO te drukken. Het kan tot één minuut
duren voordat een kanaalgroep geprogram-
meerd is als u zowel
Band III als LBand hebt
geselecteerd.
Frequentieband
DAB zendt uit op twee frequentiebanden:
Band III en LBand.
Band III - Over het hele land
LBand - Voornamelijk in de grote steden
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
Ensemble list - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
Service list - Geeft de kanalen weer onge-
acht de kanaalgroep waartoe ze behoren.
4
Default/Fabrieksinstelling.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 144
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
145
De lijst is tevens te filteren met behulp van
DAB-PTY (zie onder).
Subchannel list - Subkanalen van het
gekozen kanaal.
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Scannen (SCAN)
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
±
Druk op
SCAN om de functie te activeren.
U kunt de scanfunctie ook kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
±
Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Subkanaal (onderkanaal)
Secundaire componenten worden vaak aan-
geduid als subkanalen. Dergelijke componen-
ten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoor-
beeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan ver-
schijnt het symbool > rechts van de kanaal-
naam op het display. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool >
links van de kanaalnaam op het display.
Om een subkanaal te bereiken:
±
Druk op
Om te navigeren tussen subkanalen:
±
Druk op
of op
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het geko-
zen hoofdkanaal en niet via een ander hoofd-
kanaal.
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radio-
programma. Er bestaan 29 verschillende pro-
grammatypes voor verschillende soorten pro-
grammacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
Verlaat deze stand als volgt:
±
Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kie-
zen of
DAB-PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal die slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
DAB-displayinstellingen
1.
Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
Bij het beluisteren van een subkanaal ver-
schijnt de subkanaalnaam.
2.
Ensemble mode - Voegt de naam van de
kanaalgroep toe aan de kanaalnaam.
3.
Ensemble + PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam.
Presets (voorkeuren)
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluis-
teren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID
geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen
van tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bij-
behorende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een kanaal dat is vastgelegd als voorkeurka-
naal hoeft niet in de kanalenlijst te staan om te
kunnen worden gedownload. Als u een kanaal
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 145
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
146
downloadt dat niet beschikbaar is, verschijnt
het nummer van het voorkeurkanaal waarna
het geluid stilvalt totdat u een ander voorkeur-
kanaal hebt gekozen dat wel beschikbaar is. U
kunt uiteraard ook een ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkhe-
den van de DAB-standaard.
Menusysteem
Hoofdmenu DAB
1. Selecteer groep (Ensemble)
2. Selecteer kanaal (Service)
3. Selecteer subkanaal (Subchannel)
4. DAB PTY
4.1. DAP PTY uit
4.2. Nieuws
4.3. Actualiteit
4.4. Informatie
4.5. Sport
4.6. Educatie
4.7. Drama
4.8. Kunst
4.9. Wetenschap
4.10. Praatprogramma’s
4.11. Popmuziek
4.12 Rockmuziek
4.13. Rustige muziek
4.14. Licht klassiek
4.15. Klassieke muziek
4.16. Overige muziek
4.17. Het weer
4.18. Economie
4.19 Kinderprogramma’s
4.20. Feitelijk
4.21. Religie
4.22. Doe mee!
4.23. Reizen
4.24. Vrije tijd
4.25. Jazz en blues
4.26. Countrymuziek
4.27. Nationale muziek
4.28. Gouwe Ouwe
4.29. Volksmuziek
4.30. Documentaires
5. Ensemble learn
6. DAB-instellingen
6.1. DAB-displayinstellingen
6.1.1. Groepsnaam
6.1.2. Groepsnaam en PTY
6.1.3. Basis
6.2. DAB naar DAB link
6.3. FM-verkeer
6.4. DAB-band selecteren
6.4.1. Band III
6.4.2. LBand
6.4.3. LBand & Band III
6.5. DAB resetten
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 146
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
Algemene informatie
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het info-
tainmentsysteem gebruikt worden.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv
1
kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kun-
nen de bestuurder en een eventuele voorpas-
sagier de radio of cd-speler blijven beluisteren.
Stroomverbruik, contactstanden
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is ter-
wijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
N.B.
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgescha-
keld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor start-
problemen vertoont.
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
Tv-overzicht
Druk op en kies TV I DVD I AUX TV
- instelling
MEDIA MENU.
Kanaaloverzicht
Voorkeur kijker
Kanaalzoeken Beheer van nieuwe
dragers
Carier toevoegen
Informatie over
carrier
Carrier wissen
Alle dragers wis-
sen
Automatisch zoe-
ken
Systeeminstellin-
gen
TV - instelling
Audiomodus
Fabrieksstan-
daard
Instelling tijdzone
CI-module Geen CAM inge-
stoken
Informatie CI-
module
Signaalsterkte
Systeeminstellingen TV
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen TV - instelling.
1
Tv is een optionele functie van het RSE-systeem.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 147
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Taal
Taal waarin de tv-
menu’s staan aan-
gegeven
Bijv. Engels
Beeldformaat 16:9
4:3
Automatisch
Modus (beeld-
schermstand)
Standaard
Zoom
Groot scherm
Gecentreerd
Audiomodus Rechts
Links
Tijd banner
De weergaveduur
van de menu’s is in
te stellen op
8–40 seconden.
Systeeminstellingen audiomodus
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Audiomodus.
De originele taal van een tv-programma kan
worden gewijzigd als het programma met
meerdere taalkanalen wordt uitgezonden.
Audio Audio - 1, bijv. ENG.
Audio - 2, bijv. GER.
Audiomodus Rechts
Links
Stereo
AC3
Systeeminstellingen fabrieksstandaard
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Fabrieksstandaard.
Hier kunt u de fabrieksinstellingen van het sys-
teem herstellen.
Systeeminstellingen instelling tijdzone
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Instelling tijdzone.
De plaatselijke programmatijden worden alleen
correct weergegeven, wanneer u de juiste tijd-
zone hebt ingesteld. De menu’s onder GUIDE,
INFO en de klok hangen af van de ingestelde
plaatselijke tijdzone.
Betaalkanalen
Om betaalkanalen te kunnen bekijken moet
een smartcard in een module worden geplaatst
die vervolgens in de digitale tv-ontvanger
wordt aangebracht.
G031509
De ontvanger zit achter het klepje links in de
kofferbak.
1. Open het klepje in de kofferbak. Het zit met
klittenband vast.
> De digitale tv-ontvanger wordt zicht-
baar.
2. Open het rubber klepje van de ontvanger.
3. Stop de smartcard in de module. Zorg dat
u de smartcard op de juiste manier in de
module aanbrengt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 148
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
4. Steek de module in de digitale tv-ontvan-
ger. Zorg dat u de module op de juiste
manier aanbrengt.
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” ver-
derop).
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vin-
den die u met de smartcard kunt bekijken.
1.
Druk op MEDIA MENU op de afstandsbe-
diening.
2.
Kies Kanaalzoeken
Automatisch
zoeken.
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op
.
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2-
formaat weergeven. Na aanschaf van een spe-
ciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eer-
der in dit boekje.
Muziek
Cd beluisteren
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
AUX zetten en op de toets
A B
van de
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
Map op de cd kiezen
1. Plaats de cd.
2.
Druk op .
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
4.
Druk op
om een submap te kiezen.
Verschillende afspeelmethoden
De cd is op verschillende manieren af te spe-
len. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
Bevestig uw keuze met
.
Andere cd-track
±
Kies een andere cd-track met
of
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
Pauze
1.
Met kunt u de cd-weergave pau-
zeren of voortzetten.
2.
Met
kunt u de cd-weergave beëin-
digen.
3.
Druk nogmaals op
om de cd uit te
werpen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 149
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
AUX-ingang, 12V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeld-
schermen, de draadloze koptelefoons, de uit-
gangen voor koptelefoons met een snoeraan-
sluiting en de luidsprekers van het audiosys-
teem.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
G030382
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder
aan de achterkant van de middenarmsteun.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12 V-
aansluiting als de apparatuur op 12 V
werkt.
Voor de positie van de elektrische aansluiting
(XXX). zie pagina 191
Systeem
Formaten die door het systeem worden onder-
steund.
Audio-
forma-
ten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Video-
forma-
ten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijf-
forma-
ten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
Geavanceerde systeeminstellingen
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wan-
neer de dvd-speler leeg is.
±
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP
COMPRESSION
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 150
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
TV TYPE
AUDIO
SUBTITLE
DEFAULTS
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
G031361
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
G031358
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accu-
spanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
Milieuzorg
Lege batterijen moet u op een milieuvriende-
lijke manier inzamelen!
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 151
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
04
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
G021364
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stap-
pen omhoog of omlaag draaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u deze melding eerst bevestigen
om naar de boordcomputerfunctie terug te
keren. U bevestigt door op READ te druk-
ken.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, als u de eenheid wilt wijzigen
waarin de afstand en de snelheid worden weer-
gegeven.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometer-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een miles-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Gem. snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op nul
hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stil-
staat, geeft het display “
----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming
1
en/of standver-
warming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “ --- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoe-
dig mogelijk.
1
Alleen dieselmodellen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 152
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1.
Selecteer
Gem. snelheid of Gemiddeld.
2.
Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste 3 secon-
den lang ingedrukt houdt, stelt u de gemid-
delde snelheid en het gemiddelde brand-
stofverbruik gelijktijdig op nul.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 153
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
04
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bediening
G029737
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Aan de onderkant van de achteruitkijkspiegel
(in het midden) zit een display waarop wordt
aangegeven in welke richting de voorkant van
de auto wijst. Er worden acht verschillende
richtingen met Engelse afkortingen weergege-
ven: N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE
(zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutel-
stand II actief is (zie pagina 72). Om het kom-
pas handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijk-
spiegel indrukken.
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurig-
heid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt
C op het display van de spiegel.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektri-
sche apparatuur (klimaatregeling, ontwase-
ming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoor-
beeld een paperclip), totdat de melding
C
opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden lang).
4.
Rijd op de normale manier weg.
C ver-
dwijnt van het display, wanneer de kalibra-
tie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode: Rijd lang-
zaam een rondje in de auto met een snel-
heid van hoogstens 8 km/h, totdat de
melding
C van het display verdwijnt om
aan te geven dat de kalibratie afgerond is.
Zone kiezen
G030295
Magnetische zones.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. De transpondersleutel moet daarbij in
stand II staan (zie pagina 72).
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ten minste 3 seconden
lang (met een paperclip of iets dergelijks)
ingedrukt. Het nummer van de actuele
geografische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
nummer van de gewenste geografische
zone ( 1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display de
kompasrichting weer aan.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 154
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
04
``
155
Algemene informatie over het DSTC
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen door-
slippen en verbetert de tractie van de auto.
Het systeem stemt de aandrijfkracht en rem-
kracht van elk van de wielen dusdanig af dat ze
niet doorslippen. Dit verhoogt de bestuurbaar-
heid en daarmee ook de veiligheid bij snelle
uitwijkmanoeuvres bijvoorbeeld.
De tractie wordt verbeterd doordat het sys-
teem de aandrijfkracht over de wielen verdeelt.
Het systeem grijpt voornamelijk in bij lage snel-
heden op slechte wegen.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u ver-
wacht.
Berichten op informatiedisplay
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de rem-
schijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist
Wegens een storing werd het systeem uitge-
schakeld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en zet de motor af. Bezoek een erkende Volvo-
werkplaats, als de melding opnieuw verschijnt
nadat u de motor weer hebt gestart.
Symbolen op instrumentenpaneel
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de symbolen
en gelijktijdig
oplichten.
Als alleen het symbool
oplicht, betekent
dat het volgende:
een knipperend symbool geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt;
een symbool dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
een symbool dat na het starten van de
motor of tijdens het rijden oplicht, duidt op
een storing in het systeem.
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een gro-
tere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkin-
gen meer gelden voor de tractie.
Bediening
G021409
1.
Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2.
Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu
DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het sys-
teem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 155
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
04
156
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijei-
genschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 156
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
Actief chassis (FOUR-C)*
Het actieve chassissysteem FOUR-C (Conti-
nuously Controlled Chassis Concept) stemt de
eigenschappen van de schokdempers af op de
gewenste rijeigenschappen van de auto. U
hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport
en Advanced.
Comfort
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan nor-
maal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewe-
gingen van het stuurwiel dan in de stand Com-
fort. De vering is stugger dan normaal en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle
bochtenwerk de mate van overhellen te beper-
ken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te acti-
veren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en mini-
male overhelling in bochten.
Bediening
G021410
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op lage snelheden is
de stuurbekrachtiging groter zodat bijvoor-
beeld parkeren minder moeite kost.
U kunt de mate van stuurbekrachtiging wijzi-
gen onder Instellingen van de auto
Stuurkrachtniveau. Voor een beschrijving van
het menusysteem (zie pagina 118).
Dit menu is niet te openen wanneer de auto
rijdt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 157
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
ACC gedeactiveerd*
04
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bediening
G021411
Display en bedieningstoetsen.
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop CRUISE . Het symbool op het
display licht op en de melding
(---) km/h
verschijnt om aan te geven dat de cruisecontrol
stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
de
of de , waarna de actuele snelheid
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens
(---) km/h veranderen
in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verho-
gen of verlagen door de knop
of korte of
lang in te drukken.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met het
gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
Deactiveren
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE of
door de motor af zetten. De ingestelde snelheid
wordt daarbij gewist.
Onderbreking
Druk op om de cruisecontrol te onderbre-
ken. De vastgelegde snelheid staat tussen
haakjes op het display (bijvoorbeeld
(100) km/
h
).
Automatische onderbreking
De cruisecontrol wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer de aangedreven wielen door-
slippen of als de snelheid bij het oprijden van
een steile helling daalt tot onder ca. 30 km/h.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang (ca.
60 seconden) bedient. De cruisecontrol gaat
dan stand-by en slaat de ingestelde snelheid
op.
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking
opnieuw geactiveerd worden door te drukken
op . Het systeem hervat dan de eerder inge-
stelde snelheid.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 158
henrikrosenqvist
100 km/h.
04 Comfort en rijplezier
ACC gedeactiveerd*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt her-
vat met
kan er een duidelijke snelheids-
verhoging optreden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 159
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeel-
ten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
WAARSCHUWING
U dient altijd rekening te houden met de
verkeersomstandigheden en in te grijpen,
wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstan-
digheden.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoorde-
lijk dat u de juiste afstand en snelheid aan-
houdt, ook als u gebruik maakt van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Functie
G021412
Functie-overzicht.
Waarschuwingslampje, afremmen nood-
zakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voertuig voor
u niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers en dieren. Het systeem rea-
geert evenmin op tegenliggers, op lang-
zaam rijdende voorliggers of stilstaande
voertuigen noch op vaste obstakels.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met een dikke laag water of sneeuwmodder,
vele bochten of op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt geme-
ten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is vol-
komen normaal dat de remmen enige geluiden
produceren, wanneer de adaptieve cruisecon-
trol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 160
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig voor
u registreert, wordt alleen de ingestelde snel-
heid aangehouden. Dit gebeurt ook als de snel-
heid van de voorligger de ingestelde snelheid
van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoor-
beeld het geval bij grote snelheidsverschillen of
als het voertuig dat voor u rijdt krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor is het
mogelijk dat er onverwachts of helemaal niet
wordt geremd (zie pagina 163).
De adaptieve cruisecontrol is alleen te active-
ren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adap-
tieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot de voorligger te kunnen. De hoogste snel-
heid die u kunt instellen is 200 km/h.
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecon-
trol bedraagt ca. 30 % van dat van het normale
remsysteem van de auto.
Als uw auto harder moet afremmen dan de
adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij,dan maakt de cruisecontrol u er middels
het waarschuwingslampje van de botswaar-
schuwing en een geluidssignaal attent op dat
u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsen-
sor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Bediening
G017350
Display en bedieningstoetsen.
Instellingen activeren en hervatten, snel-
heid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
Volgtijd instellen
Activeren en snelheid instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop
. Het symbool op het display
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 161
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
licht op en de tekens (---) verschijnen om aan
te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
de
of de , waarna de actuele snelheid
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens
(---) veranderen in de
ingestelde snelheid, bijvoorbeeld
100.
Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert, ver-
schijnt links op het display
een autosymbool. Alleen
wanneer dit symbool brandt,
wordt de afstand tot de voor-
ligger aangepast.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verho-
gen of verlagen door de knop , of lang
of kort in te drukken. De knop
heeft dezelfde
functie als
maar levert een minder grote
snelheidsverhoging op.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. In dat
geval verschijnt
ACC niet beschikbaar op
het display (zie pagina 165).
Volgtijd instellen
U kunt de ingestelde volgtijd tot een voorligger
vergroten met en verkleinen met .
U hebt de keuze uit vijf ver-
schillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergege-
ven – hoe meer streepjes, des
te korter de volgtijd (voor de
tabel (zie pagina 167)).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kun-
nen blijven volgen staat de adaptieve cruise-
control in bepaalde situaties aanzienlijke varia-
ties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbeho-
rende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de afstands-
controle geactiveerd is (zie pagina 167).
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheids-
verhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volg-
afstand in meters voor een bepaalde volg-
tijd.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op of actief ingrijpen van
uw kant zoals het bedienen van het rempedaal
wordt de adaptieve cruisecontrol gedeacti-
veerd. De ingestelde snelheid staat dan tussen
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 162
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
haakjes op het display bijvoorbeeld ( 100). U
kunt de ingestelde snelheid en volgtijd hervat-
ten met een druk op
.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol actief is,
wordt de ingestelde snelheid iedere keer dat u
op
drukt in stapjes van 1 km/h verhoogd.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt her-
vat met
kan er een duidelijke snelheids-
verhoging optreden.
Wanneer u kort indrukt in de stand-bystand
of lang indrukt in de actieve stand, wordt de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u
deze niet meer kunt hervatten.
Deactivering bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De
cruisecontrol gaat dan stand-by, waarna u de
snelheid van de auto zelf dient te regelen.
Wanneer u het gaspedaal korte tijd bedient
zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de
cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u
het gaspedaal loslaat, wordt de cruisecontrol
echter weer geactiveerd.
Automatisch deactiveren
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en trac-
tieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol auto-
matisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waar-
schuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding
ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wan-
neer:
de snelheid daalt tot onder 30 km/h;
de wielen hun grip op het wegdek verlie-
zen;
de remmen een hoge temperatuur hebben;
het toerental van de motor te laag wordt;
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door de
botswaarschuwing met automatische rem (zie
pagina 170) en de afstandscontrole (zie
pagina 167). De sensor dient om personen-
auto’s of grotere voertuigen te registreren die
in dezelfde richting als u rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het moge-
lijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monte-
ren.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigin-
gen de radarsensor afdekken;
N.B.
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of later reageren
op een voertuig dan u verwacht.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 163
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021414
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoor-
beeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blij-
ven.
In bochten kan de radarsensor op het ver-
keerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb.
verschijnt, worden de radar-
signalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en de botswaarschuwing met
automatische rem evenmin werken.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oor-
zaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 164
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
Oorzaak Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwar-
relende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan. Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
DSTC inschakelen voor
ACC
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd wanneer het stabiliteits en tractieregel-
systeem (DSTC) ingeschakeld is.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld.
U dient zelf uw snelheid aan te passen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 165
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool Melding Betekenis
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
de remmen een hoge temperatuur hebben;
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoor-
beeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor (zie pagina 163).
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 166
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
04
``
167
Algemene informatie
De afstandscontrole (Distance Alert) is een
functie die de volgtijd ten opzichte van de voor-
ligger aangeeft.
De afstandsinformatie wordt alleen verstrekt
voor voorliggers die in dezelfde richting rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde
richting rijden of stilstaan wordt geen afstands-
informatie gegeven.
G017362
Een deel van het op de voorruit geprojecteerde
rode waarschuwingslampje brandt continu, als
de afstand tot de voorligger kleiner wordt dan
de ingestelde volgtijd.
N.B.
Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt
gebruikt staat de afstandscontrole uit.
De afstandscontrole werkt bij snelheden hoger
dan 30 km/h.
WAARSCHUWING
De afstandscontrole geeft alleen de afstand
tot voorliggers aan en past de rijsnelheid
van de auto dan ook niet aan.
Bediening
G017371
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de func-
tie geactiveerd is.
Volgtijd instellen
Links op het stuurwiel zitten de knoppen waar-
mee u de volgtijd ten opzichte van voorliggers
instelt. U kunt de volgtijd verlengen met
en
verkorten met
.
U hebt de keuze uit vijf ver-
schillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergege-
ven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd.
Aantal streepjes Volgtijd (secon-
den)
1 1,0
2 1,4
3 1,8
4 2,2
5 2,6
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 167
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
04
168
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbeho-
rende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volg-
afstand in meters voor een bepaalde volg-
tijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 161).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandscontrole, adaptieve cruisecontrol
en botswaarschuwing maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan
(zie pagina 163).
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voor-
ruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken.
In slechte weersomstandigheden en op slinge-
rende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren. Ook
voorliggers met geringe afmetingen (zoals
motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
Dat kan betekenen dat het geprojecteerde
waarschuwingslampje pas bij kortere volgtij-
den oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Stel in dat geval een kortere volgtijd in of scha-
kel de functie tijdelijk uit.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 168
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
04
169
Symbool Melding Betekenis
Radar afgedekt. Zie
instructieb.
De afstandscontrole werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoor-
beeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
CWS-systeem Service ver-
eist
De afstandscontrole alsmede de botswaarschuwing met automatisch automatische rem werkt niet of
gedeeltelijk.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 169
henrikrosenqvist
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 163.
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
De botswaarschuwing met automatische rem
(Collision Warning with Auto Brake) is een hulp-
middel dat bestemd is om u te waarschuwen
wanneer het gevaar bestaat dat u op een (stil-
staande of rijdende) voorligger botst.
De botswaarschuwing kent drie hulpfuncties.
1. Botswaarschuwing
Waarschuwt voor een naderende botsing.
Helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke
situatie.
3. Automatische rem
Remt de auto automatisch af als een botsing
onvermijdelijk is. De automatische rem is alleen
bedoeld om de botssnelheid te verlagen en kan
een botsing dan ook niet voorkomen.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de botswaarschuwing over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
De botswaarschuwing werkt niet in alle rij-
situaties en verkeers-, weers- of wegom-
standigheden. De botswaarschuwing rea-
geert niet op tegenliggers noch op
voetgangers en dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In de onder-
deel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de botswaarschu-
wing met remassistent gebruikt.
De remassistent is alleen in staat de bots-
snelheid te beperken. Voor het maximale
remvermogen dient u echter zelf het rem-
pedaal te bedienen.
Wacht daarom nooit het waarschuwings-
signaal van de botswaarschuwing af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aan-
houdt, ook als u gebruik maakt van de bots-
waarschuwing.
Functie
G017382
Functie-overzicht.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Botswaarschuwing
De radarsensor registreert (stilstaande of rij-
dende) voorliggers. Bij gevaar voor een botsing
met een voorligger wordt u daarop attent
gemaakt met behulp van een rood waarschu-
wingslampje dat knippert en een waarschu-
wingszoemer.
De botswaarschuwing is actief bij een snelheid
vanaf 7 km/h.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 170
henrikrosenqvist
2. Remassistentie
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
Remassistentie
Als het gevaar voor een botsing na de bots-
waarschuwing verder toeneemt, treedt de
remassistent in werking. De remassistent treft
de nodige voorbereidingen voor een snelle
remmanoeuvre waarna de remmen licht wor-
den aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver
in.
Automatische rem
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt,
als een botsing onvermijdelijk is, de automati-
sche rem in werking zonder dat u daarvoor het
rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt
daarbij afgeremd om de botssnelheid te beper-
ken. Voor het maximale remvermogen dient u
zelf bij te remmen.
Bediening
Via een menusysteem op het display van de
middenconsole zijn eventuele instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem (zie pagina 118).
N.B.
De remassistent is altijd actief en kan niet
worden uitgeschakeld.
Aan en Uit
Doe het volgende om de botswaarschuwing in-
of uit te schakelen. Maak in het menu
Instellingen van de auto
Inst.
botswaarschuwing een keuze uit de opties
Aan en Uit.. Bij het starten van de motor geldt
automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te scha-
kelen worden de waarschuwingszoemer en het
waarschuwingslampje automatisch geacti-
veerd.
De waarschuwingszoemer is apart te active-
ren/deactiveren via de opties Aan en Uit onder
Instellingen van de auto
Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsgeluid.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waar-
bij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
Kies uit de opties
Lang, Normaal of Kort
onder Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waar-
schuwingsafstand
Lang wordt eerder gewaar-
schuwd. Ga altijd uit van de instelling
Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschu-
wingen leidt (wat in bepaalde situaties als hin-
derlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand
Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschu-
wingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecon-
trol gehanteerd, ook al hebt u de botswaar-
schuwing gedeactiveerd.
De botswaarschuwing waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de bots-
waarschuwing dient u de afstandscontrole
altijd in te stellen op volgtijd 4–5 (zie
pagina 167).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 171
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op
Lang, kunnen de waarschu-
wingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheids-
verschil groot is of als uw voorligger sterk
afremt).
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Open het
menu en ga naar Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing (zie pagina 118).
Beperkingen
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voor-
ruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waar-
schuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bij-
voorbeeld door de felle zon te hoog is opge-
lopen. Als dit gebeurt, wordt er een waar-
schuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
Waarschuwingen kunnen eveneens uit-
blijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuur-
en pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins proble-
men heeft voorliggers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
Bij hoge rijsnelheden (meer dan 70 km/h) is
het bereik waarbinnen de sensoren lang-
zaam rijdende of stilstaande voorliggers
kunnen registreren beperkt, waardoor er
minder efficiënt of helemaal niet voor der-
gelijke voertuigen wordt gewaarschuwd.
In het donker wordt er mogelijk niet gewaar-
schuwd voor langzaam rijdende of stil-
staande voorliggers.
De botswaarschuwing maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan (zie
pagina 163).
Wanneer het systeem geen of pas laat waar-
schuwingen afgeeft, treedt de remassistent
mogelijk niet of pas laat in werking.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het sys-
teem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties botswaarschuwing
met automatische rem, Driver Alert Control (zie
pagina 176) en Lane Departure Warning (zie
pagina 179).
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 172
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In der-
gelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkin-
gen ondervinden of helemaal uitgeschakeld
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde- of beijzelde wegen, verontrei-
nigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen te ontdekken.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de
auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies botswaarschuwing met auto-
matische rem, Lane Departure Warning en Dri-
ver Alert Control.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oor-
zaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak Maatregel
Het voorruitopper-
vlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruit-
oppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak Maatregel
Het voorruitopper-
vlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats
om de binnenkant
van de voorruit ach-
ter de camerabehui-
zing te laten schoon-
maken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 173
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
CWS-systeem UIT
De botswaarschuwing is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk de botswaarschuwing te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
Remassistent geactiveerd
De automatische rem was actief.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 172).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 174
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
Symbool Melding Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De botswaarschuwing en de automatische rem werken tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoor-
beeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
CWS-systeem Service ver-
eist
De botswaarschuwing met automatische rem werkt niet of gedeeltelijk.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 175
henrikrosenqvist
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 163.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
04
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inleiding
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rij-
strookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfunc-
ties die allebei tegelijk of ieder apart in te scha-
kelen zijn:
Driver Alert Control (DAC)
Lane Departure Warning (LDW), zie
pagina 179.
Een ingeschakelde functie wordt pas daad-
werkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderschei-
den.
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoor-
delijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
G017332
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmar-
keringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een onge-
controleerde manier volgt.
N.B.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 172).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opko-
mende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, onge-
acht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschu-
wen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
gebruik van de functie LDW;
zijdelingse rukwinden;
spoorvorming in het wegdek.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 176
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
Bediening
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem (zie pagina 118).
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de lin-
ker stuurhendel.
G017329
Duimwiel. Draai aan het duimwiel totdat D
river Alert
op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties
Uit, Niet
beschikbaar
of Niveaumarkering.
Knop READ. Bevestigt en wist een opge-
slagen waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Driver Alert. Kies de optie Aan.
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief zolang de snelheid boven de
60 km/h ligt. Op het display staat een
niveaumarkering in de vorm van 1–5 balkjes,
waarbij een klein aantal balkjes voor ongecon-
troleerd rijgedrag staat. Omgekeerd geldt dat
een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag
staat.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding
Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kan inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het ver-
keer als rijden onder invloed.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert niet beschik-
baar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor
(zie pagina 172).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 177
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
04
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool Melding Betekenis
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag; u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een display-
melding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 172).
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 178
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
G017394
De functie is bedoeld om het gevaar te beper-
ken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetko-
mend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
Bediening en functie
G017426
U schakelt de functie in en uit met de bijbeho-
rende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat, verschijnt
op het boordcomputerdisplay de melding
Lane Depart Warn niet beschikbaar.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert of als de rijsnel-
heid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de
functie de stand-bystand weer in en verschijnt
opnieuw de melding
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
bij gebruik van de richtingaanwijzers,
1
bij snelle bediening van het gaspedaal,
1
bij snelle stuurbewegingen,
1
bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie (zie pagina 172).
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markerings-
streep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarke-
ring blijft rijden.
1
Wanneer gekozen is voor Verhoogde gevoeligheid wordt echter wel een waarschuwing gegeven (zie Persoonlijke instellingen).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 179
henrikrosenqvist
bij bediening van het rempedaal ,
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
04
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
Lane departure warning
AAN/UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor
(zie pagina 172).
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 172).
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 180
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
Persoonlijke instellingen
Gebruik van het menusysteem van het display
op de middenconsole om Instellingen van de
auto
Lane departure warning op te zoe-
ken. Kies de gewenste optie (zie pagina 118).
Aan bij starten: Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiesta-
tus bij het afzetten van de motor bepalend.
Verhoogde gevoeligheid: Wanneer u voor
deze optie kiest verhoogt u de gevoeligheid
van het systeem, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 181
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
04
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
1
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het audiodisplay geven de afstand aan tot een
waargenomen obstakel.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Functie
G021417
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangege-
ven door het brandende lampje in de Aan/Uit-
knop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Op het display van de middenconsole ver-
schijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een even-
tueel obstakel.
Markeringsbalkjes geven aan welke van de vier
sensoren een obstakel heeft waargenomen. De
markeringsbalkjes zijn langer naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Active
Active
Active
1
2
3
G025643
Displayweergave in verschillende situaties
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde. Beide senso-
ren aan de rechterzijde hebben een obsta-
kel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met senso-
ren aan voor- en achterzijde. De sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargeno-
men op een afstand van 30 cm of kleiner.
Displayweergave bij een auto met senso-
ren aan voor- en achterzijde. De achteruit-
versnelling is ingeschakeld en er zijn geen
1
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 182
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
obstakels voor of achter de auto waarge-
nomen.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluids-
signaal uit een ononderbroken toon en ver-
schijnt een markeringsbalkje van maximale
lengte (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als
achter de auto obstakels binnen deze afstand
zijn waargenomen, komen de geluidssignalen
beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en
rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
G021423
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geacti-
veerd bij het inschakelen van de achteruitver-
snelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger/fietsdrager.
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uit-
geschakeld, wanneer u een aanhanger ach-
ter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
Park Assist aan de voorzijde
G021424
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidspreker voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snel-
heden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt. Bij
hogere snelheden wordt het systeem gedeac-
tiveerd. Het lampje in de knop blijft echter bran-
den om aan te geven dat het systeem een
volgende keer dat u de auto parkeert opnieuw
actief is. Het systeem wordt opnieuw geacti-
veerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
N.B.
De Hulp bij parkeren aan de voorzijde wordt
uitgeschakeld bij het aanzetten van de par-
keerrem.
BELANGRIJK
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding
Park Assist Service vereist ver-
schijnt, dan is Park Assist defect.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 183
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
04
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de par-
keerhulp ten onrechte waarschuwingssig-
nalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssig-
nalen van dezelfde frequentie als de senso-
ren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Sensoren schoonmaken
G028933
Positie van de voorste sensoren.
G021425
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren, wan-
neer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waar-
schuwingssignalen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 184
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
Algemene informatie over BLIS
G021426
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wan-
neer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvo-
werkplaats.
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuur-
der moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd ver-
antwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een con-
trolelampje
op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt inge-
haald, gaan dan ook beide lampjes bran-
den.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het con-
trolelampje voor BLIS en verschijnt er een mel-
ding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met
een druk op de knop BLIS (zie pagina 186).
Dode hoeken
G021427
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 185
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
04
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Activeren/deactiveren
G021428
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor auto-
matisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor kunt u het systeem
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpa-
neel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe display-
melding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwij-
nen. Voor meer informatie over de meldings-
functies (zie pagina 121).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
het snelheidsverschil tussen u en het inge-
haalde voertuig kleiner is dan 10 km/h;
het snelheidsverschil tussen u en het inha-
lende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe lei-
den dat BLIS geen voertuigen in dit afge-
schermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de con-
touren van omringende voertuigen. Het sys-
teem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motor-
fietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplam-
pen van omringende voertuigen. Als een voer-
tuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waar-
nemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoor-
beeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervin-
den van de aanwezigheid van felle licht-
bronnen of juist de afwezigheid van licht-
bronnen (wegenverlichting of voertuigver-
lichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een display-
melding op het informatiedisplay.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 187). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 186
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de len-
zen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Displaymeldingen
Melding Betekenis
BLIS AAN
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS Service ver-
eist
Het BLIS-systeem is
defect.
Neem contact op
met een erkende
Volvo-werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs. Maak
de lenzen schoon.
Melding Betekenis
BLIS Beperkte
functie
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
BLIS UIT
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplich-
ten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem ver-
schijnt op het display de melding
BLIS
Service vereist
.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
G021430
Reflecties op een glad en nat wegdek
G021431
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 187
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
04
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021432
Laag staande zon in de camera
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 188
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
``
189
Opbergmogelijkheden
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 189
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voor-
stoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Bekerhouder* in armsteun, achterin
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Middenconsole
G023985
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
AUX-ingang onder de armsteun (en afleg-
vak*).
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier alsmede een 12V-
aansluiting en een opbergvakje. (Als u voor
een asbak en aansteker hebt gekozen, zit
er een aansteker op de plaats van de 12V-
aansluiting en een uitneembare asbak op
de plaats van het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole kunt u legen
door de asbak recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aan-
steker uit de opening en gebruik het roodgloei-
ende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Dashboardkastje
G024206
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnen-
kant van de klep zit een houders voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad (zie pagina 44).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 190
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaar-
digd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurders-
stoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Make-upspiegel
G021438
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
12V-aansluiting
G021439
12V-aansluiting in middenconsole, voorin
G021440
12V-aansluiting in middenconsole, achterin
U kunt de elektrische aansluiting voor verschil-
lende accessoires gebruiken die op een span-
ning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. De transpondersleutel
moet ten minste in stand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom (zie pagina 72).
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Elektrische aansluiting in kofferbak*
G021442
Open het klepje om bij de elektrische aanslui-
ting te komen. De aansluiting werkt onafhan-
kelijk van de stand van het contactslot.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 191
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
192
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer de motor is afgezet. Als u de aan-
sluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 192
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort – Executive
04
193
Koelkast
G021857
De koelkast zit achter de middenarmsteun van
de achterbank en heeft een inhoud van
11,5 liter. De koelkast wordt in- en uitgescha-
keld met het starten en afzetten van de motor.
De koelkast werkt ook in transpondersleutel-
stand II.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelkast bewaart en zorg dat de koel-
kastdeurtje dicht blijft tijdens het rijden.
N.B.
Voor de optimale werking van de koelkast is
een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
Breng daarom geen bagage in de kofferbak
aan binnen een straal van 5 cm rond de
luchtinlaat voor de koelkast.
Kofferbakmat
G021858
N.B.
Bij auto’s met een koelkast dient u de ach-
terbank iets naar voren toe te klappen, voor-
dat u de kofferbakmat kunt verwijderen.
Klap de ruggedeelten om door aan de hand-
grepen te trekken (zie pagina 76).
Glazen
G021859
Onder het deksel van de armsteun zit een
opbergvak voor twee glazen en een flesopener.
WAARSCHUWING
Bewaar de glazen in het opbergvak of in de
bekerhouders en zorg dat het deksel van de
armsteun dicht blijft tijdens het rijden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 193
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
G021443
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
Middenconsole
Bluetooth
TM
Een mobiele telefoon met Bluetooth
TM
is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangeslo-
ten is of niet.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Voor informatie over de
telefoons die compatibel zijn kunt u terecht
bij de erkende Volvo-werkplaats en
www.volvocars.com.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
G021444
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Cijfer- en lettertoetsen
PHONE – Aan/uit en stand-by
Navigatietoets
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middencon-
sole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties (zie
pagina 118).
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfree-
functie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aange-
sloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 194
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aan-
sluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via Bluetooth
TM
(zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
>
De menu-optie
Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weer-
gegeven.
3.
Kies
Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons ver-
schijnen met hun Bluetooth
TM
-naam op
het display. De handsfree-functie ver-
schijnt onder de Bluetooth
TM
-naam My
Car
op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te regis-
treren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2.
Zoek met de Bluetooth
TM
-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3.
Kies
My Car in de lijst met gevonden een-
heden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5.
Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregis-
treerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding
Bezig met
synchr.
op het display staat. Voor meer infor-
matie over het registreren van mobiele tele-
foons (zie pagina 197).
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
Bluetooth
TM
-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1.
Controleer of de melding
TELEFOON
boven aan het display staat en of het sym-
bool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 197).
3.
Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losge-
koppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting (zie pagina 197).
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfree-
functie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier
1
.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
1
Alleen Keyless drive
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 195
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ten via de ingebouwde microfoon en luidspre-
ker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toet-
senblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beant-
woorden.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
Gesprek naar mobiel – Gesprek door-
schakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volko-
men normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aan-
sluiten.
Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuur-
wiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosys-
teem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosys-
teem echter tijdens een lopend telefoonge-
sprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume
Beltoonvolume en stel bij met /
van de navigatietoets.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 196
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele tele-
foon nog altijd hoorbaar.
Ga om de beltonen
2
van de aangesloten tele-
foon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel..
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons wor-
den geregistreerd. U hoeft een mobiele tele-
foon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeer-
baar te zijn. U kunt slechts één mobiele tele-
foon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de
registratie van een telefoon te verwijderen
onder Bluetooth Telefoon verwijderen.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosys-
teem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt over-
schakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2.
Druk op PHONE en kies een van de tele-
foons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusys-
teem onder Bluetooth Telefoon
aansluiten of
Telefoon wijzigen.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding
TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregi-
streerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audio-
systeem gekopieerd.
±
U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen
Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contacten
werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoon-
boek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding
Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
2
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 197
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gege-
vens in het telefoonboek zoeken door de knop-
pen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/ van de navigatietoets of met /
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoek-
opdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherken-
ningsfunctie (voice tags) van de mobiele tele-
foon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk ver-
volgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopi-
eerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volg-
orde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navol-
gende tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/ van de navigatietoets om de verschil-
lende tekens te doorlopen.
Toets Functie
Spatie . 1 - ? ! , : " ' ( )
A B C 2 Ä Å À Æ Ç
D E F 3 È É
G H I 4 Ì
J K L 5
M N O 6 Ñ Ö Ò Ø
P Q R S 7 ß
T U V 8 Ü Ù
W X Y Z 9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+ 0 @ * # & $ £ / %
Wisselen tussen hoofdletters en
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 198
henrikrosenqvist
kleine letters.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
Algemene informatie
G021446
Systeemoverzicht.
Microfoon
Simkaartlezer
Toetsenset (zie pagina 135)
Bedieningspaneel
Privacy-handset
Veiligheid
Laat reparatiewerkzaamheden aan het tele-
foonsysteem over aan een erkende Volvo-
werkplaats. Schakel de geïntegreerde telefoon
uit tijdens het tanken en in gebieden waar met
explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de
rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies
van het menusysteem (zie pagina 201).
Beknopte bedieningsinstructies
Simkaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Voor het aan-
brengen ervan (zie pagina 202). Ook zonder
een simkaart is het mogelijk het alarmnummer
te bellen.
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen sim-
kaart van het type 3G lezen. Een gecombi-
neerde simkaart voor 3G én gsm werkt
echter wel. Informeer bij uw netwerkprovi-
der of de simkaart moet worden vervangen.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties via het bedienings-
paneel en de toetsenset op het stuur-
wiel. Voor algemene informatie over de menu-
functies (zie pagina 118). Voor informatie over
de bedieningstoetsen van de telefoon (zie
pagina 194).
Aan/uit
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon inge-
schakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst
TELEFOON geeft aan dat het telefoon-
menu actief is.
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
Gespreksfuncties
Bellen
1. Schakel de telefoon in.
2.
Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 200).
4.
Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de hand-
set op.
Inkomend gesprek
Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem
de handset op. Als de handset bij een inko-
mend gesprek niet op de houder ligt, dient u
het gesprek aan te nemen met ENTER.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 199
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de hand-
set op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Zie pagina 196.
Wisselgesprek
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aan-
dienen.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
Tijdens lopende gesprekken
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bellen
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menu-
optie Verwisselen.
Tel. vergadering
Bij een conferentiegesprek (telefonische ver-
gadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menu-
optie Deelnemen start u het conferentiege-
sprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor
Handset te kiezen in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
Ruggespraakstand
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd (zie pagina 199).
±
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvo-
lume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
±
Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina137.
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deac-
tiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen
Geluiden en volume
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 200
henrikrosenqvist
Tel.-gespreksvol.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
Beltoonvolume. Stel bij met / van de
navigatietoets.
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
Contacten vastleggen in telefoonboek
1.
Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
2.
Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
3.
Voer een nummer in en druk op ENTER.
4.
Ga naar
SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 198.
Contacten zoeken
Zie pagina 198.
Contacten verwijderen
U kunt een contact uit het telefoonboek ver-
wijderen door de naam van de persoon te mar-
keren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens
naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek
SIM wissen of Telefoon
wissen
.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
Zie pagina 198.
Overige functies en instellingen
IDIS
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inko-
mende telefoongesprekken pas na enige ver-
traging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het ver-
keer houden.
±
IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Berichten lezen
1.
Ga naar Berichten Lezen en druk op
ENTER.
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Berichten schrijven en verzenden
1.
Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
2.
Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst (zie
pagina 198).
3.
Ga naar
Verzenden en druk op ENTER.
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
Berichtinstellingen
De berichtinstellingen hoeft u normaal gespro-
ken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instel-
lingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
SMSC-nummer - Geeft het nummer van
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewa-
ren.
Type bericht.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 201
henrikrosenqvist
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
±
Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen tele-
foonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het num-
mer op het display te zien. Noteer dit num-
mer en bewaar het op een veilige plaats.
Netwerkselectie
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Code en beveiliging simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen
SIM-beveiliging.
De optie
Aan levert het hoogste beveiligings-
niveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoe-
ren.
De optie Automatisch is het op een na hoog-
ste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inscha-
kelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
De optie Uit staat voor het laagste beveili-
gingsniveau. De simkaart is dan helemaal zon-
der code te gebruiken.
Fabrieksinstellingen herstellen
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen
Reset Telefooninst.
Simkaart aanbrengen
G021450
G021451
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 202
henrikrosenqvist
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek
de simkaarthouder uit het dashboardkastje
tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laag metaal
omhoog
in de simkaarthouder en breng
de behuizing van de simkaarthouder
aan. Plaats de simkaarthouder terug.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 203
henrikrosenqvist
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijadviezen............................................................................................ 206
Tanken.................................................................................................. 208
Brandstof.............................................................................................. 209
Lading vervoeren.................................................................................. 213
Kofferbak .............................................................................................. 214
Gevarendriehoek*.................................................................................. 216
Rijden met een aanhanger.................................................................... 217
Slepen en bergen.................................................................................. 222
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 204
henrikrosenqvist
05
TIJDENS HET RIJDEN
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 205
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
05
206
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat u
anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snel-
heid afstemt op de verkeerssituatie (Voor meer
tips om het milieu te sparen (zie pagina 10)).
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuw-
vrije wegen.
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
Gebruik bij koud weer de standverwar-
ming* zodat de motor sneller op tempera-
tuur komt.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maxi-
mumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voor-
zichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
werking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de rem-
werking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische
storingen te voorkomen.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De sme-
rende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde syste-
men minder lang meegaan.
Probeer de motor na afslag in een water-
partij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een erkende Volvo-
werkplaats. Kans op motorschade.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Doe het vol-
gende om te voorkomen dat de motor over-
verhit raakt:
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stati-
onair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Verwijder verstralers die voor de grille zit-
ten tijdens ritten bij extreem warm weer.
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij die-
selmotoren), wanneer u met een aanhan-
ger of caravan achter de auto in heuvel-
achtig gebied rijdt. De olietemperatuur kan
te hoog oplopen.
Geopend kofferdeksel
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 206
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
05
207
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de koffer-
bak de passagiersruimte in worden gezo-
gen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat het contact-
slot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer u de motor hebt afgezet. Gebruik lie-
ver stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrisch systeem belasten. Scha-
kel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
stadslichten
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparings-
functie schakelt bepaalde onderdelen/syste-
men uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de ventilator lager te zetten
en het audiosysteem uit te schakelen. U laadt
de accu op door de motor te starten.
Voorbereidingen bij lange reizen
Controleer of de motor naar behoren func-
tioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
In sommige landen bent u wettelijk ver-
plicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
de koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50 % glycol bevatten. Bij een der-
gelijke concentratie is de motor
beschermd tot ca. –35 °C. Voor optimale
bescherming tegen vorst is het zaak geen
verschillende soorten glycol met elkaar te
mengen.
Houd de tank altijd goed gevuld om con-
dens in de brandstoftank tegen te gaan.
De viscositeit van de motorolie is belang-
rijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af. Voor meer infor-
matie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 282).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeits-
aanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
Giet ruitensproeiervloeistof in het sproei-
ervloeistofreservoir om ijsvorming te voor-
komen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van win-
terbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 207
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Tanken
05
208
Tanken
Tankvulklep openen/sluiten
G021459
Open de tankvulklep met de knop op het ver-
lichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter
achterspatbord, zoals de pijl in het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Tankdop open-/dichtdraaien
WARNING!
AVERTISSEMENT!
ACHTUNG!
G021395
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstof-
tank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klik-
ken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlo-
pen.
Tankvulklep handmatig openen
G024631
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Open het zijluikje in de kofferbak (aan de
kant van de tankvulklep).
Zoek de groene kabel met handgreep op.
Trek de kabel recht naar achteren totdat de
tankvulklep met een duidelijke klik wordt
geopend.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 208
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
``
209
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorver-
mogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water en
roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standver-
warming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brand-
stofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Het gebruik van andere brandstoffen dan
Volvo adviseert voor de verschillende
motortypes kan aanleiding geven tot motor-
schade en slechtere prestaties.
Bij het gebruik van andere brandstoffen ver-
vallen tevens de Volvo-garanties en even-
tuele aanvullende onderhoudsovereenkom-
sten.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstof-
kwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm NEN-
EN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
95 RON is te gebruiken in normale rijom-
standigheden.
98 RON wordt geadviseerd voor een maxi-
maal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebrui-
ken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorko-
men.
Giet nooit alcohol bij de benzine, omdat
het brandstofsysteem daardoor schade
kan oplopen en de Volvo-garantie ver-
valt.
Giet geen additieven (dopes) in de ben-
zine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 209
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
210
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaat-
gassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regel-
systeem dat tot taak heeft de uitstoot te beper-
ken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofge-
halte van de uitlaatgassen die de motor verla-
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische sys-
teem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (kool-
waterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Bio-ethanol (E 85)
Breng geen wijzigingen aan in het brandstof-
systeem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speci-
aal geconstrueerd zijn voor gebruik in combi-
natie met bio-ethanol.
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toege-
staan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine
(zie pagina 100).
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NEN-
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaat-
schappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlok-
vorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 210
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende diesel-
olie-achtige brandstoffen:
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
RME
1
(koolzaadmethylester) of plant-
aardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aan-
leiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ont-
lucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II (zie pagina 72) staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aan-
leiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswa-
ter aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wan-
neer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijde-
ren het verzamelde vocht uit het brandstof-
filter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreini-
ging mogelijk is. Onder normale rijomstandig-
heden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgas-
sen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur heb-
ben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregene-
reerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snel-
heid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stij-
gen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregene-
reerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeel-
tjes gevuld is, licht de oranje waarschuwings-
driehoek op het instrumentenpaneel op en
verschijnt de melding
Roetfilter vol Zie
instructieb.
op het display van het instrumen-
tenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op tempera-
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startpro-
blemen. Het filter is dan onbruikbaar gewor-
den. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
1
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 211
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
212
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de ver-
bruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoi-
res het gewicht van de auto verhogen. Zie de
tabel op pagina 287.
Ook de rijstijl en andere niet-technische facto-
ren kunnen van invloed zijn op het brandstof-
verbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstof-
kwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 212
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
05
213
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van wat er op
de auto gemonteerd is, zoals een trekhaak,
lasdragers of een skibox. De laadcapaciteit van
de auto moet tevens worden verminderd met
het gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in kofferbak
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen. Wan-
neer u met de lange bagage tegen de versnel-
lingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto
in beweging komen.
U kunt het kofferdeksel openen met
de knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel (zie pagina 53).
Plaats de bagage stevig tegen de rugleu-
ning van de stoel ervoor.
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
Zet alle bagage met riemen of bevesti-
gingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale bot-
sing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
WAARSCHUWING
Als de lading boven de ruggedeelten uit-
steekt, biedt het opblaasgordijn dat schuil-
gaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer of slechts in
beperkte mate. Zorg dat de lading nooit
boven de ruggedeelten uitsteekt. Bij krach-
tig remmen kan de bagage namelijk gaan
schuiven en inzittenden verwonden.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de achterbank (zie
pagina 76).
Verankeringsogen
G021462
De inklapbare verankeringsogen in de koffer-
bak gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken. Maak grote en zware voorwer-
pen altijd vast met een van de veiligheids-
gordels of een bagageband.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 213
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Kofferbak
05
214
Houder voor boodschappentassen
G021463
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de kofferbak verspreiden.
1. Open het luik dat deel uitmaakt van de
vloer in de kofferbak.
2. Zet de boodschappentassen met de span-
band vast.
Doorsteekluik
U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om
lange en smalle voorwerpen te vervoeren.
G021478G021479
G021480
Klap het rechter ruggedeelte naar voren
toe om.
Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte
van de achterbank door de grendel
omhoog te duwen en duw tegelijkertijd het
luikje naar voren toe open.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luikje open.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïnte-
greerd kinderzitje*, dan dient u dit eerst uit
te klappen.
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 214
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Kofferbak
05
215
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders
aanwezig dat u met de bagage tegen de
versnellingspook/keuzehendel aankomt en
de auto daarmee in beweging zet.
Luik achter geïntegreerd kinderzitje
Het luik zit niet met scharnieren in het rugge-
deelte vast, maar is in zijn geheel te verwijde-
ren.
Luikje verwijderen
Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld,
met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden
en trek het luikje recht omhoog.
Luikje aanbrengen
Plaats het luikje terug in de groeven achter de
bekleding en sluit het luikje.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen (zie pagina 74).
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdra-
gers worden geleverd nauwkeurig op.
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
Verdeel het gewicht van de lading gelijk-
matig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
Naarmate u meer lading op het dak ver-
voert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak ver-
schuift het zwaartepunt en treden er wijzi-
gingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox (zie pagina 277).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 215
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Gevarendriehoek*
05
216
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G015351
G015352G015353
De gevarendriehoek is met twee clips aan de
binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
Haal de houder met de gevarendriehoek
los door de twee kliksluitingen naar buiten
te trekken.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendrie-
hoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendrie-
hoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waar-
schuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
EHBO-set*
In de kofferbak ligt een EHBO-set.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 216
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
05
``
217
Algemene informatie
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
Bij montage achteraf moet u contact opne-
men met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhan-
ger te kunnen rijden.
Verdeel de lading in de aanhanger dusda-
nig dat de druk op de trekhaak de maxi-
male kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de aan-
bevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel
(zie pagina 264).
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel van tijd tot tijd in.
Rijd niet met een zware aanhanger, wan-
neer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit
raken. Als de temperatuur in het koelsys-
teem van de motor te hoog oploopt, gaat
het waarschuwingslampje branden en ver-
schijnt op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m..
Breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen. Als de melding
Motortemp.
hoog Zet motor af
of Koelvl.peil laag
Zet motor af
verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de motor
af te zetten.
De automatische versnellingsbak is voor-
zien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de
temperatuur in de versnellingsbak te hoog
oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt op het informatie-
display de melding
Versn.bak heet Rijd
langzamer
of Versn.bak heet Stop auto
z.s.m.
. Volg in dat geval het advies op en
matig uw snelheid of breng de auto op een
veilige plek tot stilstand om de motor
enkele minuten stationair te laten lopen
zodat de versnellingsbak kan afkoelen. Bij
oververhitting is het mogelijk dat de air-
conditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elek-
trisch contact heeft en de aanhanger een 7-
polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adap-
terkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool op het instrumentenpaneel knip-
pert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt
met een aanhanger achter de auto. Als het
symbool sneller knippert dan normaal is een
van de richtingaanwijzers op de auto of op de
aanhangwagen kapot (zie pagina 66).
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Activeer de parkeerrem.
2.
Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
1.
Zet de keuzehendel in stand D.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 217
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
05
218
2. Los de parkeerrem.
Steile hellingen
Schakel geen hogere, handmatige versnel-
ling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schok-
dempers tijdens het rijden altijd dezelfde rij-
hoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt over-
schreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
Aanhangergewichten
Let erop dat er op grond van de wetgeving voor
motorvoertuigen in uw land verdere beperkin-
gen van het aanhangergewicht en de snelheid
kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat
de trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare aan-
hangergewicht van de auto. Voor het maximaal
toelaatbare aanhangergewicht dat Volvo han-
teert (zie pagina 277).
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuur-
baar worden tijdens uitwijk- en remmanoeu-
vres.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorg-
vuldig worden opgevolgd (zie pagina 219).
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleu-
tel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden inge-
vet.
Kogelsegment opbergen
G031121
Opbergruimte kogelsegment
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbeho-
rende riem.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 218
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
05
``
219
Specificaties
G021485G021483
G021484
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
1 1127
2 93
3 855
4 428
5 112
6 360
7 Langsligger
8 Middelpunt kogel
Kogelsegment aanbrengen
G018928
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021487
Controleer of het mechanisme in de ont-
grendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 219
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
05
220
G021488
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
G021490
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G000000
Draai de sleutel linksom naar de vergren-
delde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021494
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhan-
gerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 220
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
05
221
G021495
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Kogelsegment verwijderen
G021496
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
G021497
Druk de vergrendelingsknop in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
G021498
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast, wan-
neer u het in de auto bewaart (zie
pagina 218).
G018929
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 221
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
05
222
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor sle-
pen.
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot om het stuurslot op te heffen zodat
de auto bestuurbaar wordt (zie pagina 99).
2. Laat de transpondersleutel tijdens het sle-
pen in het contactslot zitten.
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om het
stuurslot op te heffen (zodat de auto
bestuurbaar wordt).
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. Het contactslot moet in
stand II staan. Neem de transpondersleutel
nooit tijdens het rijden of slepen uit het con-
tactslot.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachti-
ging werken niet wanneer de motor uitge-
schakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig weg-
sleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnel-
lingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km ver-
slepen.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontla-
den is dat de motor niet kan worden gestart
(zie pagina 102).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het sleep-
oog in de opening aan de rechterzijde van de
voor- of achterbumper.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats het
terug in de kofferbak.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 222
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
05
223
Sleepoog monteren
G021500
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
G021501
Maak de onderkant van de afdekking in de
bumper los met een schroevendraaier of
een muntstuk. Schroef het sleepoog stevig
tot aan de flens vast. Gebruik de wielsleutel
om het sleepoog vast te draaien.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de ach-
terste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogel-
segment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig weg-
sleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het sle-
pen over de weg en niet geschikt voor ber-
ging. Roep professionele hulp in voor ber-
ging.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 223
henrikrosenqvist
G020922
224
Motorruimte........................................................................................... 226
Gloeilampen.......................................................................................... 232
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... 239
Accu...................................................................................................... 241
Zekeringen............................................................................................ 244
Wielen en banden................................................................................. 253
Verzorging............................................................................................. 269
Type-aanduidingen............................................................................... 274
Specificaties.......................................................................................... 276
Typegoedkeuring.................................................................................. 289
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 224
henrikrosenqvist
06
ONDERHOUD EN SPECIFICATIES
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 225
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
226
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaat-
sen beschikken over het personeel, het speci-
ale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke service-
kwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de aanwij-
zingen opvolgt.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automa-
tisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Motorkap openen en sluiten
G021502G010951
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Haal de borghaak naar links om de motor-
kap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte, overzicht
G018945
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloei-
stof
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 226
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
``
227
Peilstok voor motorolie
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ont-
stekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet de
transpondersleutel daarom altijd in stand 0
bij werkzaamheden in de motorruimte (zie
pagina 72).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
G021733
Sticker met oliekwaliteit.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
(zie pagina 280).
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecifi-
ceerde service-intervallen te voldoen wor-
den alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brand-
stofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kun-
nen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwa-
liteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstof-
verbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motor-
oliesoort die niet voldoet aan de voorge-
schreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssym-
bool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn
beide systemen aanwezig. Neem voor meer
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 227
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
228
informatie contact op met een erkende Volvo-
werkplaats.
Vulopening en peilstok
G021734
Benzinemotor.
G021736
Dieselmotor.
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Gebruik voor het bijvullen van olie een olie-
soort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 280).
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ver-
verst.
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
G021737
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet
de motor af en wacht ten minste
10 tot 15 minuten zodat de olie weer kan terug-
lopen in het oliecarter. Voor de bij te vullen
hoeveelheid (zie pagina 280 en verder).
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het peil met de peilstok. De olie
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
3.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 228
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
``
229
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil controleren bij een
warmgelopen motor
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
3.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Koelvloeistof
Koelvloeistof controleren en bijvullen
G021738
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloei-
stof en water afstemt op de heersende weers-
omstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is. Voor de hoeveelheden (zie
pagina 283).
BELANGRIJK
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
Leng de koelvloeistof aan met leiding-
water van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koel-
systeemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloei-
stof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De tempera-
turen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 229
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
230
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit (zie pagina 283).
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ont-
staat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfs-
temperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
Rem- en koppelingsvloeistof
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in het-
zelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de bui-
tenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Con-
troleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof (zie
pagina 283). Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtig-
heidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werk-
plaats.
Bijvullen
G018939
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motor-
ruimte. U moet het ronde deksel eerst verwij-
deren om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de bin-
nenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet het deksel terug te plaatsen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
G021740
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 230
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
06
231
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden (zie pagina 283).
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuur-
bekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 231
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
232
Algemene informatie
Op pagina 238 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Remlichten
Actieve Bi-Xenon
-, Bi-Xenon
- en led-
lampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenon- of
actieve Bi-Xenonkoplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waar-
door deze al snel kapotgaat.
Lamphuis voorzijde
G010479G010325
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het mistlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilam-
pen vervangt.
Koplamphuis verwijderen
1.
neem de transpondersleutel uit.
2. (Bovenste afbeelding)
Trek de borgpennen van het lamphuis
omhoog.
Trek het lamphuis recht naar voren toe.
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
3. (Onderste afbeelding)
Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 232
henrikrosenqvist
Druk kort op de START-/STOP-knop en
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
``
233
4. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
5. Vervang de kapotte gloeilamp (zie
pagina 238).
Koplamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemon-
teerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Afdekking verwijderen
G021745
Lees de tekst op zie pagina 232 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Open de borgklem door deze omhoog/
naar buiten te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
Dimlicht, halogeen
G021746
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphou-
der aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 233
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Groot licht, halogeen
G021747
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door deze linksom te
draaien.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Verstralers, actieve Bi-Xenon
en Bi-
Xenon
*
G021748
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 233).
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphou-
der aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Stadslichten vóór en achterlichten
G021749
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 233).
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 234
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
``
235
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021750
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Sidemarker
G021751
Lees de tekst op zie pagina 232 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Mistlampen voorzijde
G021753
1. Neem de afdekking los door met een
dunne schroevendraaier de vier clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
3. Draai de gloeilamp linksom en verwijder
deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door deze
rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel van
de lamphouder komt overeen met dat van
de lampvoet.)
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 235
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
236
6. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoog-
wijst.
Achterlamphuis
G021754
Alle gloeilampen in het achterlamphuis
(behalve de leds) zijn via de kofferbak te ver-
vangen.
1. Open de luikjes rechts en links in de bekle-
ding om toegang tot de lampen te krijgen.
De gloeilampen zitten in afzonderlijke
lamphouders.
2. Duw de borghaken bijeen en trek de lamp-
houder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Sluit de connector aan.
5. Duw de lamphouder in positie en plaats het
luikje terug.
N.B.
Neem, als de foutmelding niet verdwijnt
nadat de kapotte lamp is vervangen, con-
tact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Positie gloeilampen achterlamphuis
G021755
Lampglas, rechterzijde
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Richtingaanwijzer
Sidemarker, SML (led)
Remlichten
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlichten
G015418
Lamphouder achterlamphuis
Richtingaanwijzer
Remlichten
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlichten
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 236
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
``
237
Kentekenplaatverlichting
G021756
1. Draai de boutjes los met een schroeven-
draaier.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
Instapverlichting
G021757
Lees de tekst op zie pagina 232 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Steek een schroevendraaier achter de
korte kant van de lens die naar de midden-
console wijst en verdraai de schroeven-
draaier iets, zodat de lens loskomt (geldt
voor beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lens terug.
Kofferbakverlichting
G021758
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 237
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
238
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas verwijderen
G021759
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voor-
zichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
Specificatie gloeilampen
Verlichting Ver-
mo-
gen
(W)
Type
Verstralers, Bi-
Xenon
, ABL
55 H7
Dimlicht, halogeen 55 H7
Groot licht, halo-
geen
65 H9
Remlichten 21 P21W
Achteruitrijlichten 21 P21W
Mistachterlicht 21 P21W
Richtingaanwij-
zers voorzijde
21 H21W
Richtingaanwij-
zers achter/
21 PY21W
Verlichting Ver-
mo-
gen
(W)
Type
Mistlampen voor-
zijde
35 H8
Instap-, kofferbak-
en kentekenplaat-
verlichting
5 Buislampje
SV8,5
Make-upspiegel 1,2 Buislampje
SV5,5
Stadslichten/par-
keerlichten voor-
zijde
5 W5W
Sidemarkers voor-
zijde
5 W5W
Verlichting dash-
boardkastje
5 Buislampje
SV8,5
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 238
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
06
``
239
Wisserbladen
Servicestand
Om de wisserbladen te kunnen vervangen of
schoonmaken moet u ze eerst in de service-
stand zetten.
1.
Zet de transpondersleutel in stand 0 (zie
pagina 72) maar laat de sleutel in het con-
tactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwis-
serarmen gaan dan verticaal staan.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
Wisserbladen vervangen
G021760
G021761G021762
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wis-
serarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
G021763
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit (zie pagina 269).
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbla-
den minder lang mee.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 239
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
06
240
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
G021764
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofre-
servoir.
BELANGRIJK
Gebruik tijdens de wintermaanden ruiten-
sproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
Voor de hoeveelheden (zie pagina 283).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 240
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Accu
06
``
241
Waarschuwingssymbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriende-
lijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Gebruik
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzit-
ten.
Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de wer-
king van de accu.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opla-
den van de accu.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brand-
wonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelhe-
den water spoelen. Neem onmiddellijk con-
tact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 241
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Accu
06
242
Vervangen
Verwijderen
G021765G021766G021767
G021768G021769
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en ver-
volgens op te tillen.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
Haal de accu opzij en til deze op.
Aanbrengen
G021771
1. Laat de accu in de accubak zakken.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 242
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Accu
06
243
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in de
steun.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Ver-
wijderen).
8. Plaats de rubber strip terug (zie Verwijde-
ren).
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijde-
ren).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 243
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
244
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of func-
ties niet werkt, is het mogelijk dat de bijbeho-
rende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaalde-
lijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbeho-
rende onderdeel een storing vertoont. Bezoek
in dat geval een erkende Volvo-werkplaats
voor een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Positie zekeringenkastjes
G021772
Bij auto’s met het stuur rechts zitten het zeke-
ringenkastje onder het dashboardkastje en dat
in de middenconsole aan de andere kant.
Onder dashboardkastje
Motorruimte
Kofferbak
In middenconsole*
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 244
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
``
245
Motorruimte
G025600
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 245
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Aan de binnenkant van het deksel zit een spe-
ciale trekker waarmee u de zekeringen gemak-
kelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekerin-
genkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder .
1–7 en 42–44 zijn van het type “MidiFuse”
en mogen alleen door een erkende Volvo-
werkplaats worden vervangen.
8–15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
mogen alleen door een erkende Volvo-
werkplaats worden vervangen.
16–33 en 35–41 zijn van type “MiniFuse”.
Pos. Functie A
Hoofdzekering CEM
KL30A
50
Hoofdzekering CEM
KL30B
50
Pos. Functie A
Hoofdzekering RJBA
KL30
60
Hoofdzekering RJBB
KL30
60
Hoofdzekering RJBD
KL30
50
Reservepositie
PTC-luchtvoorverwar-
ming*
100
Reservepositie
Ruitenwissers 30
Standverwarming* 25
Interieurventilator 40
Reservepositie
ABS-pomp 40
ABS-kleppen 20
Reservepositie
Pos. Functie A
Koplamphoogteregeling*
(Active Bi-Xenon
, Bi-
Xenon
)
10
Hoofdzekering CEM 20
Radar, regelmodule ACC* 5
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
5
Regelmodule motor,
transmissie. SRS
10
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen
10
Vacuümpomp I5T 20
Verlichtingspaneel 5
Koplampsproeiers 15
12V-aansluiting voor- en
achterin
15
Schuifdak*, plafondcon-
sole/ECC*
5
Relais box motorruimte 5
Verstralers* 20
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 246
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
Pos. Functie A
Claxon 15
Regelmodule motor 10
Regelmodule automati-
sche versnellingsbak*
15
Compressor AC 15
Relais sproeiers 5
Relais startmotor 30
Bobines 20
Voorgloei-inrichting (5-cil.
diesel)
10
EGR, VTC, bypass motor-
koelsysteem (4-cil. diesel)
10
Regelmodule motor, gas-
klep benzine
10
Regelmodule motor, gas-
klep diesel
15
Inspuitsysteem, lucht-
massameter
15
Luchtmassameter (4-cil.
diesel)
10
Pos. Functie A
Motorkleppen 10
EVAP, lambdasonde,
inspuiting (benzine)
15
Lambdasonde (4-cil. ben-
zine, 5-cil. diesel)
10
Waterpomp (V8) 10
Verwarming carterventila-
tie (5-cil. benzine)
10
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventila-
tie (4-cil. diesel)
15
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventila-
tie (5-cil. diesel)
20
Niet in gebruik 5
Gloeibougies (4-cil. diesel) 60
Gloeibougies (5-cil. diesel) 70
Reservepositie
Pos. Functie A
Koelventilator (4-/5-
cil. benzine, 4-cil. diesel)
60
Koelventilator (V8, 6-cil.
benzine, 5-cil diesel)
80
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 247
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
248
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Onder dashboardkastje
10
11
12
13
14
1
2
3
4
5
6
7
8
9
23
22
21
20
19
18
1716
15
24
25
26
27
28
G032918
1. Klap de interieurbekleding opzij die het
zekeringenkastje afdekt.
2. Druk op de vergrendeling van het deksel en
klap het naar boven toe open.
3. Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
Posities
Pos. Functie A
Regensensor* 5
SRS-systeem 10
Pos. Functie A
ABS-regeling, elektrische
parkeerrem
5
Gaspedaal*, luchtvoorver-
warming (PTC), elektrisch
bedienbare stoelen*
7,5
Reservepositie
ICM-display, cd-speler en
radio
A
, RSE-systeem*
15
Stuurwieleenheid 7,5
Pos. Functie A
Reservepositie
Groot licht 15
Schuifdak* 20
Achteruitrijlichten 7,5
Reservepositie
Mistlampen vóór* 15
Ruitenwissers 15
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 248
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
Pos. Functie A
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*
10
Reservepositie
Plafonverlichting, bedie-
ningspaneel bestuurders-
portier/elektr. bedienbare
passagiersstoel*
7,5
Informatiedisplay 5
Elektr. bedienbare
bestuurdersstoel*
5
Reservepositie
Ontvanger transponder-
sleutel, alarmsensoren
5
Brandstofpomp 20
Elektrisch stuurslot 20
Reservepositie
Slot tankvulklep/kofferdek-
sel
10
Sirene alarmsysteem, ECC 5
Pos. Functie A
Knop START/STOP 5
Schakelaar remlichten 5
A
Premium Sound.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 249
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
250
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In middenconsole, Executive*
G031531
Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel
aan de passagierszijde.
N.B.
Breng de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats om zekeringen te laten vervan-
gen.
Pos. Functie A
Analoge klok 5
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 250
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
Kofferbak
G032920
Het kastje zit achter de bekleding aan de lin-
kerzijde.
Posities
Module (zwart).
Functie
A
Bedieningspaneel bestuur-
dersportier
25
Bedieningspaneel passa-
giersportier
25
Bedieningspaneel achter-
portier links
25
Module (zwart).
Functie
A
Bedieningspaneel achter-
portier rechts
25
Reservepositie
12V-aansluiting kofferbak,
koelkast*
15
Elektrisch verwarmde ach-
terruit
30
Omklapfunctie hoofdsteu-
nen*
15
Module (zwart).
Functie
A
Trekhaakaansluiting 2* 15
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
25
Trekhaakaansluiting 1* 40
Reservepositie
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 251
henrikrosenqvist
Pos. Pos.
Pos.
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
06
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Module (wit). Functie
A
Massagefunctie voorstoel,
verlichting armsteun, koel-
kast*
5
Regelmodule FOUR-C* 15
Verwarming voorstoel
bestuurderszijde*
15
Verwarming voorstoel pas-
sagierszijde*
15
Achterbankverwarming
rechts*
15
Regelmodule AWD 10
Achterbankverwarming
links*
15
Reservepositie
Elektrisch bedienbare pas-
sagiersstoel*
25
Keyless drive* 20
Module (wit). Functie
A
Elektrische parkeerrem*
links
30
Elektrische parkeerrem*
rechts
30
Pos.
Module (blauw).
Functie
A
RTI-display*, parkeerhulp-
camera*
10
Reservepositie
Reservepositie
Reservepositie
Versterker audiosysteem* 25
Audiosysteem
A
15
Telefoon, Bluetooth* 5
-
Reservepositie
A
High Performance en Premium Sound.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 252
henrikrosenqvist
Pos.Pos.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
253
Algemene informatie
Banden zijn van grote invloed op de rijeigen-
schappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheids-
aanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Draairichting
G021778
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de ban-
den verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
N.B.
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting heb-
ben en van hetzelfde merk zijn.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat (zie
pagina 265).
Onderhoud van banden
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afge-
broken wordt, als banden zelden of nooit wor-
den gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
Nieuwe banden
G021823
Banden hebben een beperkte houdbaarheids-
datum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van ban-
den altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De week
en het jaar van productie worden aangeduid
met de DOT-code (Department of Transporta-
tion) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1502. De band op de afbeelding is in de 15e
week van het jaar 2002 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 253
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
254
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkma-
tiger slijtage op (zie pagina 264). De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waar-
mee de banden verouderen en slijten. Om ver-
schillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats ver-
wisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10.000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
G021829
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De let-
ters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge-
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dus-
danig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het weg-
dek heeft bij regen of sneeuw.
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedge-
keurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afme-
tingen aan. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 254
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winter-
banden.
Sneeuwkettingen gebruiken
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toe-
gestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwket-
tingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de ban-
den daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvo-
werkplaats om advies.
Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)*
Het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de span-
ning in één of meer banden te laag is. Het
systeem maakt gebruik van sensoren in de
ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de banden-
spanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumen-
tenpaneel branden en verschijnt er een mel-
ding op het display.
Controleer het systeem altijd na het verwisse-
len van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspanning
(zie pagina 264).
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het banden-
spanningscontrolesysteem, gaat het waar-
schuwingslampje op het instrumentenpa-
neel branden. Bovendien verschijnt de
melding
BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST
. Dit kan meerdere oor-
zaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk
dat er een wiel gemonteerd werd met een
sensor die niet past bij het bandenspan-
ningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het ban-
denspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
U verricht dergelijke afstellingen met de knop-
pen op de middenconsole (zie pagina 118).
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op
en activeer de sleutelstand I of II.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 255
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2.
Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
3.
Kies
Bandenspanning kalibreren.
4.
Druk op ENTER.
5. Rijd ten minste 1 minuut op een snelheid
van 40 km/h of hoger.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding
BANDENSP. LAAG CONTR. SPANNING op
het display verschijnt:
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren/
activeren
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
U verricht dergelijke afstellingen met de knop-
pen op de middenconsole (zie pagina 118).
1.
Activeer de sleutelstand I of II.
2.
Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
3.
Kies
Bandenspanningsysteem en druk
op ENTER.
> Bij het activeren van het systeem ver-
schijnt een
X op het display. Het kruis
verdwijnt als u het systeem deactiveert.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemon-
teerd.
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sen-
sor zal iedere keer dat u meer dan 10 minu-
ten lang sneller rijdt dan 40 km/h de
melding BANDENSP.SYSTEM SERVICE
VEREIST
verschijnen.
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen van de auto.
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
Runflat-banden*
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speci-
aal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt
blijven rijden. Deze banden zijn op speciale vel-
gen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kun-
nen ook standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan en laat
de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier
de banden om na te gaan welke band er moet
worden vervangen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 256
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage ban-
denspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilo-
meter rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
Gereedschap
G014341
In een blok schuimrubber dat op de velg van
het reservewiel ligt vindt u al het bijgeleverde
gereedschap. Het gereedschap bestaat in een
sleepoog, een krik* en een wielsleutel. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een con-
sole onder in de ruimte voor het reservewiel.
Krik*
Gebruik de originele krik alleen voor het ver-
wisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Reservewiel*
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Ver-
vang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzi-
gen bij het gebruik van een compact reserve-
wiel. In de bandenspanningstabel (zie
pagina 265) staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reser-
vewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Twee blok-
ken schuimrubber, waarvan één onder het wiel
en één erbovenop/erbinnenin, houden het
reservewiel in positie. Het bovenste bevat al
het gereedschap.
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reser-
vewiel in positie.
Reservewiel erbij nemen
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereed-
schap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
U hoeft de onderste twee blokken niet te ver-
wijderen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 257
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gereedschap, terugplaatsen
G029336
Plaats het gereedschap en de krik na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand wordt gezet.
Plaats het blok schuimrubber en het reserve-
wiel in omgekeerde volgorde terug.
Let erop dat er op het bovenste blok schuim-
rubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daar-
voor bestemde plaats in de kofferbak wan-
neer u ze niet nodig hebt.
Wielen verwisselen
Verwijderen
G017465
Zet een gevarendriehoek zie pagina 216 op, als
u een wiel langs een drukke weg moet verwis-
selen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische ver-
snellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
Gebruik de krik die bij de auto hoort.
2. Neem het reservewiel, de krik en de wiel-
sleutel erbij die onder de mat in de koffer-
bak liggen.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wie-
len die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
G021779
4. (Voor auto’s met stalen velgen) Wrik de
wieldop los met het uiteinde van een wiel-
sleutel of trek hem met de hand los.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 258
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de onder-
grond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weers-
zijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed aan
het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeel-
ding) en zorg dat de voet recht onder het
steunpunt zit.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbou-
ten en til het wiel eraf.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten
aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
G021780
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aan-
haalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleu-
tel.
5. Breng de wieldop aan (bij auto’s met stalen
velgen).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stap-
pen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uit-
gestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
Provisorische bandenreparatie*
G014340
Algemene informatie
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrige-
ren. De set bestaat uit een compressor en een
bus met afdichtmiddel. De set dient om nood-
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 259
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
260
reparaties uit te voeren. De fles met het afdicht-
middel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenre-
paratieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de kofferbak. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Bandenreparatieset erbij nemen
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamhe-
den langs een drukke weg. De bandenrepara-
tieset zit onder de vloer in de kofferbak.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Verwijder het blok schuimrubber waarin de
krik en de wielsleutel zitten.
4. Til de bandenreparatieset op.
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Vervang de
tijdelijk afgedichte band zo spoedig moge-
lijk (maximale rijafstand 200 km).
Overzicht
G014337
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Fleshouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 260
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Handschoenen*
Lekke band repareren
G014338
Voor informatie over de werking van de onderde-
len (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de bandenreparatie-
set.
2. Haal de sticker met de toegestane maxi-
mumsnelheid uit de set en bevestig de stic-
ker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getrof-
fen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbro-
ken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de com-
pressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëin-
dig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8.
Zet de knop in stand I.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 261
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
262
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdicht-
middel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
10. Schakel de compressor uit om de banden-
spanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensge-
vaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aan-
sluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven
(laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspan-
ning te hoog is).
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manome-
ter af.
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem con-
tact op met een erkende Volvo-werk-
plaats.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel. Laat lucht uit de
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 262
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
263
band ontsnappen, als de bandenspan-
ning te hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ven-
tieldopje terug.
4. Leg de bandenreparatieset terug in de kof-
ferbak.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-
werkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen/repareren. Geef aan het werk-
plaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie
hebt gebruikt. Bezoek een erkende Volvo-
werkplaats om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band te
repareren is of moet worden vervangen.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsda-
tum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubber-
latex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanlei-
ding geven tot overgevoeligheid bij huid-
contact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
Specificaties
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maat-
aanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
225/50R17 94 W.
225 Breedte van de band (mm)
50 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R Aanduiding voor radiaalbanden
17 Velgdiameter van de band (")
94 Aanduiding van het draagvermogen
van de band
W Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangele-
verd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto.
De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel banden met
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 263
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
264
als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maxi-
mumsnelheid die voor het gebruikte banden-
type geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoor-
beeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snel-
heidsaanduiding op de banden.
Q 160 km/h (alleen voor winterbanden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
Y 300 km/h
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Bandenspanning
G021830
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterpor-
tier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel (zie verderop).
Bandenspanning bij gebruik van de aan-
bevolen bandenmaat
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de tem-
peratuur.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 264
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
265
Aanbevolen bandenspanning
Variant Bandenmaat Snelheid
(km/h)
Belading(1 – 3 inzittenden)
zonder TPMS
Bela-
ding(1 – 3
inzitten-
den)
met
TPMS
Max. belasting ECO-ban-
denspan-
ning
A
Voor (kPa)
B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
8-cil. 225/50 R 17 Tot 160 240 220 240 260 260 260
160 + 300 300 300 310 310 -
245/45 R 17 Tot 160 220 210 220 260 260 260
160 + 280 280 280 300 300 -
245/40 R 18 Tot 160 240 220 240 260 260 260
160 + 270 270 270 290 290 -
6-cil. 225/55 R 16
225/50 R 17
245/45 R 17
Tot 160 230 210 230 260 260 260
160 + 280 280 280 290 290 -
245/40 R 18 Tot 160 230 210 230 260 260 260
160 + 270 270 270 290 290 -
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 265
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
266
Variant Bandenmaat Snelheid
(km/h)
Belading(1 – 3 inzittenden)
zonder TPMS
Bela-
ding(1 – 3
inzitten-
den)
met
TPMS
Max. belasting ECO-ban-
denspan-
ning
A
Voor (kPa)
B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
5-cil. diesel
185 pk
225/55 R 16
225/50 R 17,
245/45 R 17
Tot 160 220 210 220 260 260 260
160 + 260 260 260 270 270 -
245/40 R 18 Tot 160 230 210 230 260 260 260
160 + 260 260 260 270 270 -
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 266
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
``
267
Variant Bandenmaat Snelheid
(km/h)
Belading(1 – 3 inzittenden)
zonder TPMS
Bela-
ding(1 – 3
inzitten-
den)
met
TPMS
Max. belasting ECO-ban-
denspan-
ning
A
Voor (kPa)
B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
4-cil. diesel
163 pk
4-cil./5-cil.
benzine
4-cil./5-cil.
FlexiFuel
225/55 R 16
225/50 R 17
245/45 R 17
Tot 160 220 210 220 260 260 260
160 + 260 260 260 270 270 -
245/40 R 18
205/60 R 16
Tot 160 230 210 230 260 260 260
160 + 260 260 260 270 270 -
Reservewiel
C
T 125/80 R 17 max. 80 420 420 420 420 420 -
A
Zuinig rijden.
B
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
C
Compact reservewiel.
Brandstofbesparing, ECO-
bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel. Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Controleer de
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 267
henrikrosenqvist
5-cil. diesel
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
06
268
bandenspanning wanneer de banden koud
zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij
koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur).
Een te lage bandenspanning heeft een nega-
tieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigen-
schappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De banden-
spanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de ban-
denspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naarge-
lang van de omgevingstemperatuur.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 268
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
06
``
269
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafschei-
der staat. Gebruik autoshampoo.
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stof-
fen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af. Houd bij het gebruik
van een hogedrukreiniger de spuitkop ten
minste 30 cm van gelakte onderdelen af.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplam-
pen, mistlampen en achterlichten kan tijde-
lijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk ver-
schijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorko-
men. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisser-
bladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regel-
matig met een lauwe zeepoplossing of auto-
shampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de rem-
blokken aantasten, waardoor de remwer-
king afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 269
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
06
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunst-
stof onderdelen, rubber onderdelen en sieron-
derdelen zoals glimmende strips, wordt gead-
viseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijg-
baar is. Volg bij het gebruik van dit reinigings-
middel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig
op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwij-
deren.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de reinigingsmiddelen die Volvo
adviseert. Sterke velgreinigingsmiddelen kun-
nen het oppervlak beschadigen en vlekken ver-
oorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescher-
ming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voor-
dat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teer-
verwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lak-
schade als gevolg van dergelijke behande-
lingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Voorste zijruiten met waterafstotende
laag schoonmaken*
Gebruik nooit producten zoals auto-
was, ontvetters e.d. op het glasop-
pervlak, omdat de waterafstotende laag daar-
door beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werk-
plaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 270
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
06
``
271
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling onder-
gaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegal-
vaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, als de auto een nabehandeling
nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autover-
zorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadvi-
seerd een speciaal reinigingsmiddel voor stof-
fen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoon-
maken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gor-
del droog is, voordat deze weer wordt opge-
rold.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige ver-
zorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u het
volgens de instructies opvolgt. Na enig tijd in
gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn
natuurlijke patina, afhankelijk van de opper-
vlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt
deel van het natuurlijke verouderingsproces
van het leer en geeft aan dat het om een natuur-
product gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Derge-
lijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 271
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
06
272
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigings-
product op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krij-
gen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirke-
lende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cir-
kelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en -
panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Matten en kofferbak
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloer-
bekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzui-
ger om vuil en stof te verwijderen.
Lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roest-
vorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslag-
plekken, krassen en plekjes op de spatbor-
dranden en portieren.
Benodigdheden
grondlak (primer) in een bus
lak in een bus of een lakstift
kwastje
afplaktape
Kleurcode
G021831
Het is belangrijk dat u exact de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode van de autolak staat op
het typeplaatje (zie pagina 274).
Steenslagschade herstellen
G021832
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 272
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
06
273
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het bescha-
digde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een luci-
fer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstel-
len, maar dek ter bescherming de onbe-
schadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
N.B.
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 273
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
06
274
Positie van stickers en plaatjes
G032087
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 274
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
06
275
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnum-
mer en het motornummer bij de hand te heb-
ben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maxi-
maal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeurings-
nummer.
Sticker voor standverwarming.
Motoroliesticker met de kwaliteit en visco-
siteit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding van de motor, onderdeel-
en serienummer
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 275
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
276
Maten
G017403
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
A Wielbasis 2835
B Lengte 4851
C Laadlengte, vloer,
achterbank neerge-
klapt
1927
D Laadlengte, vloer 1094
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
E Hoogte 1493
F Spoorbreedte vooras 1588
G Spoorbreedte ach-
teras
1585
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
H Breedte 1861
I Breedte incl. buiten-
spiegels
2106
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 276
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
277
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aan-
hanger (zie tabel)) zijn van invloed op het laad-
vermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar
gewicht. Toelaatbare belasting (zonder
bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
G017755
Voor informatie over de positie van de sticker (zie
pagina 274).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Trekgewicht en kogeldruk
Model Versnellingsbak Aanhangergewicht geremd
(kg)
Kogeldruk (kg)
Alle Alle Tot 1200 50
2.0 MTX75 max. 1500 75
2.0F MTX75 max. 1500 75
2.5FT Handbak (M66) max. 1600 75
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 277
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
278
Model Versnellingsbak Aanhangergewicht geremd
(kg)
Kogeldruk (kg)
2.5FT Automaat (TF-80SC) max. 1800 75
2.5T Handbak (M66) max. 1800 75
2.5T Automaat (TF-80SC) max. 1800 75
3.2 Automaat (TF-80SC)
Automaat AWD
max. 1800 75
T6 Automaat (TF–80SC) AWD max. 2000 90
V8 Automaat (TF-80SC) max. 2000 90
2.0D MMT6 max. 1600 75
2.4D Handbak (M66) max. 1600 75
2.4D Automaat (TF-80SC) max. 1800 75
D5 Handbak (M66)
Handbak AWD
max. 1600 75
D5 Automaat (TF-80SC)
Automaat AWD
max. 2000 90
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 278
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
279
Aanhangerge-
wicht ongeremd
(kg)
Kogeldruk (kg)
max. 750 50
N.B.
Bij aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt
geadviseerd een stabilisatorkoppeling te
gebruiken.
Motorspecificaties
Specificatie/model 2.0 2.0F 2.5T 2.5FT 3.2 T6 V8
Motoraanduiding B4204S3 B4204S4 B5254T6 B5254T8 B6324S B6304T2 B8444S
Vermogen (kW bij omw/
min)
107/6000 107/6000 147/4800 147/4800 175/6200 210/5600 232/5950
Vermogen (pk bij omw/
min)
145/6000 145/6000 200/4800 200/4800 238/6200 285/5600 315/5950
Motorkoppel (Nm bij omw/
min)
190/4500 190/4500 300/1500–
4500
300/1500–
4500
320/3200 400/1500–
4800
440/3950
Aantal cilinders 4 4 5 5 6 6 8
Cilinderboring (mm) 87 87 83 83 84 82 94
Slaglengte (mm) 83,0 83,0 93,2 93,2 96 93,2 79,5
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 279
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
280
Specificatie/model 2.0 2.0F 2.5T 2.5FT 3.2 T6 V8
Slagvolume (liter) 1,99 1,99 2,521 2,521 3,192 2,953 4,414
Compressieverhouding 10,8:1 10,8:1 9,0:1 9,0:1 10,8:1 9,3:1 10,4:1
Specificatie/model 2.0D
2.4D
D5
Motoraanduiding D4204T D5244T5 D5244T4
Vermogen (kW bij omw/min) 100/4000 120/4000 136/4000
Vermogen (pk bij omw/min) 136/4000 163/4000 185/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min) 320/2000 340/1750–2750 400/2000–2750
Aantal cilinders 4 5 5
Cilinderboring (mm) 85 81 81
Slaglengte (mm) 88,0 93,1 93,1
Slagvolume (liter) 2,00 2,400 2,400
Compressieverhouding 18,5:1 17,3:1 17,3:1
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 280
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
281
In dergelijke omstandigheden kunnen de olie-
temperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een spe-
ciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselec-
teerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstof-
verbruik en de milieu-impact. Om de aan-
bevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motor-
oliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstof-
verbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motor-
oliesoort die niet voldoet aan de voorge-
schreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
G021834
Viscositeitsdiagram
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 281
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
282
Oliesticker
Motortype Bij te vullen hoeveelheid tus-
sen MIN–MAX (liter)
Hoeveel-
heid
A
(liter)
G032079
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Voor de
positie (zie pagina 228).
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
2.0D D4204T 2,0 5,5
A
Inclusief hoeveelheid in filter
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 282
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
283
Oliesticker
Motortype Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN - MAX (liter)
Hoeveel-
heid
(liter)
G032078
Wanneer de nevenstaande sticker in de motor-
ruimte zit, geldt het volgende. Voor informatie
over de positie van de sticker (zie pagina 228).
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
2.0F B4204S4 0,75 4,3
2.5FT B5254T8 1,3 5,5
2.0 B4204S3 0,75 0,75
2.5T B5254T6 1,3 5,5
3.2 B6324S 1,2 7,4
T6 B6304T2 1,2 7,4
V8 B8444S 1,1 7,0
D5 D5244T4 1,5 6,0
2.4D D5244T5 1,5 6,0
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit
Versnellingsbakolie Handbak (M66) 2,0 MTF 97309
Versnellingsbakolie Automaat (TF-80SC) 7,0 JWS 3309
Versnellingsbakolie MMT6 1,7 BOT 130
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 283
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
284
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit
Versnellingsbakolie MTX75 1,9 BOT 130
Koelvloeistof Benzinemotor 2.0 7,55 Koelvloeistof met corrosiewerende
dope aangelengd met water
A
(zie
verpakking).
Benzinemotor 2.0F 7,55
Benzinemotor 2.5F 9,0
Benzinemotor 3.2 8,9
Benzinemotor 2.5T 9,0
Benzinemotor T6 8,9
Benzinemotor V8 10,2
Dieselmotor 2.0D 9,15
Dieselmotor D5/2.4D 12,65
Airconditioning
B
- - Olie: PAG
Koudemiddel: R134a (HFC134a)
Remvloeistof - 0,6 DOT 4+
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 284
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
285
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit
Stuurbekrachtiging - 1,2 Stuurbekrachtigingsvloeistof WSS
M2C204-A2 of een soortgelijk pro-
duct.
Ruitensproeiervloeistof - 6,5
4,5
C
Bij vorst wordt geadviseerd een
door Volvo aanbevolen ruiten-
sproeier-antivries aangelengd met
water te gebruiken.
A
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
B
Hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
C
Auto’s zonder koplampsproeiers
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Bij ongunstige rijomstandigheden kan dat
echter wel nodig zijn (zie pagina 280).
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 285
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
286
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Model Motor Versnellingsbak Verbruik (in
liter/100 km)
Uitstoot van kool-
dioxide (CO
2
, in
g/km)
Tankinhoud (liter)
2.0 B4204S3 Handgeschakelde
vijfversnellingsbak
(MTX75)
8,3 199 ca. 70
2.0F
A
B4204S4 Handgeschakelde
vijfversnellingsbak
(MTX75)
8,3 199 ca. 70
2.5FT
A
B5254T8 Handbak (M66) 9,2 219 ca. 70
2.5FT
A
B5254T8 Automaat (TF-80SC) 10,1 241 ca. 70
2.5T B5254T6 Handbak (M66) 9,3 223 ca. 70
2.5T B5254T6 Automaat (TF-80SC) 10,2 244 ca. 70
3.2 B6324S Automaat (TF-80SC) 10,3 246 ca. 70
3.2 B6324S Automaat (TF-80SC),
AWD
10,7
Exec. 10,9
255
Exec. 259
ca. 70
T6 B6304T2 Automaat (TF–80SC)
AWD
11,2 267 ca. 70
V8 B8444S Automaat (TF-80SC) 11,9 284 ca. 70
2.0D D4204T MMT6 5,7 151 ca. 70
D5 D5244T4 Handbak (M66) 6,4 169 ca. 70
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 286
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
``
287
Model Motor Versnellingsbak Verbruik (in
liter/100 km)
Uitstoot van kool-
dioxide (CO
2
, in
g/km)
Tankinhoud (liter)
D5 D5244T4 Automaat (TF-80SC) 7,3 194 ca. 70
D5 D5244T4 Handbak (M66) AWD 7,1 188 ca. 70
D5 D5244T4 Automaat (TF–80SC)
AWD
8,0 212 ca. 70
2.4D D5244T5 Handbak (M66) 6,4 169 ca. 70
2.4D D5244T5 Automaat (TF-80SC) 7,3 194 ca. 70
A
FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E 85) rijden of op een mengsel daarvan. De auto neemt ca. 40 % meer bij gebruik van E 85 vanwege
de lagere energie-inhoud.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn geba-
seerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268(combinatie-
rit).
De rijstijl en andere niet-technische factoren
zijn van invloed op het brandstofverbruik. Voor
meer informatie (zie pagina 9).
Elektrisch systeem
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden met
het chassis.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapa-
citeit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Prestaties accu
Motor 2.5T, 2.5FT 2.0, 2.0F, 3.0T, 3.2 V8 2.0D, D5, 2.4D
Spanning (V) 12 12 12 12
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 287
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
06
288
Prestaties accu
Koudestartcapaciteit (A) 520–800 520–700 600–800 700
Reservecapaciteit (min.) 100–150 100–135 120–150 135
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 288
henrikrosenqvist
06 Onderhoud en specificaties
Typegoedkeuring
06
289
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
A
IS, LI, N, CH
HR
ROK Delphi 15-07-2003,
Duitsland R-
LPD1-03-0151
BR
RC
CCAB06LP1940T4
A
Hierbij verklaart Delphi dat het transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-
richtlijn 1999/5/EG.
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 289
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
07
290
A
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 31
Aanhanger................................................ 217
kabel................................................... 217
rijden met een aanhanger................... 217
Aanpassen, lichtbundel............................. 86
Aanrijding................................................... 28
Aanstekeropening.................................... 190
achterbank.......................................... 191
voorstoel............................................. 191
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 160
ACC gedeactiveerd.................................. 158
Accu......................................................... 241
onderhoud.......................................... 241
starten met hulpaccu.......................... 102
symbolen op de accu......................... 241
transpondersleutel/PCC....................... 47
waarschuwingssymbolen................... 241
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen.................. 42
Achterruit, elektrische verwarming............ 95
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 136
Achteruitkijkspiegel.................................... 95
autodimfunctie...................................... 95
Actief chassis (FOUR-C).......................... 157
Actieve Bi-Xenon-koplampen................. 82
Adaptatie................................................. 101
Adaptieve cruisecontrol........................... 160
radarsensor......................................... 163
Storingen opsporen............................ 164
Afstandsbediening
programmeerbaar............................... 113
Afstandsbediening, zie Transpondersleu-
tel............................................................... 40
Afstandsbedieningssysteem, typegoed-
keuring..................................................... 289
Afstandscontrole...................................... 167
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 20
bestuurders- en passagierszijde.......... 18
deactiveren/activeren........................... 20
Airconditioning......................................... 128
algemene informatie........................... 123
Airconditioning, AC.................................. 128
Alarm.......................................................... 57
activeren............................................... 57
alarmindicatie....................................... 57
alarmsignalen........................................ 57
alarmsysteem controleren.................... 43
alarmsysteem testen............................ 59
beperkt alarmniveau............................. 58
deactiveren........................................... 57
geactiveerd alarm uitschakelen............ 57
tijdelijk uitschakelen.............................. 58
Alarmlichten............................................... 84
Alarmsysteem testen................................. 59
Allergenen................................................ 124
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 107
Antislipregeling........................................ 155
Approach-verlichting................................. 86
Audio
achterste bedieningspaneel............... 136
hoofdtelefoonaansluiting.................... 136
instellingen.......................................... 137
surround............................................. 135
Audiosysteem.......................................... 135
functies............................................... 137
overzicht............................................. 135
AUTO
klimaatinstelling.................................. 127
Autobekleding.......................................... 271
Automatische hervergrendeling................. 52
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 290
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
07
291
Automatische schakelblokkering deactive-
ren............................................................ 106
Automatische vergrendeling...................... 52
Automatische versnellingsbak................. 104
handmatig schakelen (Geartronic)...... 104
slepen en bergen................................ 222
Automatische wasstraten........................ 269
Auto wassen............................................ 269
AUX.......................................................... 135
AWD, vierwielaandrijving......................... 107
B
Banden
bandenreparatie................................. 259
bandenspanningscontrolesysteem..... 255
draairichting........................................ 253
onderhoud.......................................... 253
rijeigenschappen................................ 253
slijtage-indicator................................. 254
snelheidsaanduidingen....................... 263
spanning............................................. 264
specificaties........................................ 263
winterbanden...................................... 254
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 118
Bedieningspaneel verlichting..................... 81
Bedrijfsrem............................................... 108
Bellen............................................... 195, 199
Benzinekwaliteit....................................... 209
Bergen..................................................... 223
Berichten en symbolen
168
174
Driver Alert Control............................. 177
Lane Departure Warning..................... 180
cruisecontrol............................................ 165
Berichten op instrumentenpaneel............ 121
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 269
Beslagen ruiten........................................ 128
ontwasemen....................................... 123
ontwasemen met blaasmonden......... 130
timerfunctie......................................... 128
Beveiliging tegen overbelasting, schuif-
dak............................................................. 97
Bio-ethanol E 85...................................... 210
Blaasmonden........................................... 125
BLIS, Blind Spot Information System...... 185
BLIS-systeem (Blind Spot Information Sys-
tem).......................................................... 185
Blokkering achteruitversnelling................ 104
vijfversnellingsbak.............................. 103
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 196
handsfree............................................ 194
microfoon dempen............................. 196
Boordcomputer........................................ 152
Botsing, zie Aanrijding............................... 28
Botswaarschuwing.................................. 170
radarsensor................................. 163, 170
Botswaarschuwing met remassistent*.... 170
Brandstof................................................. 209
brandstofbesparing.................... 264, 267
brandstoffilter..................................... 211
brandstofverbruik............................... 212
Buitenafmetingen..................................... 276
Buitenspiegels........................................... 94
Buitenspiegels resetten............................. 94
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 291
henrikrosenqvist
afstandscontrole................................
Berichten en symbolen voor adaptieve
botswaarschuwing met remassistent.
07 Alfabetisch register
07
292
C
Camerasensor......................................... 172
Chassisstanden....................................... 157
Claxon........................................................ 80
Claxonneren............................................... 80
Clean Zone Interior.................................. 124
Condens aan binnenkant lampglazen..... 269
Contactsleutels.......................................... 72
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 229
Cruisecontrol........................................... 158
D
Dagtellers................................................... 69
Dashboardkastje...................................... 190
Vergrendelen........................................ 53
Dieselolie.................................................. 210
Displayverlichting....................................... 81
Dolby Surround Pro Logic II.................... 135
Doorluchtfunctie................................ 42, 124
Doorsteekluik........................................... 214
Doorwaaddiepte...................................... 206
Driver Alert Control.................................. 176
Driver Alert System.................................. 176
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 155
E
ECC, elektronische klimaatregeling......... 126
ECO-bandenspanning............................. 264
EHBO-set................................................. 216
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 96
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 92
Elektrisch bedienbare ruiten resetten........ 93
Elektrisch bedienbare stoel....................... 74
Elektrische aansluiting
achterbank.......................................... 191
kofferbak............................................. 191
voorstoel............................................. 191
Elektrische parkeerrem............................ 110
automatisch lossen............................. 111
handmatig lossen............................... 111
lage accuspanning.............................. 110
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 95
buitenspiegels....................................... 95
stoelen en achterbank........................ 127
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 94
Elektronische startblokkering.................... 40
Extra verwarming..................................... 134
Extra verwarming (diesel)......................... 134
F
FlexiFuel................................................... 100
adaptatie............................................. 101
Follow-Me-Home-verlichting..................... 85
FOUR-C – Actief chassis......................... 157
G
Geartronic................................................ 104
Geïntegreerde telefoon............................ 199
Gelaagd glas.............................................. 92
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 292
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
07
293
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 196
telefoon............................................... 196
telefoon/mediaspeler.......................... 196
Gereedschap........................................... 257
Gesprek in de wacht zetten..................... 200
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprek-
ken.............................................. 199, 200
gebruik........................................ 195, 199
inkomende.................................. 195, 199
telefoonvolume................................... 200
wissel-................................................. 200
Gevarendriehoek..................................... 216
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 277
Glazen...................................................... 193
gelaagd/verstevigd............................... 92
Global opening........................................ 124
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 232
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 236
Gordelwaarschuwing................................. 15
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 81
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 103
slepen en bergen................................ 222
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 104
Handrem.................................................. 110
HBS – Heart Beat Sensor.......................... 44
Hogedruksproeiers koplampen................. 91
Hoge motortemperatuur.......................... 217
HomeLink EU........................................ 113
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 76
omklappen............................................ 77
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 136
I
IAQS – Interior Air Quality System........... 124
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 24
IDIS – Intelligent Driver Information Sys-
tem........................................................... 201
IMEI-nummer........................................... 202
In de was zetten....................................... 270
Informatiedisplays...................................... 65
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 66
Informatietoets, PCC................................. 43
Instrumenten, schakelaars en bediening... 62
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 62
auto met stuur rechts........................... 64
Instrumentenpaneel................................. 120
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 81
Interieurcomfort....................................... 189
Interieurfilter..................................... 124, 211
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 84
Intervalstand.............................................. 90
K
Katalysator............................................... 210
bergen................................................. 222
Keuzehendelblokkering........................... 106
Keuzehendelblokkering, mechanisch uit-
schakelen................................................. 106
Keyless drive........................................ 49, 98
Kinderen..................................................... 29
kinderslot.............................................. 34
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 22
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 293
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
07
294
positie in de auto.................................. 29
veiligheid............................................... 29
Kinderslot................................................... 56
Kinderzitje.................................................. 29
neerklappen.......................................... 32
opklappen............................................. 33
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 32
Kleurcode, lak.......................................... 272
Klimaatregeling........................................ 123
algemene informatie........................... 123
sensoren............................................. 123
Klok
analoog................................................. 71
Klok, instellen............................................. 69
Knipperlichten............................................ 84
Knippersignalen, PCC............................... 43
Koelkast................................................... 193
Kofferbak
houder voor boodschappentassen.... 214
lading vervoeren................................. 213
mat...................................................... 193
verankeringsogen............................... 213
Kofferdeksel
vergrendelen/ontgrendelen.................. 53
Kogelsegment
aanbrengen......................................... 219
verwijderen......................................... 221
Kompas.................................................... 154
kalibreren............................................ 154
zone instellen...................................... 154
Koplampen.............................................. 232
Koplamphoogteregeling............................ 81
81
Bi-Xenonkoplampen.......................... 81
Koudemiddel............................................ 124
Krik........................................................... 257
L
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 213
lading op het dak................................ 215
verankeringsogen............................... 213
Lak
kleurcode............................................ 272
schade en herstel............................... 272
Lampen, zie Verlichting............................ 232
Lampjes................................................... 155
Lane Departure Warning.......................... 179
Lekke band, zie Banden.......................... 257
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 271
Lichtbundel aanpassen.............................. 86
86
Bi-Xenon-koplampen......................... 86
87
Luchtverdeling................................. 125, 130
M
Make-upspiegel................................. 85, 191
Massage
voorstoel............................................... 78
Meldingen op informatiedisplay............... 155
Meldingen voor BLIS............................... 187
Menu- en meldingsfuncties..................... 118
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 66
snelheidsmeter..................................... 66
toerenteller............................................ 66
Middenconsole........................................ 118
Mistlichten
achter.................................................... 83
vóór....................................................... 83
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 294
henrikrosenqvist
actieve Bi-Xenonkoplampen.............
actieve Bi-Xenonkoplampen.............
halogeenkoplampen.............................
07 Alfabetisch register
07
295
Mistlichten, aan/uit.................................... 83
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 197
handsfree............................................ 194
telefoon registreren............................. 194
Motor
oververhitting...................................... 217
starten................................................... 98
Motorolie.......................................... 227, 280
filter..................................................... 228
hoeveelheden..................................... 280
oliekwaliteit......................................... 280
ongunstige rijomstandigheden........... 280
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 229
olie...................................................... 228
overzicht............................................. 226
stuurbekrachtigingsvloeistof............... 230
Motorverwarming..................................... 100
MY KEY.................................................... 136
N
Noodoproepen......................................... 199
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 216
O
Olie, zie ook Motorolie............................. 280
Oliepeil laag............................................. 228
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 76
Onderhoud
roestwering......................................... 271
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 52
van de buitenzijde................................. 52
Ontwaseming........................................... 128
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte....................................................... 189
Opbergvak............................................... 193
Openen, motorkap................................... 226
Oververhitting.......................................... 217
P
PACOS....................................................... 20
PACOS, schakelaar voor activering/deac-
tivering....................................................... 20
Paniekfunctie............................................. 42
Park Assist............................................... 182
sensoren voor Park Assist.................. 184
Passagiersruimte..................................... 189
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 42, 43
functies................................................. 41
Poetsen.................................................... 270
Privacy locking........................................... 46
Provisorische bandenreparatie................ 259
R
Radarsensor............................................ 160
beperkingen........................................ 163
Recirculatie.............................................. 128
Regensensor.............................................. 90
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekerin-
gen........................................................... 244
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 295
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
07
296
Rem- en koppelingsvloeistof................... 230
Remlichten................................................. 83
Remmen.................................................. 108
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 108
elektrische parkeerrem....................... 110
noodremlichten, EBL............................ 83
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA..................................................... 108
remlichten............................................. 83
remsysteem........................................ 108
remvloeistof bijvullen.......................... 230
symbolen op instrumentenpaneel...... 108
Reservewiel.............................................. 257
257
Richtingaanwijzers..................................... 84
Rijadviezen............................................... 206
Rijden....................................................... 206
koelsysteem........................................ 206
met een aanhanger............................. 217
met geopend kofferdeksel.................. 206
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 277
trekgewicht......................................... 277
Rijden tijdens de winter........................... 207
Rijeigenschappen aanpassen.................. 157
Rijklaar gewicht........................................ 277
Roestwering............................................. 271
Roetfilter.................................................. 211
ROETFILTER VOL.................................... 211
Rugleuning................................................. 74
voorstoel, omklappen........................... 74
Ruiten en spiegels..................................... 92
Ruitensproeiers.......................................... 91
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 240
Ruitenwissers............................................. 90
regensensor.......................................... 90
Runflat-banden........................................ 256
S
Safelock-functie......................................... 54
deactiveren........................................... 54
onderbreking........................................ 54
Safety mode............................................... 28
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 269
auto wassen....................................... 269
bekleding............................................ 271
veiligheidsgordels............................... 271
velgen................................................. 270
Schuifdak
beveiliging tegen overbelasting............ 97
openen en sluiten................................. 96
ventilatiestand....................................... 96
zonnescherm........................................ 97
Serviceprogramma.................................. 226
Signaalingang, externe............................ 135
Simkaart................................................... 202
SIPS-airbag................................................ 22
SIPS-airbags.............................................. 22
Sleepoog.................................................. 222
Slepen...................................................... 222
sleepoog............................................. 222
Sleutel........................................................ 40
Sleutelblad................................................. 44
Sleutelblokkering..................................... 106
Sleutelloos starten (Keyless drive)....... 49, 98
Sleutelstanden........................................... 72
Sloten
automatische vergrendeling................. 52
kofferdeksel.......................................... 53
ontgrendelen......................................... 52
52
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 296
henrikrosenqvist
compact reservewiel..........................
vergrendelen........................................
07 Alfabetisch register
07
297
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 95
buiten-.................................................. 94
elektrische verwarming......................... 95
elektrisch inklapbare............................. 94
kompas............................................... 154
Spin Control............................................. 155
Sproeiers
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 240
voorruit.................................................. 91
Sproeikoppen, verwarmde........................ 91
SRS-AIRBAG....................................... 18, 19
SRS-systeem............................................. 17
schakelaar voor activering/deactive-
ring........................................................ 20
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 256
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 155
Stabiliteitssysteem................................... 155
Stadslichten vóór en achterlichten............ 82
Standverwarming..................................... 131
accu en brandstof............................... 131
op een helling parkeren...................... 131
tijd instellen......................................... 132
Startblokkering.......................................... 40
Starten met hulpaccu.............................. 102
Steenslagplekken en krassen.................. 272
Sticker SIPS-airbags.................................. 23
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 74
Stoelen en achterbank............................... 74
elektrische bediening............................ 74
elektrische verwarming....................... 127
geventileerde voorstoelen.................. 126
hoofdsteunen achterbank..................... 76
ruggedeelte achterbank omklappen..... 76
rugleuning voorstoel omklappen.......... 74
Stoel met geheugenfunctie........................ 75
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 164
Storingen in de camerasensor opsporen 173
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 177
Lane Departure Warning..................... 180
zie Berichten en symbolen................. 165
Storingsmeldingen voor adaptieve cruise-
control...................................................... 165
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 187
Storingsmeldingen voor de afstandscon-
trole.......................................................... 168
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhanke-
lijke........................................................... 157
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachti-
ging.......................................................... 157
Stuurslot.................................................... 99
Stuurwiel.................................................... 80
stuurwielafstelling................................. 80
toetsenset............. 80, 118, 135, 158, 199
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 161
Stuurwiel afstellen...................................... 80
Surround.................................................. 135
Symbolen
controlesymbolen................................. 66
informatiesymbolen.............................. 66
waarschuwingssymbolen..................... 66
Symbolen en meldingen
168
174
177
Lane Departure Warning..................... 180
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 165
T
Tanken..................................................... 208
tankdop............................................... 208
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 297
henrikrosenqvist
afstandscontrole................................
Driver Alert Control.............................
botswaarschuwing met remassistent.
07 Alfabetisch register
07
298
tanken................................................. 208
tankvulklep, elektrisch openen........... 208
tankvulklep, handmatig openen......... 208
Telefoon
aan/uit................................................. 199
aansluiten........................................... 197
bellen.................................................. 195
beltoon................................................ 200
201
geïntegreerd, overzicht....................... 199
gesprek beantwoorden....................... 196
handsfree............................................ 194
inkomende gesprekken...................... 195
202
telefoonboek....................................... 197
telefoonboek, sneltoets...................... 197
telefoon registreren............................. 194
Telefoonboek........................................... 201
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 123
Temperatuurregeling................................ 128
Timer........................................................ 128
Toetsensets op stuurwiel... 80, 118, 158, 199
Totaalgewicht.......................................... 277
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 255
Traction Control....................................... 155
Transmissie.............................................. 103
Transpondersleutel.................................... 40
accu...................................................... 41
afneembaar sleutelblad........................ 40
batterij vervangen................................. 47
bereik transpondersleutel..................... 42
functies................................................. 41
Trekgewicht............................................. 277
Trekhaak.................................................. 218
specificaties........................................ 219
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 218
Trillingsdemper........................................ 218
Type-aanduidingen.................................. 274
Typegoedkeuring, afstandsbedienings-
systeem................................................... 289
U
Uitstoot van kooldioxide.......................... 212
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 15
gordelspanners..................................... 16
Veiligheidsgordels...................................... 14
Veiligheidszitje........................................... 29
aanbevolen........................................... 31
afmetingscategorieën voor veiligheids-
zitjes met ISOFIX-bevestigingssys-
teem...................................................... 34
bovenste bevestigingspunten voor kin-
derzitjes................................................ 37
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kin-
derzitjes................................................ 34
Velgen
schoonmaken..................................... 270
Ventilatie.................................................. 125
Ventilator.................................................. 127
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 52
achterklep............................................. 42
Verlichting................................................ 232
82
86
85
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 298
henrikrosenqvist
berichten............................................
simkaart..............................................
automatische verlichting, interieur........
actieve Bi-Xenon-koplampen, ABL...
approach-verlichting............................
07 Alfabetisch register
07
299
bedieningsknoppen.............................. 84
displayverlichting.................................. 81
85
gloeilampen, specificaties.................. 238
groot licht/dimlicht................................ 81
in interieur............................................. 84
instrumentenverlichting........................ 81
koplamphoogteverstelling.................... 81
mistachterlicht...................................... 83
mistlichten............................................ 83
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 82
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 232
236
dimlicht, halogeen.............................. 233
groot licht, halogeen........................... 234
groot licht Actieve Bi-Xenon............... 234
groot licht Bi-Xenon............................ 234
instapverlichting.................................. 237
kentekenplaatverlichting..................... 237
kofferbak............................................. 237
make-upspiegel.................................. 238
mistlampen vóór................................. 235
richtingaanwijzer................................. 235
sidemarker.......................................... 235
stadslichten........................................ 234
Verlichting instrumentenpaneel................. 81
Versnellingsbak........................................ 103
automatische...................................... 104
handgeschakelde............................... 103
Verwarmde sproeikoppen.......................... 91
Verwarming.............................................. 128
Verzorging................................................ 269
Verzorging, leren bekleding..................... 271
Vierwielaandrijving, AWD......................... 107
Vlekken.................................................... 271
Vloermatten.............................................. 191
Volgtijd instellen....................................... 167
Voorstoel
lendensteun.......................................... 78
massage............................................... 78
79
W
Waarschuwingsgeluid
botswaarschuwing.............................. 170
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 160
botswaarschuwing.............................. 170
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 155
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 67
dynamo laadt niet bij............................ 67
gordelwaarschuwing............................ 67
lage oliedruk......................................... 67
parkeerrem aangezet............................ 67
storing in remsysteem.......................... 67
waarschuwing....................................... 67
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 17
Water- en vuilafstotende laag.................... 92
Water- en vuilafstotende laag, schoonma-
ken........................................................... 270
Whiplash-letsel.......................................... 25
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 25
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 25
whiplash-letsel...................................... 25
Wielen
aanbrengen......................................... 259
reservewiel.......................................... 257
sneeuwkettingen................................. 255
velgen................................................. 254
verwisselen......................................... 258
Wielen en banden.................................... 253
Winterbanden.......................................... 254
Wisselgesprek.......................................... 200
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 299
henrikrosenqvist
follow-Me-Home-verlichting................
achterlamphuis...................................
naar voren/achteren zetten..................
07 Alfabetisch register
07
300
Wisserbladen........................................... 239
schoonmaken..................................... 239
servicestand....................................... 239
vervangen........................................... 239
Wissers en -sproeiers................................ 90
Z
Zekeringen............................................... 244
algemene informatie........................... 244
houder in bagageruimte..................... 251
relais-/zekeringenkastje in motor-
ruimte.................................................. 245
vervangen........................................... 244
Zekeringenkastje...................................... 244
dashboardkastje................................. 248
Zekeringentabel
zekeringen in bagageruimte............... 251
zekeringen in motorruimte.................. 246
Zonnescherm............................................. 93
Zonnescherm, schuifdak........................... 97
Zuinig rijden............................................. 206
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 15
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 300
henrikrosenqvist
Notities
301
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 301
henrikrosenqvist
Notities
302
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 302
henrikrosenqvist
Notities
303
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 303
henrikrosenqvist
Notities
304
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:06:49+01:00; Page 304
henrikrosenqvist
S80 (Y286); 10; 3 2008-03-27T20:10:09+01:00; Page 1
henrikrosenqvist
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%%%+9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<iZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
VOLVO S80
Instructieboekje
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306

Volvo 2010 Handleiding

Categorie
Telefoons
Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor